Anti-apartheidsactivisten blikken terug

Leiden, donderdagmiddag 6 juni. Terwijl oud-president Nelson Mandela op sterven ligt, komen in een zaaltje van het Afrika-Studiecentrum voormalig activisten, journalisten en wetenschappers bij elkaar voor wie de strijd tegen de apartheid jarenlang een levensvervulling vormde. Aanleiding is het afscheid van oud-journalist en historica Ineke van Kessel. Als ANP-verslaggeefster schreef ze in de jaren tachtig dagelijks over de ontwikkelingen in Zuid-Afrika, het land waarvan ze in de ban raakte en waarmee ze zich later als wetenschapper bezig zou blijven houden. Nu, aan het einde van haar carrière, heeft Van Kessel de oude kameraden uitgenodigd om ‘in verwondering terug te blikken’.

Wat is er gebeurd met de idealen van het ANC, met de belofte van een non-raciale, rechtvaardige samenleving? ‘Hebben we indertijd het ANC en de andere bevrijdingsbewegingen niet te veel geïdealiseerd en geromantiseerd,’ vraagt Van Kessel zich af. Ook nodigt ze de aanwezigen uit ‘zichzelf onder de loep’ te nemen. ‘Is het niet eens tijd voor een herwaardering van onze eigen betrokkenheid?’ Van Kessels prikkelende vraagstelling is deels gebaseerd op het pas uitgekomen geruchtmakende boek External Mission: The ANC in Exile 1960-1990 van de ook aanwezige hoogleraar Stephen Ellis, die de Desmond Tutu-zetel aan de Vrije Universiteit bekleedt en voor het boek onlangs de Recht Malan Prize voor non-fictie ontving, een van de twee meest prestigieuze literatuurprijzen in Zuid-Afrika. In zijn boek toont hij aan dat de corruptie en ondemocratische reflexen waar het ANC mee kampt, al in de organisatie besloten lagen vóór de afschaffing van de apartheid.

Stijf van de marihuanarook

De strijd tegen apartheid beleefde zijn hoogtepunt in de jaren zeventig en tachtig. Betogers gingen de straat op met leuzen als: ‘Nee tegen Botha, Nee tegen Apartheid’ en ‘Eet geen Outspan sinaasappelen, pers geen Zuid-Afrikaan uit’. Links georiënteerde en kerkelijke actiegroepen als Komitee Zuidelijk Afrika (KZA), de Anti-Apartheidsbeweging Nederland (AABN) en Kairos zetten oliegigant Shell en de politieke partijen onder druk met grootscheepse acties. Daarnaast had je actievoerders die vanuit Zuidelijk Afrika zelf meededen aan de strijd, zoals AABN-voorzitster Conny Braam. Zij verwierf grote faam met haar deelname aan de geheime Operatie Vula van de militaire afdeling van het ANC, waarvoor ze onlangs een prijs in ontvangst nam in Zuid-Afrika. Braam hielp talloze in ballingschap verkerende ANC-leiders ondergronds terug te keren naar Zuid-Afrika om het verzet tegen de apartheid te coördineren.

Advertentie

Advertentie

Activist Klaas de Jonge smokkelde wapens voor het ANC de grens over. Hij werd opgepakt door de Zuid-Afrikaanse geheime dienst en toen hij in juli 1985 ontsnapte aan zijn bewakers en de Nederlandse ambassade in Pretoria in vluchtte, veroorzaakte hij een diplomatieke rel die de wereldpers haalde. Een van de aanwezigen op de bijeenkomst in Leiden, Bart Luirink, nu hoofdredacteur van het in Afrika gespecialiseerde ZAM Magazine en in de jaren tachtig werkzaam bij de AABN, herinnert zich die tijd als ‘groots en meeslepend’. ‘We werden heen en weer getrokken tussen de strijd daar en de euforie hier. We hadden de absolute overtuiging dat het ergens op af ging.’

