‘Een epos dat gesteld is in het heden, zou een jankdicht zijn dat zich op overhaaste voeten in cirkels draait van plicht naar dingen die nog moeten,’ schrijft Ilja Leonard Pfeijffer. Toch dichtte hij verder.

Het was in dagen dat de mannen namen hadden
en vrouwen niemendalletjes om klare kladden
die voor het grijpen prangden als een jonge druif
aan ranke ranken, blank als marmer van een duif
die in azuren zon de zinderende zee
beschreef in vogelvlucht. Op heuvels graasde vee
dat was bedoeld als vette buit van plundertochten.
Het was de tijd dat mannen wisten wat ze zochten,
hun vrouwen op een man bevochten en gevaar
zich uitstrekte van polen tot de evenaar.
Gebeente bleekte ver van huis op vreemde velden
en bij het kampvuur ruisten liederen van helden
en kom daar tegenwoordig nog eens om. Het lied
van nu is steeds hetzelfde liedje. Het verschiet
van morgen zanikt door van gisteren op acht
to-do-lists. Men zet zuchtend leven in de wacht
terwijl men multitaskend bloed en zweet verwatert
in strijd tegen de tijd die als een pisstraal klatert
op natte kranten waarin elke dag weer staat
dat het wel gaat zoals het gaat, maar niet meer gaat.
Op straat beslaat een blinde tred van week gemis
elk glazig glas dat als de mist zo mistig is
en niemand vaart nog uit ten oorlog om een vrouw.
Een epos dat gesteld is in het heden, zou
een jankdicht zijn dat zich op overhaaste voeten
in cirkels draait van plicht naar dingen die nog moeten.
Een held van nu belt op om vijf voor zes vanuit
de file naar zijn kwade, overspannen bruid
omdat de crèche al sluit en het vervloekte kroost
zijn Ritalin nog moet. Hoe hij ook pompt en hoost,
het kwelwater stijgt onontkoombaar naar zijn lip
om alles wat hij ooit gehoopt heeft als een schip
de kelder in te zuigen waar de blubber gist
van toekomst die hij zeker wist en die hem mist.
Zijn oude platen draait hij eigenlijk nooit meer.
Een motor heeft hij nooit gekocht. Als een geweer
dat nooit is afgegaan staat leven in een hoek.
Hij is niet eens meer naar wat hij ooit zocht op zoek.

Ik roep de Muze aan en smeek haar te bezingen
hoe dingen in de tijd van heldendichten gingen.
Vertel ons van de pijnboom in het heilig woud
die werd geveld, het eerste schip dat werd gebouwd,
de droom van vers vergoten bloed op verre kusten
en van de eer die zwelt in botgevierde lusten.
Vertel ons van de oorlog en de liefde, niet
zoals je dat vandaag de dag steeds alom ziet,
dat liefde oorlog is om exen, vuile was,
de vuilniszakken buiten, maaien van het gras,
haar tennisleraar en zijn smoes van overwerk,
voogdij, alimentatie en een heel erg sterk
gevoel de allerlaatste restjes waardigheid
te moeten redden in een nietsontziende strijd,
maar toen de liefde van de oorlog oorzaak was
en doel, het heilig vuur, de roos op het kuras,
de blanke lelie tussen strak verbeten tanden,
de nek van een rivaal in toegeknepen handen.

