17-12-2005
Tekst Malou van Hintum

Hij kwam, zoals zoveel Polen, om in Nederland geld te verdienen. Om een huis te kunnen bouwen in Polen, voor zichzelf en zijn vriendin. Maar zijn droom kwam niet uit. Op 2 oktober stierf hij in een Amsterdamse gracht, vierentwintig jaar oud. Erin geduwd, en weer teruggeduwd. Wie was Tomasz Paja? VN reisde naar de Poolse stad waar hij opgroeide en sprak met zijn familie en vrienden. ‘Hij zal nooit uit ons hart verdwijnen. Nooit.’

Een waterig zonnetje kan niet verhinderen dat het kleumend koud is op de begraafplaats in Rzeszow. De stenen rechthoekige familiegraven staan er zo dicht op elkaar dat voor een looppad geen ruimte is. Plastic rozen, bolchrysanten en waxinelichtjes verborgen in kleurige houders van kunststof laten zien dat de doden niet vergeten worden. Door de open deuren van de kapel midden op de Poolse begraafplaats klinkt zacht gezang. De kist op de baar wacht op de mannen en vrouwen die zwijgend over het grindpad lopen, het trapje op, om samen een kring rond de overledene te vormen.

Buiten verwijdert Ewa Paja de verlepte bloemen van de grijze grafsteen en vult Kuba de kaarsenhouders met nieuwe lichtjes. Daar ligt hun zoon en broer Tomasz Paja, 3 02 1981 – 2 10 2005, bij zijn opa Tadeusz Rzepka die al in 1984 begraven is. Naam en geboortedatum van Rzepka’s vrouw zijn al ingebeiteld, maar zij leeft nog. Tegen de natuurlijke wetten in overleed haar kleinzoon eerder dan zij, vierentwintig jaar oud. In Nederland, in het koude water van de Prinsengracht in Amsterdam.

Tomasz werd in het water geduwd, hij zwom naar de overkant. Daar werd hij verhinderd eruit te klimmen, hij zwom weer terug, en toen stonden dezelfde mannen klaar om hem opnieuw tegen te houden. Met een fiets, die ook het water in ging, om het Tomasz nog moeilijker te maken.

Hij verdronk, in de nacht van zaterdag 1 op zondag 2 oktober. Reanimatie door de brandweer mocht niet meer baten. Het ziekenhuis constateerde dat hij hersendood was en trok na zes uur de stekker van de apparatuur uit het stopcontact. Bij het ter perse gaan van dit artikel lopen de drie verdachten in deze zaak na een korte gevangenhouding weer vrij rond. Het is nog niet duidelijk waarvan ze beschuldigd zullen worden: doodslag, of openlijke geweldpleging met de dood als gevolg.

Tomasz’ portret is met breed bruin plakband bevestigd op de boom naast de plaats waar het gebeurde. Daarachter, aan de kant van het water, verlichten vlammetjes rode waxinelichthouders. Andrzej en Ewa komen om de paar dagen naar deze plek. Dan vervangt Andrzej de leeggebrande houders door nieuwe, en staart zijn vrouw Ewa in het water.

De jongen die hen vanonder zijn pet recht aankijkt, was hun beste vriend. Hij was de enige die zich om Andrzej bekommerde toen die aankwam in Nederland. Zonder slaapplaats, zonder eten, op zoek naar werk. ‘Als we samen waren, was het altijd goed,’ zegt Andrzej. ‘Dan waren alle problemen ver weg.’

Ze kunnen nog steeds niet geloven dat Tomasz dood is.

In het sober gemeubileerde huis van Ewa Paja (44) in Rzeszow herinneren alleen enkele foto’s op het lichtpaarse wandmeubel aan de aanwezigheid van Tomasz. Een eigen kamer heeft hij er nooit gehad. Tomasz deelde een piepkleine ruimte met zijn goedlachse tweelingbroers Pawel en Piotr (16) en zijn broer Kuba (21), die studeert voor sociaal-maatschappelijk werker en de uitzondering vormt op de regel dat Poolse mannen gesloten en zwijgzaam zijn. En vaak een drankprobleem hebben, met alle gevolgen vandien.

