Bij elke hap die je neemt, bij elke slok die je drinkt, word je geacht éérst na te denken over de vraag of het wel gezond is. Elma Drayer heeft genoeg van de voedselmaffia. Van leven ga je nu eenmaal dood.

Onlangs bracht de Gezondheidsraad de nieuwe ‘Richtlijnen goede voeding’ uit. Een commissie van liefst zestien deskundigen had de ‘actuele stand van wetenschap over de relatie tussen voeding en chronische ziekten op een rij gezet’ en ‘vertaald in aanbevelingen voor een gezond voedingspatroon’.

Het heetten adviezen te zijn: wij konden het doen, wij konden het laten. Maar ze lazen als een eigentijdse variant op de Tien Geboden – alleen al om de gebiedende wijs waarmee elke zin begon: eet, drink, vervang, beperk.

Zo dienden wij wekelijks peulvruchten te nuttigen, dagelijks ten minste 15 gram ongezouten noten tot ons te nemen, per dag drie koppen thee te drinken, de consumptie van rood vlees aan banden te leggen, versgeperst vruchtensap te elimineren, de inname van keukenzout te matigen, boter voortaan te laten staan, evenals ongefilterde koffie. En alcohol? Hooguit één glas per dag.

In een interview met het huisorgaan van de raad legde commissievoorzitter Daan Kromhout het nog eens haarfijn uit. Je mocht van hem best een boterham met worst eten, als je daarna maar een sinaasappel nam, ter voorkoming van de ‘vorming van carcinogenen’. Die boterham moest wel volkoren zijn, want dat ‘reduceert het risico op darmkanker’. Eén glas bier verhoogde het risico op diabetes, bij twee glazen steeg de kans op ‘voortijdige sterfte’ met 40 procent. Wie gewend was een stuk worst bij z’n bier te eten, zei hij, zou toch nu wel begrijpen dat je dan ‘echt ongezond bezig bent’.
Al met al liet de man negen keer het woord ‘risico’ vallen.

Advertentie

Advertentie

Er was geen krant, nieuwssite, radio- of tv-zender die niet over het advies berichtte. Tevreden kon de Gezondheidsraad dan ook een paar weken later concluderen dat ‘niet eerder’ een van zijn publicaties ‘zoveel media-aandacht’ had opgeleverd.

Zelf was ik er heel wat minder over te spreken. En nee, niet alléén omdat ik ’s ochtends hecht aan mijn glaasje sinaasappelsap, het ’s avonds zelden bij één wijntje laat, die theemanie nooit heb begrepen, een onbeboterde boterham maar niks vind, en alleen in het diepst van mijn gedachten consequent vegetariër ben. Wat mij betreft waren de ‘Richtlijnen’ – bedoeld als wetenschappelijke basis voor de vernieuwde Schijf van Vijf die over enkele weken verschijnt – het zoveelste dieptepunt in de voedselhysterie die dit land teistert. Gewoon, eten en drinken om in leven te blijven? Of omdat je het lekker vindt? Vergeet het maar. Bij elke hap die je neemt, bij elke slok die je drinkt, word je geacht éérst na te denken over de klemmende vraag of je er je gezondheid mee schaadt. Het is van een vreugdeloosheid die me bij tijd en wijle de adem beneemt.

Rupsjes-nooit-genoeg

‘Eerst komt het eten, dan de moraal’, schreef ooit Bertolt Brecht. Dat klopt. Maar het omgekeerde klopt evenzeer.

Sinds mensenheugenis gaat voedsel gepaard met gedetailleerde do’s and don’ts. In het jodendom schrijft de kasjroet voor wat er al dan niet op je bord mag belanden. De islam maakt een strikt onderscheid tussen halal en haram en eist van de gelovigen dat ze jaarlijks een maand vasten. Boeddhisten prefereren een vegetarisch menu, bij de hindoes is de consumptie van rundvlees verboden, bij de yezidi’s die van sla. Alleen het christendom hield zich van oudsher niet zo bezig met het vraagstuk, maar een béétje katholiek at wel vrijdags vis en matigde zich in de veertig dagen voor Pasen.

In haar boek Hamburgers in het paradijs (2012) verklaart Louise O. Fresco deze hang naar regelgeving uit het feit dat eten ‘zo essentieel is, iets is wat iedereen doet. Zonder voedsel overleven we niet, niet als individu, niet als soort. Dus het is logisch dat we voedsel door de geschiedenis heen hebben beladen met waardeoordelen en taboes (…).’