Haar naam was Helena. Ze was het struis van ei.
Gevederd was haar wiegen en als zij voorbij
marcheerde op haar hemeltergend wreed gelakte
gelaarsde oorlogspad dat alle tongen klakten,
ontpopte zich champagne, spoten stadsfonteinen,
trok worst in de vitrines recht en juichten pleinen
hun jubelende vuurwerk spattend in de lucht.
Zij was de passievrucht, de zin van ogen, zucht
en zindering, deed knopen van de broekband springen.
Ze deed de dichters dichten en minstrelen zingen,
ontkleedde marmer, stuurde de bedeesde handen
van schilders en ze deed het celluloid ontbranden,
smolt gaten van verlangen in het witte doek.
Zijn naam was explosief. Hij snoof naar haar op zoek.
Hij brulde als een leeuw de deuren uit hun posten.
De salvo’s spervuur die zijn nauwe ogen losten,
verpulverden beton van zijn Spartaanse bunker.
Zowaar hij Menelaos was, de held van hunker,
geblokte bendeleider, hoofdman van de troep,
cohortenmoordenaar van roeping en beroep,
en zij zijn kleine bitch, zijn eigendom en vrouw,
zo zwoor hij dat hij haar naar huis toe sleuren zou,
waar zij ook was. En toen hij hoorde waar zij was,
verzengde hij de lucht, verschroeide hij het gras
en schreeuwde hij het leven uit het grazend vee.
Zijn woede werd gehoord van Sydney tot L.A.
Zijn naam was Paris Alexander, prins van pinken,
gevulde kussens, bloesem, parelwijntjes drinken
in pantervel, pauwogig wufte waaierslaven,
mandragora, kristal en alabaster raven.
Hij was bevriend met kunstenaars en kende verzen
van buiten van de decadentste, meest perverse
poëten die de allerlaatste mode waren.
Zijn ogen loken als vitrage. Zijn gebaren
verstonden zich met avondlucht. Hij geurde week
naar lotus en narcis, weerspiegeld in een beek.

Advertentie

Advertentie

De mensen vragen soms waar de cultuur toe dient,
het evolutionaire voordeel dat verdiend
wordt met gedichten en hoe poëzie de voort-
planting bevordert tot behoud van onze soort.
Voor Alexander Paris was zoiets geen vraag.
Hij wist dat elke mooie vrouw maar al te graag
verleid werd met raffinement van speelse woorden.
Toen hij haar zag en zij in zijn verlangen gloorde,
verzon hij een verhaal dat hij in rijmende
alexandrijnen met zijn lepe lijmende
gefluister onherstelbaar in haar oren likte
en dat haar haar en ook haar wereldbeeld herschikte.
Een zeegodin bedacht hij die hij Thetis noemde
en die hij om haar watergladde lijfje roemde.
Ze was zo pril dat zij door goden werd begeerd.
Poseidon, Zeus en Hades hadden haar vereerd
met blikken waar ze harde tepeltjes van kreeg.
En Paris Alexander keek haar aan en zweeg
een kort moment. Er was een maar, zo zei hij haar.
Een oud orakel had gewezen op gevaar:
de zoon van Thetis zou zijn vader overtreffen.
En dat een god zich boven goden zou verheffen,
leek goden ongewenst. Een sterveling moest haar
bezwangeren. Dan was een sterveling het maar
die deze sterveling zou overklassen. Paris
vertelde daar nog bij dat elk orakel waar is
en dat berijmde verzen evenmin bedriegen.
Een man als hij zou over goden nimmer liegen.
Maar terug naar het verhaal. Een knaap die Peleus heette,
werd aangewezen, heeft zich van zijn taak gekweten
en werd haar man. Verliefdheid was in deze tijd
als wederzijdse basis voor intimiteit
nog niet de modegril die het inmiddels is.

Het was een gewelddadige verbintenis.
Een zeegodin heeft middelen. Ze had verzet
geboden. Zij veranderde van vorm in bed.
Ze werd een slang, leeuwin, een vuur en stromend water.
Maar Peleus insisteerde. Liefde was voor later.
Een held was hij die vrouwen als een stier bestiert.
De bruiloft werd terstond in grootse stijl gevierd.
De hele santenkraam van goden was erbij,
behalve de godin van ruzie, razernij
en twist. Ze was met opzet niet geïnviteerd.
Zo leek de goede sfeer te zijn gegarandeerd.
Maar de godin van twist viel niet te onderschatten,
vooral niet als de woede uit haar ogen spatte.
En zij was kwaad. Ze had een vuige list bedacht.
Ze had een gouden appel laten maken, bracht
hem als cadeau tot vóór de deur en belde aan.
Toen gasten opendeden, was ze reeds gegaan.
De appel werd het partycentrum in gedragen
en volgens een inscriptie was hij opgedragen
aan wie de allermooiste was van de godinnen.
Onmiddellijk ontstond er grote ruzie. Binnen
een mum van tijd werd er gekrabd, aan haar getrokken
en peploi wild verscheurd. Athene was betrokken,
alsmede Aphrodite. Hera was erbij,
de vrouw van Zeus. Het ging om deze drie. En zij
besloten dat de oppergod moest kiezen wie
de appel als de schoonheidsprijs kreeg van hen drie.
Zeus keek wel linker uit. Een missverkiezing waar
zijn eigen vrouw aan meedeed, leek hem een gevaar
voor zijn toch al zo broze echtelijk geluk.
Hij zag het lijf van Aphrodite onder stuk-
gescheurde niemendalletjes haast naakt daar staan.
Een eerlijk oordeel en zijn huwelijk was eraan.
Zijn heilig raadsbesluit was om de hele furie
der godendochters te beslechten door een jury
die echt en waarlijk onafhankelijk zou zijn.

