adeaumoeder, plusouder, halfmamma, aanleunmoeder, derde ouder, aanloopmoeder, reservemoeder, bij-ouder, krijgmamma, bonusmoeder – er wordt van alles bedacht om het woord ‘stiefmoeder’ te vermijden. Want de stiefmoeder is de boze echtgenote van de vader, een ongenode gast die met haar regels en verboden de stiefkinderen tot wanhoop drijft, die alle aandacht en liefde van de vader opeist, die de kinderen verdringt en de erfenis inpikt, kortom: een vrouw die je liever kwijt bent dan rijk.
In het boek De bonusmoeder, dat dinsdag 13 april wordt gepresenteerd tijdens een ‘Stiefmoederdebat’ in het Amsterdamse debatcentrum De Rode Hoed, vertellen stiefmoeders over de, meestal moeizame, manier waarop ze een positie hebben verworven in hun nieuwe gezin. Op eieren lopend, als egeltjes zo voorzichtig – want al wordt in sprookjes beweerd dat een stiefmoeder per definitie een boze stiefmoeder is, in de praktijk is ze heel vaak een vrouw die erg haar best doet en te weinig ruimte voor zichzelf vraagt.
Herkansing
Nederland telt volgens het CBS zo’n honderdvijftigduizend stiefgezinnen. Toch denkt de aan het CBS verbonden sociaal-demograaf Jan Latten dat er heel wat meer stiefrelaties zijn: ‘Het CBS telt bijvoorbeeld de latrelaties van gescheiden moeders niet mee, terwijl daar toch ook een soort stiefrelatie met de kinderen is. Ook noemen we in de statistieken een stiefgezin geen stiefgezin meer wanneer de kinderen uit huis zijn. Maar die stiefrelaties blijven ook dan gewoon voortbestaan. Sterker nog, als een vader een nieuwe partner krijgt nadat zijn kinderen het huis uit zijn, is er ook sprake van een “stiefsituatie”. Want als hij kleinkinderen krijgt, wordt zijn nieuwe partner stiefoma.’ Hoeveel stiefrelaties Nederland zo bezien telt, vindt hij moeilijk in te schatten. ‘Waarschijnlijk gaat het om honderdduizenden.’
Latten schat dat er elk jaar ongeveer vijfduizend ‘echte’ stiefgezinnen bijkomen: een ouder met kind(eren) die trouwt met een kinderloze ouder (het enkelvoudige stiefgezin), vaders en moeders die elk met eigen kind(eren) samen een nieuw gezin beginnen (het samengesteld stiefgezin), en vaders en/of moeders met eigen kinderen die samen nog een of meer nieuwe kinderen krijgen (het gezamenlijke stiefgezin).
‘Allemaal mensen die een herkansing krijgen,’ zegt Betty Kuipers (zesentwintig jaar, twee eigen kinderen, twee stiefkinderen). Ze heeft net haar onderzoek naar de behoefte aan ondersteuning, informatieverstrekking en hulpverlening van stiefgezinnen afgerond (zie kader ‘Wat hebben stiefgezinnen nodig?’). ‘En dus ook allemaal mensen op wie extra wordt gelet. Met hun eigen kerngezin is het misgelopen, nu krijgen ze een tweede kans, en nu moet het wél goed gaan. Twee mislukkingen kun je je kinderen niet aandoen. De omgeving kijkt er met argusogen naar, en realiseert zich vaak niet dat een stiefgezin veel gecompliceerder is dan een gewoon gezin.’
Vreselijk naïef
Bij tweederde van de stiefgezinnen gaat het dan ook mis. ‘Geen wonder,’ zegt Latten. ‘De kinderen zijn toch niet verliefd geworden?’ Hoewel de oorzaken voor het uiteenvallen niet zijn onderzocht, denken wetenschappers, therapeuten en ervaringsdeskundigen dat het samenvoegen van twee gezinnen met elk een eigen cultuur en eigen opvoedingsideeën daarbij een grote rol speelt.