Het zal geen toeval zijn dat juist in dit geseculariseerde land nieuwe waardeoordelen en nieuwe voedseltaboes in zwang kwamen. Bij geëngageerde burgers komen die dikwijls voort uit bekommernis om onze planeet. Louise Fresco: ‘Als je geeft om het milieu en om dieren, uit je dat door je eetpatroon.’ Menigeen meent bovendien dat de voedselindustrie ons op listige wijze in de tang houdt. Of, zoals de hoofdredacteur van De Correspondent het in 2014 formuleerde: ‘Omringd door een snackwalhalla, verleid door voedselproducenten op zoek naar maximale afzet, misleid door onheuse gezondheidsetiketjes, aangemoedigd door een brein dat van geen ophouden weet, eten we ons als rupsjes-nooit-genoeg langzaam maar zeker ons graf in.’

Doorsnee burgers maken zich om deze zaken geloof ik minder druk. Die lijken bovenal ontvankelijk voor het evangelie dat te veel, te zoet en te vet eten een aanslag is op hun persoonlijke gezondheid.

Het streven naar het Eeuwige Leven is verdwenen, het streven naar het Gezonde Lichaam kwam ervoor in de plaats.

Vermaningen

Al in 1989 constateerde hoogleraar voedselleer Martijn Katan in Vrij Nederland dat wij ‘steeds gezondheidsbewuster’ werden. ‘Of steeds angstiger voor ziekte natuurlijk.’ Hij gaf een treffend voorbeeld. ‘Als je zegt: “Ik heb vanochtend vreselijk gezondigd”, waar doel je dan op? Een buitenechtelijke affaire met de buurvrouw? Een van de zeven andere hoofdzonden? Nee. Hoogstwaarschijnlijk bedoel je dat je vanochtend een slagroompunt hebt gegeten.’

Wat deze wetenschapper destijds als trend signaleerde, is inmiddels volstrekt mainstream. Het streven naar het Eeuwige Leven mag zoetjesaan zijn verdwenen, het streven naar het Gezonde Lichaam kwam ervoor in de plaats – eerst en vooral te bereiken door verstandig te eten. Het religieuze, schuldbeladen jargon verhuisde net zo makkelijk mee, inclusief bijna oudtestamentisch klinkende vermaningen. Blader maar eens door wat publiekstijdschriften.

Santé biedt ‘19 simpele tips om dit jaar gezonder te eten’. Ze variëren van ‘Zorg ervoor dat minstens de helft van elke maaltijd uit groente en fruit bestaat’ tot ‘Drink elke dag 1 kop gemberthee’. Gezondnu komt met liefst ‘38 kleine tips’ opdat wij ‘gelukkiger, energieker én gezonder’ zullen zijn. ‘Suiker in koffie en thee? Stop ermee!’ Elders in het blad zegt een arts: ‘Je kunt heus weleens wat “fouts” eten of iets wat op de langere termijn niet zo gezond is. Als je je darm verder fatsoenlijk behandelt, kan hij dat echt wel aan.’ De Allerhande wil ons eveneens ‘helpen om gezonder te gaan eten’. Natuurlijk, schrijft het blad, weten wij best dat gezond eten en ons ‘goed voelen’ hand in hand gaan. ‘Maar een bewust eetpatroon volhouden? Dat is lastig, want verleidingen zijn er altijd en overal.’

In vrouwenblad JAN vertelt een moeder hoe ze haar hardleerse gezin tracht te bekeren. ‘Mijn man heb ik weleens een pak binnengesmokkelde Kellogg’s Honey Smacks laten weggooien in het bijzijn van de kinderen.’ Verderop beschrijft een zogeheten lifestyleblogger dat ze heus niet helemáál van haar ‘gezonde geloof’ is gevallen, maar ‘de gezondheidslat’ iets minder hoog legt dan voorheen.

De serieuze pers zwaait al even onbekommerd met het vingertje. In dit weekblad kun je tegenwoordig zomaar een column aantreffen die gewijd is aan de morele worstelingen rond de bitterbal. Prangende vraag: mag die nu wel of mag die nu niet? Opbeurende moraal: ‘Een goedgekozen zonde stelt u in staat een beter mens te zijn.’

In de Volkskrant kondigt eetjournalist Mac van Dinther een bundeling van zijn stukken aan. Zijn vorige boek, schrijft hij, was nog ‘beschrijvend, niet oordelend’. ‘Een vervolg daarop zou dat juist wel moeten zijn. Ik wilde mensen niet alleen iets laten zien, maar ze ook de weg wijzen. Daar is behoefte aan.’ Vandaar dat hij ‘de tien geboden van goed eten’ had opgesteld.

