Het is zomer 2008 wanneer groepscommandant Dennis van der Kraats met zijn eenheid de weg van Kandahar naar Tarin Kowt aflegt. De mannen hebben de taak de net aangekomen Franse troepen te begeleiden. De groep is onrustig: in de vallei waar ze doorheen moeten, zijn ze een paar weken geleden nog in een hinderlaag gereden en hebben ze vijfeneenhalf uur lang voor hun leven moeten vechten. Van der Kraats wil er zo snel mogelijk doorheen. ‘Ik was geïrriteerd. Het duurde allemaal langer dan we van tevoren hadden bedacht. En ik maakte me zorgen.’

De open vallei biedt weinig ruimte voor dekking. Over de radio komt bericht van het laatste voertuig in de colonne. Een Afghaan aan de kant van de weg maakt een snijdende beweging langs zijn keel als hij de troepen voorbij ziet trekken. ‘Toen kreeg ik het te kwaad. Ik ben samen met de tolk de wagen uitgesprongen en met mijn getrokken glock op de man afgestapt. “Alles vertalen, geen politiek gelul,” riep ik naar de tolk. En toen ging ik los. Ik kan me amper nog herinneren wat ik gezegd heb. Ik ben allang blij dat ik die man niet overhoop heb geschoten. Toen ik opzij keek, zag ik dat de tolk tranen in zijn ogen had staan. “Enough,” zei hij, “no more.” Ik wist op dat moment eigenlijk al dat het mijn laatste uitzending was. Ik zag het in de ogen van die tolk.’

Terwijl Van der Kraats praat, verplaatst hij een paar keer het pakje sigaretten, de telefoon en de zonnebril die naast hem liggen. Die laatste heeft hij altijd bij zich. ‘Zodra ik het te kwaad krijg, gaat-ie op. En dat is tegenwoordig vaak. Dus gaat die zonnebril overal mee naar toe.’

Er zijn bepaalde beelden die hij niet meer van zijn netvlies krijgt. ‘Ik heb die jongens situaties in laten gaan… het is allemaal goed gegaan, maar het had zo slecht kunnen aflopen. Ik voel me daar verantwoordelijk voor, ík heb die jongens dat laten doen. En een aantal van hen hebben er nog steeds last van.’

Schuldgevoelens bij veteranen

Deze gevoelens van schuld, spijt en schaamte zijn wetenschappers ‘moral injury’ gaan noemen, wat net iets anders is dan posttraumatische stressstoornis (PTSS). ‘Moral injury – of morele verwondingen – is het gevoel dat het fundamentele begrip van goed en fout is aangetast en de gevoelens van schuld en rouw die daarop volgen,’ legt promovendus Tine Molendijk uit. Zij verricht aan de Radboud Universiteit onderzoek naar morele verwondingen onder Nederlandse veteranen die uitgezonden zijn geweest naar Bosnië (voormalig Joegoslavië) en Afghanistan.

In Nederland is het concept nog vrij onbekend, in de VS zijn al meerdere psychologen, psychiaters, filosofen en sociologen met dit thema bezig. ‘Schuldgevoelens over oorlog voeren zijn van alle tijden, maar het valt op dat juist nu deze vragen opkomen bij militairen, zowel in de VS als op andere plekken,’ vertelt Molendijk.

Veel militairen voelen zich bij terugkomst niet begrepen. ‘Daar spelen de media zeker een rol in, maar ook de directe omgeving. Ik hoor militairen vaak over de afstand die zij voelen tot de mensen om hen heen. Ze krijgen dan bij de slager de vraag: “Zo, op uitzending geweest? En, nog iemand doodgeschoten? Heb je er last van?’’’

Uit onderzoek van het Veteraneninstituut in 2017 blijkt dat veteranen met gevechtservaring minder vaak positief terugkijken op de uitzending dan veteranen zonder die ervaring: 58% tegenover meer dan 70%. Ruim één op de drie van de veteranen met gevechtservaring kijkt zowel positief als negatief terug op zijn of haar uitzending. Van de veteranen met gevechtservaring geeft 38% aan gevolgen te hebben ondervonden van de uitzending, van nachtmerries, snel geïrriteerd zijn en niet tegen vuurwerk kunnen tijdens Oud en Nieuw tot en met langdurige psychische problemen. Onder veteranen zonder gevechtservaring is dit 16%.

Niet begrepen

De symptomen van moral injury lijken op die van posttraumatische stressstoornis (PTSS): boosheid, nachtmerries, angstaanvallen, snel schrikken en zelfmedicatie met alcohol en drugs. Toch is er een duidelijk verschil.

‘Bij morele verwonding is het je gevoel van rechtvaardigheid dat is aangetast.’