‘De vrouwen zijn vaak vreselijk verliefd, en vreselijk naïef lopen ze veel te hard van stapel en gaan ze veel te snel samenwonen met veel te hoge verwachtingen,’ zegt relatie- en gezinstherapeut Ietje Heybroek (61). Ze schreef de therapeutische terzijdes in De bonusmoeder, is gespecialiseerd in het begeleiden van stiefgezinnen en zelf al drieëntwintig jaar stiefmoeder van drie, en moeder van twee kinderen. ‘In mijn praktijk komen tegenwoordig veel heel jonge stiefmoeders, van tweeëntwintig, drieëntwintig jaar. Dat is echt nieuw, die zag ik vijftien jaar geleden niet. Die jonge vrouwen slaan eigenlijk een stukje van hun eigen leven over door zich vol overgave op het stiefmoederschap te storten. Ik heb een stel in mijn praktijk waarvan hij in Maastricht woont en zij in Groningen. Hij heeft kinderen en wil dolgraag dat zij bij hem komt wonen. Maar in Maastricht heeft ze geen vrienden en geen werk. Moet ze alles opgeven om daar voor zijn kinderen te gaan zorgen? Hij verwacht dat wel van haar, maar zij wil dat niet. Dat vind ik verstandig. Het is sowieso verstandiger om eerst eens een poosje te latten. Maar je ziet heel vaak dat vrouwen wél heel snel de stiefmoederrol op zich nemen.’
Zoals Hansje (38). Ze kent haar vriend sinds 2007, en kreeg zomer 2008 een relatie met hem. Hij introduceerde haar vrijwel onmiddellijk bij zijn drie kinderen van tien tot zestien jaar. Vorig jaar trok ze met haar eigen kind (acht jaar) bij hem in – ‘de kinderen wilden heel graag dat we gingen samenwonen’ – dit voorjaar gaan ze trouwen.
Hansje: ‘Je wordt verliefd, en die kinderen horen gewoon bij het totaalpakket. Je weet niet wat je overkomt. Toen ik mijn eigen huis nog had, dacht ik wel eens: ik doe het niet meer. Je hebt toch allebei je eigen ideeën over de opvoeding, en dat botst weleens. Zijn kinderen mogen van hem soms dingen die mijn kind niet mag. Dat is lastig.’
Hagelslag en pindakaas
Els (43), stiefmoeder van twee en moeder van drie (bijna) pubers, heeft daar een prima oplossing voor: ‘Wij wonen nu twee jaar samen, en van begin af aan hebben we ieder onze eigen opvoedingsregels gehanteerd. Dat snappen de kinderen heel goed. Zijn kinderen mogen wel hagelslag op de pindakaas, de mijne niet. We regelen zelf met onze kinderen alles wat ze wel en niet mogen: hoe laat ze naar bed moeten, waar ze wel of niet naartoe mogen, en ook alles wat met school te maken heeft. Het is voor ons een ideale constructie, want je hoeft niets met de kinderen van de ander. Als mijn vriend zich aan iets ergert, kan hij dat tegen mijn kinderen zeggen. Bijvoorbeeld als ze hun spullen laten rondslingeren. Maar dan gaat het over leefregels. Onze opvoedregels bepalen we ieder voor zich, en dat zorgt ervoor dat het samen-zijn heel relaxt is.’
Het werkt goed, bevestigt Els’ twaalfjarige dochter desgevraagd. ‘Mamma zegt wanneer ik naar bed moet. Als hij dat zou zeggen, dan ga ik niet. Hij is mijn vader niet, hij heeft daarover niks te vertellen. Maar als mamma heeft afgesproken dat hij het zal zeggen omdat ze er niet is, dan doe ik het wel.’
Omdat Els en haar vriend niet willen dat de andere ouder verantwoordelijk is voor de stiefkinderen, trouwen ze niet. Els: ‘Mensen denken daar in de regel niet over na, maar als je wettelijk stiefouder bent, brengt dat ook allerlei juridische en financiële verantwoordelijkheden tegenover de stiefkinderen met zich mee. Dat willen we niet. Ze hébben al een vader en een moeder. Mijn stiefkinderen zullen nooit mijn kinderen worden, en dat geeft mij heel veel rust. Bovendien: als kinderen iets naars overkomt, roepen ze toch om hun eigen ouders. Ik heb weleens gelezen dat een stiefmoeder uiteindelijk maar een tweedehandsje is. En daar zit wel iets in.’