Illustratie: Rein Janssen
Paleogoeroe

En dan zijn er nog de talloze dieetprofeten die hun diepe inzichten met ons willen delen. Sonja Bakker die beweert dat je cellulitis krijgt van witte wijn en dat koffie vocht aan je lichaam onttrekt. Kris Verburgh (auteur van De voedselzandloper) die ons wijsmaakt dat walnootconsumptie de kans op een hartaanval met de helft vermindert en dat een glas fruitsap 76 procent minder risico op alzheimer geeft. Dr. Frank die koolhydraten radicaal wil schrappen. Of new age-types die verkondigen dat wij moeten terugkeren naar de oertijd, door ons te houden aan een ‘paleodieet’: wat de holbewoner tienduizenden jaren geleden niet at, moeten ook wij weren van het menu.

Over zulke malloten kunnen we kort zijn. Ze staan al te vaak in het zonnetje, zelfs in de nette kranten. (Zo interviewde dagblad Trouw in november paleogoeroe Mitchel van Duuren, die onweersproken mocht beweren dat de voedselindustrie ‘een vinger in de pap’ heeft bij de nieuwe ‘Richtlijnen’: ‘Die heeft er baat bij dat hun producten in de Schijf worden aanbevolen.’)

Veel interessanter zijn naar mijn smaak de gepatenteerde deskundigen die zich met het thema bezighouden. Al jaren gaat er geen week voorbij of er verschijnt nieuw wetenschappelijk onderzoek dat een verband legt tussen voeding en gezondheid. Alleen: dat is telkens weer een ander verband.

Het ene jaar horen we dat een glaasje wijn best kan, het volgende dat we alcohol rigoureus moeten uitbannen. Nu eens zijn eieren desastreus voor het cholesterolgehalte, niet veel later kunnen ze heus geen kwaad. Melk was ooit ‘goed voor elk’, toen uit de gratie vanwege de verzadigde vetten, nu weer van harte aanbevolen als calciumbron. Noten, zuivel, vlees, brood, tomaten, spinazie, boter, zout, suiker – allemaal waren ze ooit verdacht (of zijn dat nog steeds). Zo bezien is het niet vreemd dat de leek in verwarring achterblijft. Wie zegt hem dat de nu door de Gezondheidsraad zo hooggeprezen peulvruchten straks niet kankerverwekkend zullen blijken te zijn?

Vorig jaar oktober schreef een Leidse huisarts in de Volkskrant: ‘Het brood is te zout, de hagelslag te zoet en van knakworsten krijg je kanker. Zo lust ik er nog wel eentje. Mijn spreekkamer zit vol met worried well: hoogopgeleide allesvrezers die niets mankeren, maar bang zijn voor alle voedsel omdat je er kanker, hoge bloeddruk, hersen- en hartinfarcten van krijgen kan.’

Hilarisch overspannen

Zelf wijst de voedselwetenschap ter verklaring nogal graag naar ‘de media’, met hun neiging tot sensationele berichtgeving. Daar zit wat in. Zonder met de ogen te knipperen, poneert Hart van Nederland dat knakworstjes ‘ongezonder’ zijn dan asbest, noemt de NOS rood vlees ‘even kankerverwekkend’ als plutonium, schrijft Metro dat bacon ‘net zo’ kankerverwekkend is als roken. Het zijn bijna hilarisch overspannen vergelijkingen.

Maar misschien zou het geen gek idee zijn als de voedselwetenschap ook eens bij zichzelf te rade ging.

In een stuk over de huidige ‘voedselstress’ wees de Volkskrant vorige maand op een onderzoek van de ‘kritische’ Amerikaanse epidemioloog John Ioannidis. Hij ontdekte dat de vijftig meest voorkomende ingrediënten uit een willekeurig kookboek bijna allemaal ooit wel eens in verband zijn gebracht met kanker. Maar de kwaliteit van veel studies was ‘zo slecht dat de claims bij nader inzien ongeloofwaardig waren’.

Je zou zeggen: als de wetenschap zo weinig met zekerheid weet, zing dan een toontje lager. Relativeer op z’n minst de adviezen die je op je bevindingen baseert. Ga er ontspannen mee om. Maar treurig genoeg doen voedingswetenschappers dat zelden of nooit.

Je zou zeggen: als de wetenschap zo weinig met zekerheid weet, zing dan een toontje lager. Relativeer op z’n minst de adviezen.

