Overal zien

08-09-2007
Door Jeroen Vullings

In Thoméses nieuwe roman Vladiwostok! is het alsof je door iemand suf geluld wordt in een rokerig café. Urenlang. Daardoor komen Thoméses personages onplezierig dichtbij. Literair is dat geen geringe prestatie.

Je had hem kunnen zien aankomen in P.F. Thoméses sardonische oeuvre: het type van de succesvolle klootzak. Politiek incorrect, seksistisch, racistisch, zelfzuchtig, verstoken van twijfel. Of juist niet, na het meer filosofische requiem Scha­duw­kind en het quasi-naïeve sprookje Izak. Door dat tweeluik – noodzakelijke intermezzi binnen Thoméses oeuvre – valt zijn nieuwe roman Vladiwostok! rauw op je dak. Dat zit ’m in de twee vertelstemmen: die van Fons Nieu­wen­huijs (politiek adviseur, mediastrateeg, mannetjesmaker) en zijn vriend Hans Por­tiel­je (hoogleraar, mediapersoonlijkheid, politicus in spe). Fons wil Hans ‘neerzetten’ in de Haagse politiek. Beiden voldoen uitstekend aan het hierboven geschetste profiel van de klootzak. Je had ze kunnen zien aankomen, op grond van de eerder geëtaleerde ranzigheid in Haagse liefde & De vieze engel (1996), de al te menselijke lulligheid in Heldenjaren (1994), de malicieuze en provocerende manier waarop de eerste Nederlandse feministe Etta Palm getekend is in Het zesde bedrijf (1999), de politiek-incorrecte ouwejongenskrentenbroodsfeer in Greatest Hits (2004).

Supergeile Surinaamse meisjes
De schrijver zit zijn twee antihelden in Vladi­wostok! dicht op de huid. Dichter dan hij ooit op een ander personage zat. We zijn deelgenoot van Fons’ en Hans’ intiemste gedachten, van alles dat ze wijselijk voor zich houden. Het wemelt in hun toch al koortsige gedachtenwoekeringen van cursief weergegeven zinnen, zinsdelen en toegevoegde mededelingen. Zoals in: ‘Een tafeltje verder zaten drie supergeile Surinaamse schoolmeisjes te smoezen. Over seks natuurlijk, waar anders over?’ Op die manier maakt Thomése de vertelstroom niet alleen nog dynamischer, ook beheerst hij daarmee de volumeknop. Dan praten zijn personages weer scheller, dan dimmen ze wat. Het is alsof je door iemand suf geluld wordt in een rokerig café. Urenlang. Daardoor komen Thoméses personages onplezierig dichtbij. Literair is dat geen geringe prestatie.

Maar na de hijgerige lol om de eerste honderd pagina’s, die stijf staan van misse praatjes en dito hersenkronkels, raakte ik wat murw. Het was niet leuk meer, die twee mannen die alles betrekken op neuken, kutten, konten, negers – in die termen. Vladiwostok! werd steeds pijnlijker om te lezen.

Het woord ‘neger’ turven in de roman wens je slechts een vijand toe. Hans en Fons zijn waarlijk geobsedeerd. Niet alleen met betrekking tot aan de donkergekleurde medemens toegeschreven capaciteiten in sexu­a­li­bus. Overal zien ze negers: ‘Had Hans daar trouwens rekening mee gehouden? Met de pissende neger?’ Ook regent het boutades: ‘Ontwikkelingswerkers waren geen genieters, klaar uit. Het liefst liepen die jezusfreaks op sandalen hun grote tenen achterna. Je bleef het aan hen zien dat ze van de witte paters afstamden, de oeraanbieders van westers lesmateriaal in de afgedwaalde regionen van kaffers, moriaantjes en al die andere godvergeten schepselen.’
Nogmaals, eventjes is dat aardig, zoals dat geëmmer van Thoméses mannelijke, al te mannelijke mannen over vrouwen tijdelijk plezant is. Maar het gaat maar door, het neemt manische vormen aan, het wordt vermoeiend en vooral te veel. Dat gebrek aan balans is te betreuren, want stilistisch excelleert Thomese wél in Vladiwostok! Meer nog dan in zijn andere boeken weet hij ons op iedere pagina te verbluffen: door zijn lenigheid, scherpte en het ogenschijnlijke gemak waarmee hij parel na parel opdient.