In de weg
Een cynische conclusie, of een realistische? Therapeut Ietje Heybroek stelt vast dat stiefmoeders vaak veel te hoge verwachtingen hebben van zichzelf en van hun stiefkinderen. ‘De stiefmoeder denkt vaak dat de kinderen van haar zullen houden, en dat ze zelf net zoveel van haar stiefkinderen zal houden als van haar eigen kinderen. Maar in de praktijk is dat bijna nooit zo. Kinderen willen het liefst dat hun ouders weer bij elkaar komen; een stiefouder staat dat in de weg. Stiefouders verwachten dat stiefkinderen dankbaar zijn voor wat ze voor hen doen, maar kinderen vinden het normaal dat ouders voor hen zorgen. Cijfer jezelf niet weg, maar blijf jezelf, dan heb je kans dat er een band ontstaat.’
Wil (zestig jaar, sinds zeventien jaar stiefmoeder) zegt: ‘Ik deed veel te veel mijn best om aardig gevonden te worden. Maar kinderen in de puberteit zitten echt niet op een mee-moeder te wachten. Alle communicatie liep via hun vader, alsof ik niet bestond. Ik was wanhopig op zoek naar mijn plek. Ik heb geleerd dat je ruimte moet creëren voor jezelf en je eigen dingen moet gaan doen.’
Dat valt niet altijd mee. Heybroek: ‘Vaders hebben de neiging de zorg voor hun kinderen al snel over te laten aan de stiefmoeder. En als dat niet goed verloopt, bestaat de kans dat ze stelselmatig gaan overwerken. Want ze hebben geen zin in al die ruzies thuis. En die stiefmoeder maar zorgen!’
Met pappa in één bed
Een goed draaiend stiefgezin vormen kost tussen de vier en zeven jaar, zegt Heybroek. Die tijd heeft Lisa (35) er al op zitten: ze is inmiddels negen jaar stiefmoeder van twee pubers en moeder van een kleuter. Ze vindt het stiefmoederschap ‘fantastisch’. Lisa: ‘Ik leerde de kinderen kennen toen ze heel klein waren, eentje zat nog in de luiers. Ik was zevenentwintig, ik was extreem verliefd, ik koos voor hem en daar zaten de kinderen aan vast. Daar dacht ik helemaal niet over na.’
Maar ze dachten er samen wél over na hoe Lisa zich tegenover haar stiefkinderen moest opstellen. ‘In het begin maakte ik afspraken met mijn vriendinnen als de kinderen naar hem kwamen, dan was ik er nauwelijks. Dan kwam ik wel logeren, maar ging ik halverwege de nacht op de bank liggen omdat ik niet wilde dat zijn kinderen mij bij hem in bed zagen liggen. Totdat de oudste zei: ‘Het is goed hoor, als jij met pappa in één bed ligt, want je bent zijn vriendin.’ Dat was al na een week of drie.
Lisa nam al snel het leeuwedeel van de verzorging op zich, en dat is zo gebleven. ‘In bad doen toen ze klein waren, ophalen van school, voor ze koken. Ik heb nooit gedacht: het was misschien leuker geweest als hij die kinderen niet had gehad. Ik zag hem bezig als vader, en dat had voor mij echt toegevoegde waarde.’
Waarom het zo goed gaat? ‘Omdat het heel erg leuke kinderen zijn, die ik al verzorg en mee opvoed sinds ze heel jong zijn. Ik weet niet hoe het was gegaan als dat niet zo was geweest.’