Illustratief was een verhaal dat onlangs stond in nrc.next. Ruimhartig erkende hoogleraar Jaap Seidell daarin dat het voedseldebat wel wat ‘nuance’ kon gebruiken. ‘We weten vooral heel veel niet over voeding,’ zei hij. Eigenlijk ‘maar een paar procent’. Voedingswetenschap, legde hij uit, is nu eenmaal erg ingewikkeld. ‘Het gaat om zoveel voedingsstoffen die ook weer in verschillende voedingsmiddelen zitten en al die stofjes en voedingsmiddelen zitten weer in verschillende voedingspatronen.’

Het waren wijze woorden. Toch besloot het artikel met zes ‘breder gedragen’ voedselinzichten ‘waar we mee door kunnen in 2016’.

De continue stroom voedselwaarschuwingen stoort vooral vanwege de niet eens zo stille suggestie dat wij onze gezondheid goeddeels in eigen hand hebben. Logische keerzijde: worden we ziek, dan hebben we dat goeddeels aan onszelf te wijten. Hadden we maar de hedendaagse spijswetten in acht moeten houden.

Niet toevallig laait het debat over leefstijl en solidariteit in de zorg om de zoveel tijd op. Want zeg nou zelf: waarom zou de brave, gezondheidsbewuste burger moeten dokken voor lieden die er maar wat op los leven? Die te veel eten, roken en alcohol drinken, terwijl ze heel goed weten dat ze daarmee een peperduur ziekbed over zich afroepen

Een paar jaar geleden was het weer zover. Het Centraal Bureau voor de Statistiek had gepeild dat een meerderheid van de volwassen Nederlanders (55 procent) gaarne zag dat rokers en drinkers meer ziektekostenpremie betaalden. Bijna een kwart vond dat die tevens omhoog kon voor mensen die door eigen toedoen lijden aan overgewicht.
Aan de nationale praattafels was de consensus opvallend snel bereikt: lieden die ‘verwijtbare risico’s’ namen, moest je raken in hun portemonnee. Dat zou ze leren, aldus een lector leefstijlverandering.

Vrijwel niemand maakte zich druk om de toch zo voor de hand liggende vraag hoe je controleert of iemand zich aan genoemde ondeugden bezondigt. En vooral: wie dat moet doen. De huisarts? De buurvrouw? Het wijkcomité? Een nieuw op te richten gezondheidspolitie?

Soda tax

Op een regenachtige vrijdagmiddag fiets ik naar het Amsterdamse debatcentrum SPUI25. Daar zal gezondheidswetenschapper Maartje Poelman een presentatie houden van haar onderzoek naar onze ‘obesogene voedselomgeving’.

Ik ben benieuwd. Veruit de meeste hedendaagse eetzorgen draaien immers om overgewicht: de nutteloze kilo’s die het lichaam verzamelt als het meer calorieën binnenkrijgt dan het verbruikt. Volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek kampt de helft van de volwassen Nederlanders met een matige tot ernstige vorm van overgewicht, van de kinderen tot 20 jaar is dat zo’n 15 procent. En hoe lager op de sociale ladder, hoe vaker het verschijnsel voorkomt.

De overheid beschouwt al die dikkerds al jaren als een volksgezondheidsvraagstuk dat om aanpak en maatregelen vraagt. Ze sloot convenanten met het onderwijs, met het bedrijfsleven, met maatschappelijke organisaties, stak miljoenen euro’s in voorlichting. En toch blijft de Nederlandse bevolking maar gestaag uitdijen. Net als trouwens die in vergelijkbare buitenlanden.

Daar in dat zaaltje schetst de wetenschapper in schrille kleuren de gevaren die de westerse mens bedreigen. Zonder dat we het doorhebben, zegt ze, worden we dagelijks ‘geprimed’ om te eten en te drinken. Overal in de openbare ruimte lonken de verleidingen, terwijl onze hersenen daartegen maar matig bestand zijn. En ook binnenshuis loert het gevaar. Bijna 60 procent van de huishoudens bezit te grote frisdrankglazen! Liefst 70 procent heeft ‘acht of meer verpakkingen van lekkernijen’ in huis!

Helaas, weet ze uit onderzoek, ‘individuele interventie’ biedt nauwelijks soelaas. Als je mensen overhaalt om kleiner servies te gebruiken, bescheidener porties te nemen, geen voordeelverpakkingen meer aan te schaffen, heeft dat alleen op korte termijn effect. Na een tijdje vallen ze terug in hun oude gewoonten.