Tomasz’ vrienden komen allemaal uit gebroken gezinnen, net zoals hijzelf. Zijn vader mishandelde zijn moeder. Toen hij probeerde haar van het balkon te gooien, haar sloeg en beet, voorkwam de vijftienjarige Tomasz dat hij in zijn opzet slaagde. ‘Hij heeft mijn leven gered,’ zegt Ewa. Ze scheidde van haar man, nu negen jaar geleden. Daarna kwam haar zus met haar drie kinderen tijdelijk bij haar wonen. Twee volwassenen en zeven kinderen deelden samen twee kleine slaapkamers, een bescheiden woonkamer, en een ruimte die je met een chic woord multifunctioneel zou kunnen noemen. Hij is wc, keuken, badkamer en washok tegelijk.

Te krap voor zoveel mensen, zegt Kuba. ‘De een wilde steeds iets anders dan de ander, we kregen over alles ruzie. Ik hou ervan met het raam open slapen, Tomasz maakte het juist dicht. Iemand ging tv kijken terwijl de ander huiswerk moest maken. Dat kon wel als één iemand tv wilde kijken, maar niet als de tweeling dat wilde. Want er was maar één koptelefoon. Je bed was de enige plek van jezelf. Het was niet zo moeilijk om in zo’n situatie een probleem te vinden.’

Tomasz was toen achttien jaar. ‘We vochten echt met elkaar, en je kon alles als wapen gebruiken. Dat moest ook wel, om Tomasz bang te maken. Want je kunt wel raden wie er won.’

Tomasz was er meestal niet, zegt Kuba. Omdat het thuis te vol was, en omdat hij, vond Tomasz zelf, de leeftijd had dat hij niet meer op de tweeling hoefde te passen. Dat moest Kuba doen. ‘Toen hij eenmaal naar Nederland ging, was hij bezorgder voor iedereen. Hij vroeg waar gebrek aan was, hij nam als hij naar Polen kwam schoenen voor me mee. En cadeautjes. Stroopwafels! Daar ben ik gek op. En hij leerde me autorijden achter het huis, in zijn eerste auto, een Volkswagen Golf,’ vertelt Kuba.

Inmiddels heeft Kuba wel een eigen kamer. Keurig opgeruimd – ‘nou ja, er ligt wel stof, hoor,’ zegt hij verontschuldigend. Op de muur smaakvolle zwartwit-foto’s van landschappen en mensen – ‘die komen van een kalender’ – en een computer in de hoek. ‘Ik heb geen internet, maar ik kan wel muziek luisteren,’ demonstreert hij. Hij wijst op het stapeltje cd’s dat links van de computer op de grond staat. Coldplay, dat is zijn favoriete groep. Onder zijn bed ligt een paar rollerskates. ‘Daar hield Tomasz ook van.’

Kuba’s broers delen het andere kamertje. Het is er vol met een stapelbed, en aan weerszijden van een kleine televisie, die vooral gebruikt wordt om computerspelletjes op te spelen, een tafeltje met een stoel. Ewa klapt ’s avonds de bedbank in de woonkamer open. Haar moeder, die de andere helft van het huis bewoont, heeft voor zichzelf net zoveel ruimte als Ewa en haar drie zonen. Maar ja, Ewa mag allang blij zijn dat ze bij haar mag inwonen. Dan stel je geen eisen.

Ewa zet grote kommen koolsoep op de smalle houten eettafel, met gesneden brood erbij. Af en toe warmt ze haar rug aan de zilverkleurig geverfde radiator. Het is vrijdagavond, het vriest drie graden en de verwarming werkt nauwelijks. Aga (26), Tomasz’ blonde, langbenige vriendin die uit Nederland is meegekomen, laat zich opvrolijken door de grappen van Pawel en Piotr. Kuba hebben we even tevoren op straat zien lopen. Hij is uit, met vrienden. Wij zeggen dat we zaterdagavond ook uit willen, naar de cafés waar Tomasz kwam. Rzeszow telt 160.000 inwoners, het heeft een vliegveld en een universiteit. Er moet dus wel iets te beleven zijn.

Ewa en Aga reageren lacherig. ‘Als ze uitgaan, gaan ze niet naar cafés!’ Tomasz en zijn vrienden zaten in een auto, geparkeerd voor het huis. ‘In een café zit je op slechte stoelen, moet je naar muziek luisteren die je zelf niet hebt uitgezocht en extra voor je drank betalen. In een auto zit je op lekkere stoelen, je luistert naar je favoriete muziek en je neemt je eigen drank mee,’ legt Aga uit.