Luirink had door zijn ontmoetingen met Zuid-Afrikanen die uit de eerste hand vertelden over de afschuwelijke onderdrukking door het apartheidssysteem, het gevoel zelf onderdeel uit te maken van de strijd. Zijn persoonlijke hoogtepunt was de manifestatie ‘Culture in Another South Africa’ in 1987 waar honderden Zuid-Afrikaanse kunstenaars en ook kopstukken van het ANC zoals voorzitter Oliver Tambo en de latere president Thabo Mbeki samen met Nederlandse activisten hun ideeën over het nieuwe ZuidAfrika de vrije loop lieten. Maandenlang werkten Luirink en zijn collega’s aan de voorbereiding van het programma, waarin grote Nederlandse namen als Jeroen Krabbé, Harry Mulisch, Lucebert en burgemeester Ed van Thijn schitterden, maar ook geëngageerde blanke Zuid-Afrikanen als Breyten Breytenbach en Nadine Gordimer. De legendarische muzikanten van de African Jazz Pioneers, die niemand in Nederland ooit had zien optreden, traden op. ‘De Melkweg stond stijf van de marihuanarook en het bier. De zaal werd steeds verder opgezweept; ook ik werd meegevoerd door de enorme energie.’

Naar Luirinks gevoel was heel Amsterdam twee weken in de ban van de discussies en optredens in twintig zalen en theaters verspreid over de stad. ‘Het was zo mooi en intens dat ik toen dacht: hier komen we nooit meer overheen.’ Het was voor hem een schizofrene situatie: aan de ene kant de euforie en aan de andere kant het geweld dat duizenden kilometers verderop maar door bleef gaan. Terwijl de aanwezigen in Amsterdam in hogere sferen verkeerden, had Conny Braam ‘gillende mensen in Swaziland aan de lijn omdat het Zuid-Afrikaanse leger daar net weer mensen had ontvoerd’.

Geweldloze strijd afgezworen

Ondanks het gemeenschappelijke hogere doel was de solidariteitsbeweging geen eensgezind gezelschap; men reed elkaar geregeld in de wielen vanuit verschillende politieke en ideologische opvattingen, van de Communistische Partij Nederland, de Pacifistisch Socialistische Partij en de PvdA tot aan de kerken. Naast hun ideologische achtergrond speelde het antikoloniale sentiment bij veel van de activisten een rol bij hun besluit om aan de strijd mee te doen.

Zoals bij Klaas de Jonge, die door verblijf in het buitenland niet bij het afscheid van Van Kessel aanwezig kon zijn. Zijn vader, een oud-verzetsman, vocht als vrijwilliger in Indonesië voor het behoud van de Nederlandse driekleur. Maar de rollen waren daar omgedraaid: in Indonesië was De Jonges vader niet de bevrijder maar de bezetter. ‘Hoe kon hij dat in godsnaam doen, dat vond ik onbegrijpelijk.’

In Mozambique, waar De Jonge als socioloog onderzoek deed aan de universiteit, zag hij tijdens veldwerk hoe Renamo-rebellen, die door Zuid-Afrika werden gesteund, moordend en plunderend door de dorpen trokken. ‘Verrek, dacht ik, wat zit ik hier te doen als wetenschapper? Ik kan beter het apartheidsregime bestrijden, want dat is de kern van alle ellende.’

Sietse Bosgra, als voorzitter van het Komitee Zuidelijk Afrika een ander kopstuk van destijds, stond al begin jaren zestig vooraan in demonstraties tegen de Franse koloniale oorlog in Algerije en de Portugese overheersing in Angola. De Pacifistisch Socialistische Partij (PSP) waarin hij actief was, had de geweldloze strijd afgezworen: antikolonialisme was een hoger doel, daarvoor mocht worden gestreden. Toch was het vooral boosheid over de onderdrukking van zwarte Zuid-Afrikanen die deze mensen ertoe bracht zich aan te sluiten bij de strijd tegen het perfide apartheidsregime.