Meer heil ziet ze dan ook in ‘interventies in de omgeving’. Zoals daar zijn: geen snacks meer bij de supermarktkassa, de invoering van een zogeheten soda tax en een verbod op kindermarketing. ‘Ik ben heel erg voor overheidsingrijpen hierin,’ zegt ze. ‘Dat het gewoon niet mag.’

Illustratie: Rein Janssen
Niet per se rampzalig

Geen misverstand: overgewicht spéélt een rol in het ontstaan van nare ziekten – al is dat verband complexer dan menigeen denkt. Tailleverlies hoeft niet per se rampzalig te zijn. Of, zoals publiciste Asha ten Broeke schrijft: ‘Van alle mensen die last krijgen van typische “overgewichtsaandoeningen” zoals hoge bloeddruk, hoog cholesterol, veel buikvet en afwijkende bloedsuikerwaarden is (…) veertig procent slank.’ Van alle mensen met obesitas zou volgens haar een kwart op deze vlakken ‘zo gezond als een vis’ zijn. Maar dat zwaarlijvigheid de kans op bijvoorbeeld diabetes verhoogt, is volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek alleszins ‘waarschijnlijk’. De kans om de aandoening te ontwikkelen, zou voor obese personages ‘zes keer zo groot’ zijn.

Een slecht eetpatroon kan ook een rol spelen in het ontstaan van kanker. Volgens een recent onderzoek van TNO, in opdracht van KWF Kankerbestrijding, zorgt roken voor ‘de grootste bijdrage’ aan alle nieuwe kankergevallen (19 procent), gevolgd door ‘niet-optimale voedingsgewoonten’ (10 procent), overgewicht (4 procent), alcoholgebruik (3 procent) en lichamelijke inactiviteit (2 procent). Conclusie: ‘Bijna een derde van alle kankergevallen en bijna 40 procent van de sterfte aan kanker is toe te schrijven aan een minder gezonde leefstijl.’

Uit dezelfde gegevens zou je net zo goed kunnen concluderen dat meer dan tweederde van de nieuwe kankergevallen en meer dan 60 procent van de sterfte aan kanker niet vallen toe te schrijven aan ‘een minder gezonde leefstijl’. Vermoedelijk een kwestie zijn van genenpakket of domme pech. Of van de uiterst ingewikkelde wisselwerking tussen genenpakket en domme pech.

Maar ja. Pech moet weg. Liever zien wij onszelf als de architecten van ons eigen bestaan. Terwijl we hooguit de aannemers zijn.

Kanker is vooral een kwestie van genen of pech. Maar pech moet weg: wij zien onszelf liever als architecten van ons bestaan.

Iedereen honderd

Hoe zou dit land eruitzien als de gezondheidsmaffia werkelijk haar zin kreeg? Als we, al dan niet onder zachte dwang, foute zouten en vetten, lege suikers, alcohol en andere boosdoeners schrapten van ons menu? Als we bovendien (binnenkort komt de Gezondheidsraad met een ‘afzonderlijk advies’ hieromtrent) ook nog eens met z’n allen ijveriger aan het bewegen zouden slaan?

Wellicht zou aldus onze gemiddelde levensverwachting spectaculair stijgen. Alleen, die is in dit bevoorrechte hoekje van het universum nu al torenhoog. Iedereen honderd, zou dat het idee zijn?
Mij trekt het vooruitzicht heel weinig aan.

Natuurlijk is er onnoemelijk veel te zeggen voor een rookvrij bestaan. Voor frequent sportschoolbezoek. En dus ook voor een eetpatroon zonder foute suikers, zouten en vetten, vol vitaminen en vezels. Bijvoorbeeld omdat zulke maaltijden (meestal) lekkerder zijn. Of omdat je je daardoor (doorgaans) frisser voelt. Of omdat zwaarlijvigheid niet echt tot je voordeel strekt – althans niet in deze tijden, waarin slank de sociale norm is.

En natuurlijk kun je je, om de Vlaamse epidemioloog en schrijver Luc Bonneux te citeren, ‘door een barslecht dieet’ ziek eten. Maar, zei hij erbij, er is ‘geen enkel bewijs’ dat je jezelf gezond kunt eten.

Van leven gaan we nu eenmaal dood – hoe bewust we ook eten, hoeveel we ook bewegen. Misschien is het wel de eindigheid van het bestaan waarmee wij eindelijk in het reine moeten zien te komen.