Later zal Ewa ons een landje honderd meter verderop wijzen, waar de buurjongens bij elkaar komen om in en rond hun auto’s te hangen. Een elektriciteitshuisje ter grootte van een schuurtje, dat op het veldje staat, herinnert eraan dat ook Tomasz deelnam aan die bijeenkomsten. De jongens uit de Zawiszy-straat hebben met behulp van zwarte en rode spuitbussen hun eigen monumentje gemaakt: ‘Tom, je zult altijd in onze herinnering, in onze harten blijven. Jij was, jij bent, jij zult altijd zijn. De jongens van Zawiszy. Siwy, Mat, Endrju, Mlody, Wilk, Daroo, Bodzio.’

De fotoboeken komen op tafel. De negenjarige Tomasz bij zijn eerste communie, een serieus jongetje in een smetteloos wit pak. ‘Zelf genaaid,’ zegt Ewa trots. Tomasz wilde misdienaar worden. Zijn neven Sebastian en Adrian die vlak bij de kerk woonden, waren het ook, en zij vonden het leuk om te doen. Maar het kwam er niet van. ‘Dat is mijn schuld,’ zegt Ewa. ‘Hij was toen elf, twaalf jaar en het was dertig minuten lopen. Ik vond hem te klein om hem alleen te laten gaan, maar ik kon hem ook niet brengen, want ik had geen oppas voor de andere kinderen.’

Daarna zien we ineens een meisje van een jaar of elf, met lange bruine krullen, een kort rokje op een maillot, een hand in de zij, de wat norse blik die op andere foto’s opvalt, ingeruild voor een vrolijke lach in de camera. ‘De eerste dag van de lente maken we grappen,’ licht Kuba grinnikend toe. Hij trotseert de ongelovige blikken. ‘Hij is het echt!’

Tomasz had gevoel voor humor, zeggen zijn vrienden. Droge humor. ‘Hij kon ook “de lucht is blauw” op zo’n manier zeggen dat je niet meer bijkwam van het lachen,’ zegt Aga. Niet iemand die moppen vertelde, het was meer een bepaalde manier van doen. Tegelijk was hij allesbehalve een pleaser of een allemansvriend. Integendeel. ‘Tomasz was een gesloten iemand, ik had niet gedacht dat hij nog eens verliefd zou worden,’ zegt Kuba.

Hij had maar één echte boezemvriend, Krystian. ‘Mijn vijfde zoon,’ zegt Ewa. ‘Krystian is meer een broer van Tomasz dan Kuba.’ Ja, zegt Kuba. ‘Tomasz en ik waren in alles verschillend, maar dan ook echt in alles. Van de manier waarop we met onze spullen omgaan – Tomasz liet zijn kleren altijd overal slingeren, ik vouw alles netjes op – tot de manier waarop we in het leven staan.

Tomasz wantrouwde mensen, ik niet. Tomasz was zelf een goed mens, maar hij dacht dat de mens slecht is geboren. Toen hij de laatste keer afscheid van me nam, zei hij: jongen, let goed op jezelf, want evil is waiting. Dat was geen voorgevoel. Zo was zijn instelling.’ Kuba lijkt even te aarzelen, zegt dan: ‘Twee jaar geleden heeft hij een tattoo op zijn buik laten zetten. Humanity is a devil.’

Tomasz leerde al jong dat hij alleen op zichzelf kon vertrouwen. Toen zijn moeder in de loop van 1994 voor twee jaar naar Spanje vertrok om geld te verdienen, bleef hij achter met zijn vader en zijn drie broertjes. Aan zijn vader had hij weinig. In een van de fotoboeken zien we af en toe een dikke man met een baard, en dan is het even stil aan tafel. Hoe sneller we die bladzijden omslaan, hoe korter de stilten zijn. De vader bestaat niet meer; in de wandkast staat niet voor niets een duidelijk gehalveerde, ingelijste foto van Ewa in een prachtige jurk. ‘Eraf geknipt,’ bevestigt ze. Meneer Paja was 12 oktober wel op de begrafenis van Tomasz. Maar sinds de scheiding in 1996 is hij, zo lijkt het, uit ieders leven verdwenen.

Tomasz zorgde als jonge puber voor Kuba, Pawel en Piotr. Hij zat in de zevende en achtste klas van de basisschool. Tomasz kookte voor zijn broertjes en hoopte dat zijn vader tenminste eten in de koelkast legde dat hij kon klaarmaken. Maar de koelkast was vaak leeg. Zijn oma, die net zoals nu in hetzelfde huis woonde, stak geen hand uit om hem te helpen.