Stiefcijfers
In Nederland verbreken elk jaar ongeveer 100.000 (gehuwde en niet-gehuwde) samenwonende paren hun relatie; ruim 50 procent van hen heeft kinderen; jaarlijks zijn ongeveer 70.000 thuiswonende kinderen betrokken bij de scheiding van hun ouders; die ouders zijn gemiddeld bijna 44 jaar (vader) en bijna 41 jaar (moeder); er zijn ongeveer 800.000 minderjarige kinderen met gescheiden ouders; na de scheiding woont 75 procent van de kinderen bij de moeder, 10 procent bij de vader, 15 procent heeft co-ouders; 3 jaar na de scheiding heeft 50 procent van de gescheiden ouders weer een nieuwe partner; ruim een derde van de scheidingskinderen woont in een stiefgezin; er bestaan zo’n 150.000 stiefgezinnen; er wonen bijna 300.000 kinderen in stiefgezinnen; in ruim 80 procent van de stiefgezinnen wonen alleen kinderen uit een eerdere relatie van de moeder; in 15 procent van de stiefgezinnen wonen alleen kinderen uit een eerdere relatie van de vader; in nog geen 5 procent van de stiefgezinnen wonen kinderen uit eerdere relaties van vader én moeder; in ongeveer een derde van de stiefgezinnen hebben ouders ook gezamenlijke kinderen; iets minder dan 40 procent van de stiefgezinnen heeft twee kinderen; iets meer dan 40 procent telt één kind; ruim 20 procent heeft drie of meer kinderen; elk jaar komen er ongeveer 5.000 stiefgezinnen bij; in stiefgezinnen zijn de moeders in bijna 90 procent van de gevallen (bijna) fulltime ouder; 60 procent van de stiefgezinnen valt uit elkaar.
Bronnen: ‘Scheidingskinderen’ van Ed Spruijt (2007); ‘Nieuwe gezinnen. Scheidingen en vorming van stiefgezinnen’ van Christine Clement e.a. (2007)
Wat hebben stiefgezinnen nodig?
Stiefgezinnen waar het niet goed gaat, hebben vooral behoefte aan relatie- en gezinstherapeuten met wie ze problemen en mogelijke oplossingen daarvoor kunnen bespreken, en aan gespreksgroepen waar ze hun ervaringen kunnen uitwisselen. Dat blijkt uit nog te publiceren onderzoek naar de behoeften van stiefgezinnen dat Betty Kuipers (Hogeschool Enschede) deed in opdracht van de Stichting Stiefgezinnen Nederland (SSN).
Kuipers ondervroeg dertig stiefouders. Uit haar onderzoek blijkt dat stiefgezinnen vooral moeite hebben met het samenvoegen van twee verschillende gezinsculturen. Een goede tweede is het verschil in emotionele band met het eigen kind en het stiefkind.
Zowel de kinderen als de stiefouder vinden het moeilijk om zich aan de nieuwe situatie aan te passen, iets wat voor spanningen zorgt in de relatie tussen ouder en stiefouder. Voeg daarbij een bemoeizuchtige ex – ‘ik heb het gevoel dat er een taperecorder meeloopt als haar dochter bij ons is, ze wordt door haar moeder volledig uitgehoord als ze bij ons is geweest,’ zegt stiefmoeder Els – en het wordt duidelijk dat een ‘fusiegezin’ formeren geen sinecure is.
De meest genoemde tip die de ondervraagde stiefouders geven: wees goed voorbereid, en ga niet te snel. Die laatste waarschuwing geldt vooral voor stiefmoeders, omdat zij in de praktijk meestal degenen zijn die de zorg voor kinderen en stiefkinderen op zich nemen. ‘Sommige vrouwen zeggen: ik moet nu twee keer zo hard rennen als eerst, en als dank ben ik een boze stiefmoeder,’ zegt Kuipers. ‘Er zijn ook mensen die zeggen: als ik dit van tevoren had geweten, was ik er niet aan begonnen.’
Op de site van de SSN, www.nieuwgezin.info, komt een lijstje met praktische tips voor stiefgezinnen. Kuipers: ‘Je moet dan denken aan tips als: laat de opvoeding over aan de biologische ouder; geef je eigen kinderen aparte aandacht; praat met je partner over de problemen die je tegenkomt en hou ze niet voor jezelf.’
Op 25 september houdt de SSN een landelijke stiefdag.
De stiefmoeders in dit verhaal willen niet met hun echte naam worden genoemd.
‘De bonusmoeder. Ontroerende en humoristische ervaringen van stiefmoeders’, Nicolien Brzesowsky (red.), uitgeverij Artemis & Co, 191 p., €16,90.
‘De bonusmoeder’ wordt op 13 april gepresenteerd tijdens een ‘Stiefmoederdebat’ in De Rode Hoed in Amsterdam, zie www.rodehoed.nl
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.