Hier stopte Paris even, nipte van zijn wijn,
keek Helena weer aan en greep haar hand zacht vast.
‘En weet je wie hij met die opdracht heeft belast?’
Ze wist het niet. ‘Je raadt het nooit.’ En zij zei: ‘Nee?’
‘De oppergod,’ zei hij, ‘belastte mij ermee.’
Ze snapte niet wat hij bedoelde. ‘Wil je zeggen …’
‘Ja, dat bedoel ik. Wat ik jou tracht uit te leggen,
is dat de jury die de taak had te beslissen
wie winnen zou van deze goddelijke missen,
bestond uit mij, de man die hier nu vóór je zit.’
Ze was verbijsterd en ze vroeg: ‘Verzin je dit?’
‘Geenszins.’ ‘Maar jij hebt Aphrodite dus gezien?’
‘Alsmede Hera en Athene bovendien.’
‘Maar toch niet naakt?’ ‘Daar heb ik wel op aangedrongen.
In mijn professionaliteit was ik gedwongen
mijn oordeel onafhankelijk van hun couture
tot stand te brengen, want zo was mijn oordeel puur.’
‘Je loopt me hier te fucken.’ ‘Ik kan het bewijzen,’
zei hij, ‘dat ik de moeder aller schoonheidsprijzen
heb uitgereikt.’ ‘Hoe dan?’ ‘Dat zal ik je vertellen.
Toen ik bereid was om mijn eindoordeel te vellen,
heb ik de prijs aan Aphrodite toegekend.’
‘En wat bewijst dat jij niet aan het liegen bent?’
Hij keek haar aan en legde zijn hand op haar dij.
Hij fluisterde nog zachter: ‘Luister goed naar mij.
Je lijkt me ondanks alles niet bepaald naïef.
Natuurlijk was de zege hun een goed ding lief,
een lief ding waard, hoe zeg je dat? En uiteraard
beschouwde geen van hen zich in het minst bezwaard
mijn zware keuze met beloften te verlichten,
een wederdienst waarmee ze zich aan mij verplichtten.
Athene zei dat zij me wijsheid geven zou
als ik haar koos. En Hera zei dat zij me wou
belonen met een lang, gelukkig huwelijksleven.’
‘En Aphrodite? Wat beloofde zij te geven?’
vroeg Helena. En Paris keek haar in de ogen,
terwijl hij samenzweerderig voorover boog en
haar op een fluistertoon de verzen toevertrouwde:
‘En dat is het bewijs: ze heeft haar woord gehouden.
Want zij beloofde mij de allermooiste vrouw
van heel de wereld en vandaag gaf zij me jou.’
Diezelfde nacht nog werd er luid gekreun gehoord
bij Gythion. De dag erna ging zij aan boord
van zijn fregat op reis naar zijn kasteel in Troje
om zich wijdbeens voor altijd in zijn bed te gooien.