‘Kuba heeft met Ewa gesproken over die periode en haar ook verwijten gemaakt,’ zegt Aga. ‘Maar Tomasz wilde er niet met zijn moeder over praten. Ik vind dat hij dat wel had moeten doen, maar hij wilde Ewa niet kwetsen. Nu kan het niet meer. Nooit meer. En ik heb hem beloofd erover te zwijgen.’

Twee jaar later, in 1998, werd Ewa zo ziek dat ze niet meer kon lopen. Tomasz deed de boodschappen en paste op zijn broers. ‘Hij was heel verantwoordelijk,’ zegt Ewa.

Tomasz’ klasseleraar van destijds, Artur Wozny, wist van de problemen bij Tomasz thuis. We ontmoeten hem op de school die Tomasz bezocht. ‘Die situatie verklaarde waarom hij zo serieus was, en afstandelijk tegenover anderen. Tomasz was geaccepteerd in de groep, er zaten tweeëndertig jongens in zijn klas, maar hij had weinig vrienden en hield zich afzijdig van de rest. Thuis ging het slecht, en dat zag je op school,’ vertelt hij.

School, dat is de Zespol Szkol Energetycznych in Rzeszow waar Tomasz vier jaar lang naartoe ging als voorbereiding op de universiteit. De buitenkant doet aan een fabriek denken. Binnen kleden vijftien zwart-witfoto’s van generaal Wladyslaw Sikorski (1881-1943) de entree aan. De generaal poseert naast Winston Churchill en Charles de Gaulle, maar ook tussen zijn vrouw en dochter in. Zijn meer dan levensgrote stenen kop staat in de hal, op de Poolse vlag, die van het plafond via een sokkel tot op vloer reikt. Daarnaast hangen het wapen van Polen en een kruisbeeld met Jezus.

Op de derde verdieping zien we een grote plaat aan de muur waarop de pasfoto’s van alle klasgenoten en leraren van Tomasz, en dus ook van Tomasz zelf, te zien zijn. Zijn eindexamenklas, wijst Wozny.

Wozny, die drie jaar lang Tomasz’ klasseleraar was, vertelt dat Ewa de school bezocht toen ze in 1996 terugkeerde uit Spanje. ‘Ze kon niet in september op de ouderavond komen, daarom kwam ze later. Tomasz was toen vijftien jaar. Ze vertelde over de situatie thuis. Daarna belde ze soms naar school, om te vragen of alles wel goed ging.’

Tomasz klaagde nooit, zegt Wozny. ‘Hij wist dat hij de school moest afmaken, examens moest doen. Dat was moeilijk voor hem, vanwege thuis. De enige met wie hij daarover praatte, was Krystian. Ze zaten altijd naast elkaar, op de laatste rij, in de hoek. Tomasz tegen de muur, Krystian ernaast. Krystian had ook geen vader, hun situatie was vergelijkbaar. Ze konden elkaar steunen omdat ze elkaar begrepen.’

Tomasz was een lange, slanke jongen, vertelt Wozny. ‘Altijd gekleed in donkere, meestal zwarte, kleren. Hij was goed in Engels, de beste van de klas. Hij hield van sport, maar hij hield vooral van muziek, spelen en luisteren. Muziek was zijn wereld. Hij maakte zelf inscripties van band-namen op T-shirts. Hij en Krystian waren ook erg goed in tekenen.’

Wozny was op ze gesteld, zegt hij. ‘Ze waren eerlijk. Als ze niet naar school wilden, maar naar Krakau om daar iets speciaals te kopen, dan vertelden ze dat. En ik begreep dat wel,’ glimlacht hij. ‘Krakau heeft een speciale atmosfeer. Tomasz en Krystian waren geïnteresseerd in kunst, muziek, architectuur. Intelligente jongens. Het was belangrijk voor hen om af en toe naar Krakau te gaan. Dat was meer dan een hobby. Het was belangrijk voor hun toekomst.’

Hij zwijgt even, zegt dan: ‘Toen Ewa belde, wist ik meteen om wie het ging.’ Zijn ogen vullen zich met tranen.

‘Wat ik van hem mis? Alles,’ zegt Krystian Tezcza (24). ‘Hij is de beste mens die ik ooit heb ontmoet. Tomasz heeft pech gehad. Hij liep tegen de verkeerde mensen op.’