Bastaardkinderen
Gaandeweg het verhaal werken Fons en Hans zich in de nesten. Ze raken verstrikt in leugens over overspel en bastaardkinderen ten gevolge van die buitenechtelijke excursies. Hans verkloot tijdens een televisietalkshow iedere kans op een politieke glansloopbaan. Fons komt uiteindelijk nog wel op zijn pootjes terecht omdat zijn echtgenote Pam de regie overneemt. Voordien is het voor hen een lange roes, verkregen door, figuurlijk, langdurig naar het eigen spiegelbeeld staren.

Precies daarom gaat het Thomése: om het vangen van het brede mannengebaar waarmee alle problemen weggewuifd worden. Die overmoed, het gebrek aan realiteitszin, het idee dat regels niet voor jou gelden, de behoefte aan grandeur, de makkelijk mobiliseerbare zelfrechtvaardiging wil hij vangen. Het motto van Vladiwostok!, bij wijze van eerste richtingaanwijzer, is een kennelijk natuurgetrouw opgetekende dialoog:
‘Waarheen?’ vraagt een taxichauffeur.
‘Vladiwostok!’ antwoordt Ramses Shaffy.

Vlijmscherpe satire
Op de achterflap wordt Vladiwostok! aangeduid als ‘realliferoman over politiek, media, seks en zogenaamde vriendschap’. Pikant is de aan televisiepersoonlijkheid Matthijs van Nieuwkerk ontlokte blurb: ‘Een van de aardigste en leukste schrijvers uit de Nederlandse literatuur.’
Pikant, want juist dat soort populaire talkshowjournalisten als Van Nieuwkerk wordt fors gehekeld in Vladiwostok! Zowel met betrekking tot hun persoonlijke leven, als in het op effect spelen in hun shows. Na Joost Zwagermans Chaos en rumoer hebben we er met Thoméses achtste boek dus een hoogst contemporaine, vlijmscherpe satire over het mediagewoel bij – en over de ‘communicatiebusiness’, de ‘public affairs’ en spin doctors voor politici. Maar Vladiwostok! is ook een sociale komedie over de soort die al sinds mensenheugenis meegaat: de man.

Bot en ongevoelig is hij. Hij luistert niet. Hij leest niet. Dat leidt maar af van Eigen Gedachten. IJdelheid regeert hem. Echt ongecompliceerd is de man nu ook weer niet, omdat hij behept en belast is met vertrouwde Thomése-thematiek. Hij wil zich verliezen en ook weer terugvinden. In Vladiwostok! wordt gerept van het ‘verlangen om niet te bestaan’ – een schaars bedekte doodswens, die zich ook manifesteert in Fons’ schrijfwerk: ‘Hij kon er lyrisch over worden, ja nog steeds. Hoe je in een tekst kon verdwijnen en niemand wist waar je was, ook jijzelf niet.’
Er is geen noemenswaardig verschil in toon tussen de twee vertelstemmen, die van Fons en die van Hans. Alsof Thomése daarmee het algemeen geldende van die soort wilde onderstrepen. Alleen loopt het met Hans slecht af en met Fons redelijk goed: hij wordt uit de penarie gehaald door zijn kordate vrouw Pam. Ze neemt hem bij het handje, slaat aan het regelen, lost de problemen op en troont haar gemuilkorfde echtgenoot mee naar huis. Daar gaat hij, eertijds zelfverklaard klootzak, nu voltijds pantoffelheld.

Als iemand recht heeft op de Anna Bijns Prijs en de Marga Klompé Prijs is het de empathische feminist Thomése wel. Wat een man. Waarmee ik geenszins de suggestie wil wekken dat taalcarrousel Vladiwostok! geen ereplaats verdient op de literaire shortlists.

P.F. Thomése, ‘Vladiwostok!’, Contact, 295 pagina’s, €22,90