Het nut van poëzie is hiermee toegelicht.
Als ik als dichter van dit heldendicht wellicht
iets zeggen mag, verstout ik mij om ook mijn eigen
veroveringen niet volledig te verzwijgen.
Ze heetten nimmer Helena, maar Loes of zo.
En ook hun uiterlijk had zelden het niveau
dat oorlog en epiek rechtvaardigde, althans
dat bleek de bleke ochtend na de dronken dans
van plakkerige lijven in verzuurde zangen,
wanneer het daglicht in de plaats kwam van verlangen
en spijt die overgaf in plaats van overgave.
Het had met liefde niets te maken, maar met laven
van dorst die al gelest was en met roes die plakte
dat ik hem in een hoop beschikbaarheden prakte.
De boze echtgenoot was meer een soort van Klaas
of Wim dan Menelaos, mannendoder, baas
van moordeskaders, en hij was niet eens echt boos,
maar meer teleurgesteld dat zij blijkbaar verkoos
haar eigen keus te maken, dat zij het geen kans
gegeven had, dat zij een stukje leegte thans
klaarblijkelijk een invulling besloot te geven
en dat ze blijkbaar daar zo instond, in het leven.
De Kees of Hans in kwestie had haar leren kennen
via de datingsite. Het was meer een soort wennen
dan liefde op de eerste oogopslag geweest,
een stukje acceptatie, leven is geen feest,
daarin herkenden zij elkaar. En op een dag
nam hij het woord: ‘Zeg luister eens. Zoals de vlag
erbij hangt tussen ons, heb ik eens nagedacht.
Omdat je evenmin als ik erg veel verwacht,
leek het me realistisch om een nieuwe stap
te zetten richting huwelijk en die hele hap.
Dat is wat ik naar jou toe wou communiceren.
Ik hoop dat jij nu positief zult reageren.’
De bruiloft werd gehouden in een boerderette.
De foto’s moet ze nu nog steeds op Facebook zetten.
Zo’n vrouw is dan voor mij als dichter easy meat.
Daadwerkelijk te dichten hoef ik daarvoor niet,
als ik maar overtuigend met mijn lange haren
de bohemien uithang met ziedende gebaren
en dorst naar dorst, de nacht, absint en avontuur.
Ik zei haar dat ze op dit godvergeten uur
gekomen was als godsgeschenk voor mijn gedicht,
daar mijn talent voor de verleiding was gezwicht
een heldendicht te dichten over Helena,
de allermooiste vrouw ter wereld, op haar na,
en dat ik elke inspiratie had ontbeerd
tot zij me met haar godsverschijning had vereerd.
Er is geen vrouw die niet graag Muze wenst te zijn.
Dan kets je haar. Het werkt altijd. Geen centje pijn.

Maar Muze, leer me hoe de ellenlange dagen
na deze eerste nacht in godsnaam te verdragen.
De kater van de passie duurt een mensenleven,
waarin je haar bij het ontbijt gelijk moet geven
omtrent de ziekte van haar moeder, wollen truien,
haar favoriete serie en haar boze buien,
vakantie van de buren, nieuwe schoenen, weer,
de kattenbrokjes light, een grap van Goor en Geer,
de Voice, Wie Is De Mol, TV-show, Boer Zoekt Vrouw,
ik houd best wel van jou, ik ook dan maar van jou,
we hebben het gezellig samen, jij en ik,
we hebben maar geluk, ik ben een mazzelpik,
verdomd als het niet waar is en de kortingskaart
van de IKEA is elk weekend korting waard.
De poëzie dient slechts om haar te doen geloven
dat jij iets aan het doen bent in je kamer boven.
Geluk is als langdurige conditie niet
voor mensen weggelegd. Het menselijk verdriet
is niet de pijn, maar de slijtage met de dagen,
herhaling die niets zoekt, het uitblijven van vragen
omdat we alle antwoorden wel kunnen dromen.
De tijd verglijdt om overschotten af te romen
en alles heel geduldig te normaliseren
tot het belachelijk is om nog te begeren
en motregen weer neerdaalt in de stille straten.