Krystian woont samen met zijn vrouw Gertruda en hun twee kinderen in een vrijstaand huis in Tyczyn, een dorp in de buurt van Rzeszow. Binnen hangt een schilderij van Aga en Tomasz, door Gertruda gemaakt. Een imposante Thomson breedbeeldtelevisie – ‘die heeft Krystian gekocht om er samen met Tomasz naar te kunnen kijken’, zegt Gertruda – laat de hele middag Poolse programma’s zien. Niet dat er iemand kijkt, overigens.

‘We zaten naast elkaar op school en we konden meteen goed met elkaar overweg. Alles wat we deden, deden we samen,’ vertelt Krystian. ‘We leerden samen basgitaar spelen totdat we meisjes belangrijker vonden, we kwamen samen te laat op school, we gingen samen naar de bioscoop, we droegen dezelfde jassen en bijna dezelfde zonnebrillen, die hadden we samen gekocht. We liepen op dezelfde manier, onze haren waren op dezelfde manier geknipt. En we hadden ook allebei een klein baardje,’ glimlacht hij. ‘We zijn bloedbroeders. Na een jaar of drie hebben we allebei een snee in een van onze vingers gemaakt, en die vingers tegen elkaar gedrukt.’ Eén verschil was er wel. ‘Ik hield van jazz, Tomasz van hard rock.’

‘Ik wist niet wie wie was,’ zegt Gertruda (23), Krystians vrouw. ‘Behalve dan dat Krystian kleiner was. Toen ik zwanger was, in de laatste klas van de technische school, zei Tomasz tegen Krystian: wat gaan wij nu doen? Wij! Toen ik moest bevallen van Greta, stond Tomasz in het ziekenhuis in de wachtkamer te wachten, Krystian was bij mij. Op het eerste bezoekuur kwamen ze allebei in een mooi pak naar het ziekenhuis. Samen, natuurlijk.’

Krystians vaderschap, hij kreeg twee jaar later met Gertruda ook nog een zoon, veranderde de vriendschap niet. ‘Hij kwam hier, hij hielp mee met de kinderen,’ zegt Gertruda. ‘En ze moesten natuurlijk altijd iets klussen, in de garage.’ Ze lacht. ‘Hard werken hoor, samen in de auto praten.’ De vriendschap was zo hecht, dat Tomasz Krystian belde toen hij een ongeluk met zijn fiets had gehad, en bezeerd op de weg lag. In Nederland.

‘Tomasz was bang voor de toekomst,’ zegt Krystian. ‘Hij vond de wereld waarin we wonen en het leven moeilijk. Hij was bang dat hij geen gelukkig leven zou leiden, zijn dromen niet kon realiseren. Die tattoo, humanity is a devil, is gericht tegen de wereld waarin we wonen. Niet tegen individuele mensen. Maar hij was wel gesloten en afwachtend tegenover anderen.’

Gertruda vond hem aanvankelijk dan ook stug. Nors. Toen ze de mogelijkheid kreeg in Nederland geld te verdienen, wat betekende dat ze bij Tomasz zou logeren, keek ze daar niet erg naar uit. ‘Maar het geld konden we goed gebruiken, we hadden net dit huis gekocht.’ Dus ging ze, begin dit jaar. Vijf maanden lang deelde ze met Tomasz een kamertje van nog geen tien vierkante meter, in een flat in Leiderdorp.

Ik voelde me er meteen thuis, zegt ze. ‘Er stonden foto’s van Krystian en de kinderen.’

Hij was heel bezorgd voor me, vertelt Gertruda. ‘Hij belde als ik iets te laat wegbleef, hij vroeg hoe ik het had gehad. Als ik moest huilen omdat ik Krystian niet kon bereiken, wilde hij weten wat er aan de hand was. Als hij iets onaardigs tegen me had gezegd, belde hij meteen Krystian, zodat die het niet van mij zou horen, maar van hemzelf.’

De onderlinge relatie was volstrekt helder, zegt Gertruda. ‘Ik was de vrouw van zijn broer. Van zijn broer van wie hij hield.’