Onderzoeker Molendijk: ‘Bij PTSS is je gevoel van veiligheid aangetast. Na terugkomst uit een oorlogsgebied voelen veel militairen zich onveilig, ze zijn constant op hun hoede en hebben last van angstaanvallen. Bij morele verwonding is het je gevoel van rechtvaardigheid dat is aangetast. Militairen die in aanraking zijn geweest met groot onrecht, of zelf onrecht hebben aangedaan waar ze later spijt van krijgen.’

Vaak zijn dit soort klachten, net als bij PTSS, in eerste instantie niet of nauwelijks zichtbaar voor de buitenwereld. De veteranen praten niet of weinig over hun ervaringen, omdat ze het gevoel hebben niet begrepen te worden. Niet door de samenleving als geheel, maar ook niet door hun partner of vrienden buiten het leger. Vanuit die situatie gaat het vaak bergafwaarts. Molendijk: ‘Het overgrote deel van de militairen die op uitzending zijn geweest, heeft bij terugkomst nergens last van of kan uiteindelijk zijn daden naar zichzelf en anderen verantwoorden: ik kon niet anders, ik heb mijn best gedaan, ik heb alles gedaan wat ik kon. Maar een deel kan zichzelf niet vergeven en worstelt met de gevolgen. Dat wil niet zeggen dat deze daden altijd immoreel of fout zijn. Soms is het in een oorlogsgebied kiezen uit twee kwaden.’

Dat geldt ook voor groepscommandant Van der Kraats: ‘Kijk, ik heb vijftien jongens meegenomen naar Afghanistan en vijftien jongens mee terug. Daar kan ik trots op zijn. Maar goed, vijf daarvan kampen tien jaar later nog steeds met psychische problemen. Dáár voel ik mij wel schuldig over.’

Toen hij voor het eerst sinds zijn terugkomst zijn uniform aantrok, voelde hij zich alsof hij ‘een vuilniszak in stapte’. Vies.

Eenmaal terug in Nederland schreef de groepscommandant zich vrij snel uit bij Defensie. Al na de eerste paar dagen voelde hij dat het niet goed zat. Toen hij voor het eerst sinds zijn terugkomst zijn uniform aantrok, voelde hij zich alsof hij ‘een vuilniszak in stapte’. Vies. Hij vond een baan bij een olieraffinaderij waarvoor hij de hele wereld overvloog, hij zag zijn familie amper en werkte zich helemaal ‘het schompes’. ‘Pas jaren later trapte mijn vrouw op de rem: ze stelde een ultimatum, of hulp zoeken, of haar en de kinderen niet meer zien.’

Zelf aan de bel trekken

Militairen en veteranen die kampen met dit soort problemen zoeken de verklaring vaak buiten zichzelf en verbinden hun problemen pas veel later aan hun uitzending. Molendijk: ‘Dat hoor ik veel van veteranen. Ze trekken zich terug, willen niet over hun ervaringen praten, gaan heel veel werken, heel hard feesten en op een gegeven moment valt het doek. Als de relatie nog bestaat, dan is het meestal de vrouw – ik spreek nu eenmaal vooral mannen – die zegt: “Of het is klaar, of je gaat met iemand praten.”’

Defensie werkt sinds 2012 met de Veteranenwet die nazorg verplicht stelt, maar volgens Van der Kraats betekent dit niet dat psychische hulp na een uitzending vanzelfsprekend is. ‘Je moet echt zelf aan de bel trekken, alleen zie je op dat moment niet dat je een probleem hebt. Ik ontplofte om het minste of geringste, maar vertelde mezelf dat het erbij hoorde.’

Zowel Kraats als Molendijk zijn van mening dat de cruciale eerste stap is dat mensen überhaupt op de hoogte zijn van moral injury, zodat militairen die hiermee worstelen geholpen kunnen worden.

‘Je doet deze gevoelens tekort door als buitenstaander te zeggen dat het schuldgevoel onnodig is. Iemand heeft het recht om zich schuldig te voelen.’

Molendijk pleit voor het serieus nemen van de schuldgevoelens die hierbij komen kijken. Veteranen zijn niet gebaat bij goedbedoeld advies dat schuldgevoelens probeert te verkleinen. ‘Vaak zijn deze militairen betrokken geweest bij een situatie waar ze, al dan niet gedeeltelijk, schuld hebben aan de uitkomst. Je doet deze gevoelens tekort door als buitenstaander te zeggen dat het schuldgevoel onnodig is. Iemand heeft het recht om zich schuldig te voelen. Het is in zo’n geval veel beter om te werken naar een manier van zelfvergiffenis,’ aldus Molendijk. Erkenning voor morele verwondingen kan hierbij helpen. ‘Voor de veteranen die hier mee worstelen om zichzelf te begrijpen, maar ook om zich begrepen te voelen. Weten dat je niet de enige bent.’