Ook Paris Alexander kreeg het in de gaten
dat na het spetterend begin een soort van sleur
geslopen was in zijn relatie en een keur
aan kleine irritaties zat steeds vaker dwars.
Zijn droomvrouw was soms kribbig. Hij gedroeg zich bars.
Ze had steeds vaker hoofdpijn. Hij keek dan tv,
naar sport of naar een vechtfilm op een dvd.
Ze zeurde om een nieuwe peplos. Hij werd boos,
waarna ze nachtenlang de eenzaamheid verkoos
en hij moest slapen in de troonzaal op de bank.
Hij had haar ooit ontvoerd, maar kreeg nu stank voor dank.
Maar Alexander Paris heugde zich de nacht
dat poëzie haar in zijn armen had gebracht.
Hij kende macht en kracht van zijn berijmde fictie
en vond een oplossing voor echtelijke frictie.
Want hij verzon een gloednieuw heldendicht voor haar,
waarmee hij haar herwon dankzij gedeeld gevaar.
In zijn bedacht verhaal was hij dan toch gekomen,
de stedensloper, bruut ontwortelaar van bomen,
die legioenen velde met een luie houw
van zijn reusachtig zwaard, de man die moorden wou
en die op zoek was naar zijn vrouw. Want Menelaos
die uit was op destructie en totale chaos,
had samen met zijn broer, de koning van Mycene,
toen hij begrepen had dat zij echt was verdwenen,
het allergrootste leger op de been gebracht
dat Griekenland ooit had gezien en was vannacht
geland op Trojes blanke kust. De oorlog was
begonnen. Lijken lagen in geblakerd gras.
Rivieren waren bloed geworden. Wilde horden
vermorzelden de troepen. Scherpe pijlen snorden
kantelen over. Overal bestond de dood.
De grote held Achilles kleurde kelen rood
met ongekende snelheid, kracht en acribie
van speer en zwaard. Hij was de zoon van Peleus die
zijn vader overtrof. En in een tweegevecht
versloeg hij Hektor, Trojes hoop. Het leek beslecht.
In oorlog om een vrouw werd om een vrouw gemoord.
Je kon de Grieken horen beuken op de poort.
Aldus vertelde Paris. Helena genoot.
Ze kon de adem bijna ruiken van de dood.
Ze huiverde van angst en geilheid dat Trojanen
en Grieken om haar oorlog voerden. Onderdanen
van duizend Griekse vorsten lieten daar het leven.
Ze vochten om het voorrecht om te mogen sneven
in naam van liefde voor een vrouw als zij. Die nacht
was van de nachten die hij zich ooit had bedacht
de nacht die alle nachten in de schaduw stelde
en die als nacht in pracht meer dan de nachten telde,
de nacht van poëzie waarop hij had gewacht
en die de kracht van poëzie hem had gebracht.

Toen Helena de ochtend na die nacht ontwaakte,
uit bed stapte, beschuit met vijgen voor zich maakte
en geeuwend in haar doorkijkduster met haar thee
de trans met uitzicht op de vlakte en de zee
betrad, toen vielen alle oude mannen stil
die daar als krekels met hun stemmen iel en schril
godganse dagen tjilpten van wat was en is.
En een van hen zei in het Grieks: ‘Ou nemesis.
Je kunt het hen niet kwalijk nemen dat Trojanen
en Grieken met hun helmbossen met lange manen
een oorlog voeren om zo’n vrouw.’ En zij keek op.
Zo ver het uitzicht reikte op het ruime sop
der zee, zo ver was zee pikzwart gekleurd door boten,
fregatten, oorlogsbodems van de Griekse vloot en
de hemel was als antraciet van uitlaatgassen.
Ze hoorde in de verte dreigend diepe bassen
van de motoren van de bommenwerpers grommen
en het onwereldse gefluit van zware bommen.
En op de vlakte was artillerie geland
met zwaar geschut. De tanks verschenen op het strand.
Dus Paris had uiteindelijk gelijk gehad.
Colonnes voetsoldaten trokken naar de stad.
Ze zag hoe zij met kwade vaandels opmarcheerden
die een gevaarlijk ideaal representeerden.
Dat ideaal was zij, de ideale vrouw.
Voor haar wilden ze sterven en de diepe rouw
van weduwen en wezen was om haar bedacht.
Dit was de zachte kracht van liefde en de pracht
van toewijding en onvoorwaardelijke trouw.
Dit was de romantiek van oorlog om een vrouw.
En Helena ontkleedde zich, ze was in trance,
ze klom de wering op en wierp zich van de trans.