Tomasz was betrouwbaar, zeggen mensen die hem kennen. ‘Hij was een goede vriend, je kon van hem op aan, hij kwam zijn beloften altijd na,’ zegt Tomek (25), die vijf jaar geleden naar Nederland kwam. Sinds die tijd werkt hij van acht uur ’s ochtends tot negen uur ’s avonds bij een bloemenbedrijf in Noordwijkerhout. ‘De helft van het jaar heb ik een werkvergunning, de andere helft van het jaar werk ik er illegaal.’ Het is een van de redenen waarom hij weer terug wil naar Polen. Maar zijn vrouw Aisa (26) hoopt op een betere toekomst, en denkt dat hun dochtertje van negen maanden hier meer kansen heeft. ‘Daar zijn wij het dus niet over eens.’

Tomek kwam in 2000 naar Nederland, Tomasz en Krystian volgden het jaar daarop. ‘Ik kende Tomasz van school, zijn beste vriend Krystian was ook mijn beste vriend.’ Krystian hield het na zes weken voor gezien en ging terug naar zijn vrouw en dochter. Hij kon werk krijgen in het familiebedrijf van zijn vader dat metaal recyclet. Tomasz werkte twee maanden in Nederland, vertrok in oktober om in Polen filosofie te gaan studeren, maar brak die studie na een halfjaar af om in Nederland fulltime als schilder aan de slag te gaan bij een Pools schildersbedrijf. Aga bleef in Polen om haar rechtenstudie te voltooien. Ze kwam tussen de tentamens door naar Nederland om (illegaal) geld te verdienen met schoonmaakwerk bij particulieren.

Zoals veel Polen verbleven ook Tomek en Tomasz eerst op een camping, in Noord­wijkerhout. Later vonden ze via-via woonruimte. Tomek vlakbij het bloemenbedrijf, Tomasz eerst in Leiden, daarna in Leiderdorp.

‘Toen hij nog in Noordwijkerhout woonde, zagen we elkaar bijna elke dag,’ vertelt Tomek. ‘We aten samen, gingen samen op stap. Als Tomasz terugkwam uit Polen, was hij altijd wel een paar keer dronken geweest. Maar hier niet. Ik dronk nog weleens veel als we uitgingen, maar Tomasz was meestal met de auto. Dan vond hij het na twee, drie biertjes wel genoeg. Tomasz was gek van auto’s. Hij reed in een veertien jaar oude BMW. En we deden samen computerspelletjes.’ Hij demonstreert het schietspelletje Quake terwijl Aisa haar vingers in haar oren stopt.

‘Tomasz heeft het er ook weleens over gehad om naar Ierland te gaan, om daar werk te zoeken. Maar de laatste keer dat ik hem sprak, zei hij: “Ik blijf hier nog werken tot december, dan ga ik naar Polen en kom ik niet meer terug.” Hij kwam naar Nederland omdat hij geld moest verdienen, anders niet. Met Nederlands geld kon hij in Polen een huis bouwen voor zichzelf en Aga.’

Zijn eerstverdiende geld gaf Tomasz uit aan een rijbewijs en een auto, zegt Aga. ‘We konden gaan waar we maar wilden. Dat was nieuw voor ons. We hadden gepland om over twee jaar met de bouw van ons huis te beginnen. Op een stuk grond naast dat van Krystian. Trouwen wilden we niet. We hebben bij onze ouders gezien wat het huwelijk oplevert. Ik wilde wel graag voor mijn dertigste een kind. Ik zei tegen Tomasz: je hebt nog vier jaar de tijd.’

Ze leerden elkaar kennen in Bleszczady, in de bergen in het zuiden van Polen, tijdens vakantie. Tomasz was er met zijn neven Adrian (26) en Sebastian (25) al eerder geweest. Als vijftienjarigen gingen ze daar op survivaltocht. ‘We hadden kaarten en een paar punten waar we naartoe wilden,’ vertelt Sebastian. ‘We liepen niet over paden, maar zochten zelf onze weg, dwars door de bossen. Dat was avontuurlijk. En het was natuurlijk leuk om er met elkaar te zijn, zonder onze ouders. Meestal bleven we vier, vijf dagen weg.’

Toen Tomasz zestien jaar was, wilde hij per se een week alleen gaan, zegt Ewa. ‘Hij wilde zien of hij dat ook in zijn eentje kon en durfde. Ik was het er niet mee eens, er waren kort daarvoor twee mensen in de bergen vermoord. Maar hij ging toch.’

Aga ontmoette Tomasz in juli 1999, toen hij opnieuw met zijn twee neven in Bleszczady was. Hun tenten stonden vlak naast elkaar, en hij viel haar op. ‘Toen hij boodschappen had gedaan in het winkeltje op de camping, liep ik hem achterna en vroeg hem of hij even wilde stoppen. Toen raakten we in gesprek. Hij ging de volgende dag weg. Ik heb hem mijn telefoonnummer gegeven, en na twee weken belde hij.’ Zo is het gekomen.