Op dit moment is er nog geen officieel beleid voor het voorkomen of behandelen van moral injury. ‘Dit is bij uitstek een politiek issue,’ legt Erwin Kamp uit. Kamp is hoofd van de dienst Humanistisch Geestelijke Verzorging en houdt zich al vier jaar bezig met morele verwondingen. ‘Het zou wel helpen als er, vanuit de politiek, wat meer duidelijkheid is over hoe we hier mee omgaan. Maar dat wil niet zeggen dat de veteranen die met schuld en schaamte worstelen nu nergens terecht kunnen. De zorg zit op zich goed in elkaar. Iedereen kan met zijn hulpvraag terecht.’

Inherent aan oorlog voeren?

De belangrijkste vraag blijft of moral injury als psychische aandoening moet worden gezien (waarbij het wordt opgenomen in de DSM-5, het classificatiesysteem van psychische stoornissen, en militairen en veteranen aanspraak kunnen maken op compensaties) of gezien moet worden als inherent aan oorlog voeren, waarbij militairen nu eenmaal pijnlijke kennis over de wereld en over zichzelf opdoen.

‘Ga je dit nu behandelen, in therapievorm, of geef je mensen de ruimte om hun verhaal te doen, zodat ze datgene wat ze hebben meegemaakt zelf een plek kunnen geven?’

‘We staan op een soort kantelpunt op het gebied van moral injury,’ zegt Kamp, ‘is het een bijzondere vorm van PTSS? Trek je het in een medisch model? Of is het iets wat bij het leven hoort? En niet in de zin van, je moet het maar accepteren, maar ga je dit nu behandelen, in therapievorm, of geef je mensen de ruimte om hun verhaal te doen, zodat ze datgene wat ze hebben meegemaakt zelf een plek kunnen geven?’

‘In onderzoekskringen is men er nog niet uit,’ zegt promovendus Tine Molendijk. ‘Misschien is voor beide kanten wat te zeggen. Uit gesprekken met veteranen blijkt dat zowel psychologische therapie als bijvoorbeeld verwerkingsrituelen of vrijwilligerswerk waardevolle manieren zijn om dingen te verwerken, om iets productiefs te doen met het eventuele schuldgevoel en ook het leven weer zin te geven.’

Van der Kraats doet dit onder andere door samen met zijn vrouw zijn ervaringen te delen op zijn website en vrijwillig andere veteranen bij te staan. ‘Kijk, als ik de vraag zou krijgen, zou ik morgen weer gaan. Zou ik dingen anders doen? Zeker. Maar goed, veranderen doe je het niet meer, het enige wat ik nu nog kan, is er wat van maken.’

Maar de situaties waarin militairen terechtkomen en de manieren waarop ze hier achteraf mee worstelen, liggen nooit alleen in hun handen. Op politiek niveau wordt bepaald op welke missie een militair wordt gestuurd en wat hij of zij daar moet doen.

‘Kijk bijvoorbeeld naar Srebrenica: militairen werden naar de oorlog gestuurd om de enclave te demilitariseren met de middelen van peacekeepers. Dat was onhaalbaar en leidde tot morele dilemma’s voor de militairen on the ground,’ aldus Molendijk.

Volgens Kamp moet dit in de toekomst anders: ‘Wees eerlijk en duidelijk over wat je van militairen tijdens een missie verwacht. Ik denk dat het heel belangrijk is dat mensen met de juiste perceptie en voorbereiding op missie gaan. Wees transparant, ook naar de buitenwereld toe.’

‘Het is tekenend dat “wij” geen gevechtsmissie willen en vervolgens de regering ervan beschuldigen dat deze de gevechtsaspecten van de missie afzwakte.’

Daarnaast speelt de maatschappij een belangrijke rol. Molendijk: ‘Terugkijkend op de missie in Uruzgan wordt de regering er vaak van beschuldigd een gevechtsmissie als een wederopbouwmissie te verkopen. Het is tekenend dat “wij” geen gevechtsmissie willen en vervolgens de regering ervan beschuldigen dat deze de gevechtsaspecten van de missie afzwakte. Hierdoor kreeg je situaties waarin thuisgebleven families en vrienden van militairen soms geen idee hadden wat ze daar hadden meegemaakt. Overigens lijkt het thank you for your service-heroïsme in de VS net zo weinig behulpzaam: het versimpelt de militaire praktijk en ontkent de “nasty” kant ervan. Zolang wij vanuit ons onbehagen weigeren te erkennen dat de krijgsmacht een geweldsorganisatie is en het vertikken te denken in complexere termen dan alleen helden en daders, bieden we militairen weinig mogelijkheden om met hun morele verwondingen te dealen.’