Of: hoe ik mijn neten liet verwijderen in de chicste buurt van Parijs.
Toen ik ongeveer anderhalf jaar geleden een luis in mijn haar vond was ik verbaasd, maar niet ongerust. Als kind was ik er altijd binnen één dag weer vanaf geweest, en ik kende de winnende anti-hoofdluisformule nog goed. Ik waste alles wat te wassen viel op 90 graden, stopte al het overig textiel in vuilniszakken, stofzuigde de bank en drenkte mijn haar in Prioderm lotion. De hele avond lang kamde ik door het haar van m’n vriend, en hij door het mijne (wat op het vloeken en de huidschilfers na best romantisch was). De volgende dag liet ik m’n vers ontluisde haar bijna helemaal afknippen, als ultieme preventieve maatregel. Ik voelde me erg bekwaam en luisvrij, terwijl ik schaapachtig complimentjes over mijn nieuwe korte kapsel in ontvangst nam.
Maar niet veel later voelde ik ’s nachts weer iets voorzichtig rondkruipen over mijn hoofd. Het was het begin van een maandenlange misère van dure shampoos, stinkende lotions, metalen kammen en teatreeolie (je weet maar nooit). Soms leek het een tijdje alsof ik er vanaf was, gezegende periodes waarin ik weer tegen hoofdleuningen aan durfde te liggen, maar ze keerden steevast weer terug. Na een halfjaar was de jeuk sowieso permanent: als het niet de luizenbeten waren, dan was het wel mijn overmatig anti-luizenshampoogebruik en het dagelijkse kammen waardoor mijn hoofdhuid aanvoelde als een helse helm gemaakt van kriebel.
De beschikbare informatie over hoofdluis bleek nogal veranderd te zijn sinds mijn basisschooljaren. Het geruststellende feitje dat hoofdluizen het liefst in schoon haar wonen, blijkt bijvoorbeeld onzin. Er is goed nieuws: het heet wassen van beddengoed en het bevriezen van teddyberen is inmiddels achterhaald. Luizen blijven als het even kan dicht bij de warme hoofdhuid, als ze ergens anders terecht komen gaan ze snel dood. Indirecte besmetting is dus erg zeldzaam: ‘(Luizen) verplaatsen zich niet via kleding, beddengoed of knuffels’, vermeldt de site van het RIVM stellig.
Resistent
Maar er is ook slecht nieuws: een groot deel van de luizenpopulatie is inmiddels resistent tegen middeltjes die vijftien jaar geleden nog heel goed werkten. De producten in de apotheek worden nog steeds aangeprezen met claims als ‘100 procent effectief in 10 minuten!’ en ‘doodt luizen én neten!’ , maar dat klopt al lang niet meer. Het is niet voor niets dat de luizenkliniek, een soort kapper waar ze hardnekkige neten met behulp van een ingenieus stofzuigersysteem uit je haar zuigen, in opkomst is.
Ik kon er weliswaar niets aan doen dat mijn hoofd bevolkt werd door een groepje weerbare luizen, maar toch voelde het alsof ik faalde in persoonlijke hygiëne.
Natuurlijk blijft het vrij vernederend, om als zelfstandig volwassene met hoofdluis te leven. Ik kon er weliswaar niets aan doen dat mijn hoofd bevolkt werd door een groepje weerbare luizen, maar toch voelde het alsof ik faalde in persoonlijke hygiëne. Het helpt niet dat vrijwel alles wat er tegen hoofdluis beschikbaar is overduidelijk voor kinderen is gemaakt. In mijn badkamer ligt een treurig stapeltje Frozen-plaktatoeages, gratis bij elke fles anti-luizenshampoo. Het is als een complot waar iedereen aan meedoet: we leggen het luizenprobleem neer bij de kinderen, terwijl we ondertussen onze schedel stevig inmasseren met antiluizenlotion uit een Cars-flesje. Bekentenissen van luizige volwassenen vind je vrijwel alleen op afgelegen internetfora, waar vereenzaamde zielen hartverscheurende verhalen delen over hoe ze niemand hebben die door hun haar kan kammen, of hoe ze zich uit schaamte al jarenlang in hun huis verstoppen, met alleen een gestaag groeiende luizenpopulatie als gezelschap.
Klein kapstokje
Na bijna een jaar in een soort van luizenschemer geleefd te hebben, in constante angst voor een nieuwe neet, besloot ik professionele hulp in te schakelen. We maakten een afspraak bij een luizenkliniek met de triomfantelijke naam Bye Bye Nits, vooral omdat die zich in een buurt bevond waar we zeker niemand zouden tegenkomen. ‘Welkom!’ zei de behandelaarster met een brede glimlach. Ze nam onze jassen aan en bukte diep om ze op te hangen aan een kapstokje waar verder alleen heel kleine jasjes hingen. Ik mocht meteen plaatsnemen, naast een klein meisje met heel lang dun haar die als gehypnotiseerd naar het beeldschermpje staarde dat voor de spiegel was gemonteerd. ‘Koffie?’ vroeg mijn luizenprofessional. ‘Cartoon? Glaasje appelsap?’
De behandeling was niet onprettig. De luizenstofzuiger is warm en maakt een geruststellend brommend geluid. Zolang ik negeerde dat ik omringd werd door zombieachtige kinderen in een kliniek die eruit zag als een steriele ballenbak, voelde ik me steeds beter. Een leven zonder luis kwam met de minuut dichterbij, een eind aan mijn vernederende bestaan onder de pootjes van een parasiet.
Na de stofzuigsessie smeerde de behandelaarster een soort gel in mijn haar. Eerst wreef ze het goed in, toen trok ze mijn haren ineens naar buiten, waardoor ik eruit zag als verstoorde egel. ‘Wolverine!’ riep ze en barstte in lachen uit. De behandelaarster die met mijn vriend bezig was probeerde haar meteen te overtreffen, door zijn haar in een rechte punt naar boven te boetseren. ‘Mooi zo toch?’ gierde ze, ‘heel jaren negentig!’ Het meisje naast me keek even op van haar tekenfilmpje en glimlachte misprijzend.
Bij het afrekenen liet ik me nog een ongeloofwaardig flesje olie aansmeren. De lotion in ons haar moest nog minstens een uur blijven inwerken, zei het meisje achter de kassa. We zagen eruit als twee Playmobil-autoverkopers, met steeds harder wordend haar. Ik wilde zo dik ingesmeerd niet de metro, dus liepen we de hele weg naar huis, langs protserige tassenwinkels en terrasjes vol rijke toeristen.
Maar we hebben geen hoofdluis meer.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.