‘Ik was verbaasd om te horen dat hij pas achttien jaar was. Net zo oud als mijn jongere broertje! Maar veel volwassener, vaak ook volwassener dan mensen die ouder waren dan hij. Verantwoordelijk. Hij zei altijd: “Je kunt op mij rekenen. Maar als er iets gebeurt, moet je op jezelf kunnen rekenen.” Tomasz was introvert, hij was niet iemand die iedereen omhelsde en zei dat hij mensen geweldig vond. Maar als hij zei dat hij je aardig vond, meende hij dat echt.’

‘Tomasz was meer een luisteraar dan een prater,’ zegt Zaneta (24), die hem twee en een half jaar geleden in Nederland leerde kennen. Ze woont samen met haar vriend en een ander Pools stel in een appartement met uitzicht op de haven in Leiden. ‘Tomasz had op zijn kamer twee tv’s, heb je dat niet gezien?’ grinnikt ze. ‘Een voor Aga, zodat ze tv kon kijken. En een voor de XBox, zodat hij tegelijkertijd computerspelletjes kon spelen.’ Op zondag, zijn enige vrije dag in de week, ging hij weleens in het park rollerskaten met Zaneta’s vriend.

‘Tomasz was introvert, een rustige jongen, maar hij kon scherp commentaar geven. Daar hoefde niets meer aan toegevoegd te worden. Hij lachte nooit uitbundig, daardoor kon hij afstandelijk overkomen. Hij was ook niet erg open over zijn gevoelens. Maar ik hield van zijn gevoel voor humor. Ik vond hem aardig,’ oordeelt Zaneta.

‘Tomasz wilde mensen niet beledigen of kwetsen, maar hij wilde ook niet tegen ze liegen. Hij was eerlijk, maar hij wist hoe ver hij kon gaan,’ zegt Aga. ‘Hij heeft op school enorme discussies met priesters gehad,’ vertelt zijn moeder Ewa. ‘Hij vond ze hypocriet, leugenaars, mensen die niet leven volgens de regels die ze zelf verkondigen.’ In de kerk kwam hij daarom niet. ‘De mis vieren vond hij fake.’ Of hij in God geloofde, weet Ewa eigenlijk niet. ‘Hij geloofde wel in een kracht, maar die noemde hij niet God of Allah.’

Aga gelooft wel in God. Ze bidt elke avond dat ze de volgende ochtend niet meer wakker hoeft te worden. ‘Mijn geloof verbiedt me om er zelf een eind aan te maken. Maar ik mag toch wel vragen of Tomasz me komt halen?

Hij zou me nooit in de steek laten, dat had hij beloofd. Maar hij heeft het wel gedaan. Hij bracht me naar Nederland, hij liet me daar alleen. Hoe kan ik een toekomst hebben zonder hem? Ik ben kwaad op hem. Waarom is hij niet aan de kant van de woonboten gebleven, maar is hij de gracht overgezwommen? Hij is zo intelligent, waarom heeft hij dat besluit genomen?’

Daarom wil ze per se de daders zien, legt ze uit. ‘Zodat ik niet meer kwaad ben op hem, maar op hen. Bovendien: als ik nu op straat loop, kan elke Nederlandse man het gedaan hebben. Daarom wil ik hun gezichten zien. Ik ben er bang voor, maar ik moet het doen.’

Aga huilt. ‘Ik ben ongelukkig, ik ben eenzaam. Ik heb geen zin meer in de vraag: hoe voel je je vandaag. Wat denk je? Natuurlijk voel ik me slecht. Ik ben zes jaar met de liefde van mijn leven geweest. Dat is kort!’ Ze heeft haar moeder verteld waar ze begraven wil worden, welke kleren ze dan wil dragen en wat er met haar spullen moet gebeuren.

Tomasz’ Poolse vrienden in Nederland voelen zich sinds 2 oktober minder veilig hier. ‘Ik was de eerste dagen erna zelfs bang in huis,’ zegt Aisa. ‘Ik zit op dansles, in Haarlem, maar Tomek wilde niet dat ik er naartoe ging. Ook naar een feestje in Amsterdam ben ik niet geweest. Als ik ’s avonds alleen over straat ga en er loopt iemand achter me, ga ik altijd sneller lopen. Ik ben banger geworden, ook voor mijn dochtertje.’ Tomek ging al niet graag naar Amsterdam. ‘Mooie stad, maar rare mensen ’s nachts.’

Ook Aga is teleurgesteld in Nederland. ‘We dachten dat het een land was waar je jezelf kon zijn. Hier mag je eruit zien zoals je wilt, dragen wat je wilt, oranje of groen haar hebben, dat maakt niets uit. En alles is hier zo goed georganiseerd. Als ons iets verkeerds zou overkomen, zou dat in Polen zijn, niet hier. We voelden ons in Nederland veiliger dan in Polen.’

Zaneta wil niet meer naar Amsterdam. ‘Niet omdat ik bang ben. Overal kan wel iets gebeuren. Maar omdat het daar is gebeurd. Ik ben na de herdenkingsdienst ook niet meegeweest naar de Prinsengracht. Ik wil die plek helemaal niet zien.’

Ze heeft het sowieso wel een beetje gehad met Nederland. ‘De mensen hier denken dat je dom en arm bent. Sommigen leggen ons zelfs uit hoe een strijkijzer werkt! Terwijl ik gestudeerd heb. Vroeger zei mijn moeder als we mensen de straat zagen schoonmaken: dat komt ervan als je niet wilt doorleren. Maar nu heb ik gestudeerd en sta ik toch nog schoon te maken, zes uur per dag.’

Zaneta spaart geld om een pension te beginnen in Polen. ‘Voor toeristen. Ik wil zeker terug. In het begin vond ik het allemaal zo goed georganiseerd in Nederland. Maar nu vind ik het overgeorganiseerd. Als je door de duinen loopt is er een pad voor de wandelaars, voor de fietsers en voor de paarden. In Polen doken we gewoon het bos in, daar loop je waar je wilt. Ik mis de vrijheid in de natuur. Tomasz had het hier ook wel gezien. Een week voordat hij doodging, zei hij dat hij genoeg had van Nederland en definitief naar Polen terug wilde.’

‘Alles maakte hem nerveus hier,’ zegt Aisa. ‘Het werk, de mensen, de taal. In Polen had hij zijn vrienden, zijn familie. En in Polen had hij meer rechten dan hier.’

Kwam Tomasz in de problemen omdat hij zijn rode shirt met in grote witte letters POLSKA erop aan had? Raakte hij daarover in discussie met mensen?

Ewa en Andrzej, die in Amsterdam-Noord wonen, sluiten het niet uit. Ze reageren terughoudend op de vraag of ze last hebben van vreemdelingenhaat. Ewa: ‘We voelen ons minder veilig. Maar we kennen hier veel aardige mensen. Moslims, Marokkanen.’ Andrzej, die om vijf uur ’s ochtends opstaat om tot acht uur ’s avonds voor een bouwbedrijf te werken: ‘De Nederlanders zijn ook aardig, hoor, maar ze zien ons als concurrenten. Zeker in de bouw.’

‘Andere mensen kijken op ons neer,’ zegt Ewa, die psychologie heeft gestudeerd. ‘Daarom moet ik ook aan dat shirt denken. Tomasz was er trots op een Pool te zijn.’

Deze Kerst gaan Ewa en Andrzej naar Polen, zoals alle Polen. Maar Ewa en Andrzej gaan behalve naar hun familie, ook naar het graf van Tomasz. En naar Ewa, zijn moeder. Ze moeten er zevenhonderd kilometer voor rijden, maar dat kan ze niet schelen. ‘Ewa heeft een goede zoon gehad. Hij zal nooit uit ons hart verdwijnen, nooit.’

De laatste foto’s van Tomasz laten een jongen met gesloten ogen en gevouwen handen zien, zijn hoofd op een kleurig kussentje. In de kist ligt een grijze Palestina-sjaal, naast zijn linkerarm. Ewa heeft haar zoon niet meer gezien na zijn dood. Ze had een oud paspoort en kon het land niet uit. De kist was verzegeld, die mocht in Polen niet meer open.

Op de begraafplaats van Rzeszow wacht Aga totdat Ewa en Kuba klaar zijn met het opruimen van de bloemen en het aansteken van de kaarsen. Pas als iedereen weg is loopt ze naar de laatste rustplaats van Tomasz, haar gezicht verborgen achter haar lange blonde haren.