In kuilen onder de grond

Drieëntwintig jaar na de vrijlating van Mandela zou er aanleiding moeten zijn tot enige vreugde. Mede door de jarenlange internationale druk waar de activisten zich voor inzetten, werd het apartheidsregime op de knieën gedwongen, kwamen er vrije verkiezingen en is het land sindsdien onafgebroken geregeerd door het ANC. Toch overheerst de teleurstelling bij de aanwezigen in Leiden. Bedrukt sommen ze op wat er is misgegaan. De wijdverbreide, gewelddadige criminaliteit en corruptie al tijdens het Mandela-tijdperk, de op knoflook en bieten gebaseerde aidstherapie waar Mandela’s opvolger Thabo Mbeki bij zwoor, de persvrijheid die de huidige president Jacob Zuma wil inperken om kritiek op zijn beleid te smoren. Om over de zelfverrijking van veel ANC’ers maar te zwijgen. Graaiende politici die wonen in protserige villa’s en wier namen steeds maar weer opduiken in een eindeloze reeks schandalen. Toch blijkt de kwestie die het diepst zit bij een aantal van de aanwezigen, al voor de afschaffing van apartheid aan het licht te zijn gekomen. Het gaat om een onderwerp dat bij het grote publiek allang is vergeten: de martelingen door bevrijdingsbeweging SWAPO die voor de onafhankelijkheid van het door Zuid-Afrika bezette Namibië streed. Terwijl martelingen bij het ANC incidenteel plaatsvonden, bleek zijn naaste bondgenoot duizenden vermeende verraders en dissidenten systematisch te martelen en vaak jarenlang onder erbarmelijke omstandigheden in kuilen onder de grond gevangen te houden. SWAPO stelde anders dan het ANC geen onderzoek in na de onafhankelijkheid.

Het dilemma was duidelijk: kon je een beweging steunen die streed voor vrijheid en mensenrechten maar het zelf niet zo nauw nam met diezelfde rechten? In 1989 gingen foto’s de wereld over van vrijgelaten slachtoffers die onder de littekens zaten, duidelijk het gevolg van marteling. Toen de mensenrechtenschendingen in Nederland bekend raakten, keurde Luirink die in felle bewoordingen af in de Anti Apartheidskrant. Van Kessel: ‘Dat artikel van Luirink viel me rauw op mijn dak. Het was de eerste keer dat ik er iets over hoorde. Ik had een vaag idee dat het er wel stevig aan toe ging in die kampen, dat soort geruchten hoorde je wel vaker, maar je besteedde er weinig aandacht aan omdat je dacht dat het Zuid-Afrikaanse propaganda was.’

SWAPO deed er het zwijgen toe na de publicaties, maar vanuit het ANC werd er juist heel vijandig gereageerd, onder meer op een bijeenkomst in Wageningen die was georganiseerd door de solidariteitsbeweging en waar Van Kessel ook aanwezig was. ‘De verkiezingen van Namibië stonden voor de deur en daarna die in Zuid-Afrika, dus de onthullingen werden door ANC’ers uitgelegd als een sabotageactie.’

Tussen de activisten ontstond diepe onenigheid hoe met de kwestie om te gaan. Van Kessel stoorde zich aan de kleinzielige discussie die de organisaties met elkaar voerden. KZA en Kairos, die zich meer met SWAPO bezighielden dan het AABN, verscholen zich achter het argument dat ze door die betrokkenheid moeilijker kritiek op de organisatie konden leveren. Daarnaast was bij de meeste activisten de eerste reflex dat Zuid-Afrika niet in de kaart gespeeld mocht worden. ‘Maar daar ging het toch helemaal niet om,’ zegt Van Kessel nog steeds verontwaardigd, ‘Het was vreselijk wat daar was gebeurd.’

Onrustig geslapen

De gemoedelijke sfeer tijdens het afscheid van Van Kessel slaat even om als Luirink KZA’er Paul Staal aanspreekt op de houding van zijn organisatie destijds. Staal reageert als door een wesp gestoken. ‘Ik heb dat wel veroordeeld. En verder wil ik er niet op ingaan, want Sietse Bosgra is hier niet zelf om zich te verdedigen.’

Uit archiefstukken en persberichten uit die jaren blijkt dat KZA nooit tot een openlijke veroordeling van SWAPO is gekomen. Verder blijkt uit interviews van destijds dat Bosgra de ernst van de martelingen was ontgaan. Want terwijl volgens ooggetuigenverklaringen mensen levend onder het zand werden begraven, ledematen gebroken werden en ze hete peper in hun wonden gesmeerd kregen voordat ze boven op elkaar in bloedhete, donkere gaten in de grond werden gemieterd, sprak Bosgra in de pers van ‘een pak slaag af en toe’. In De Groene Amsterdammer vergoelijkte Bosgra de martelingen zelfs. Hoe moesten die SWAPO-kameraden anders ‘de informatie uit de mensen krijgen’? ‘Ik heb dat citaat toen wel twaalf keer gelezen. Hoe kan je zoiets zeggen,’ vraagt Luirink zich nog steeds af.

Toch blijft de inmiddels 78-jarige Bosgra er desgevraagd bij dat hij door SWAPO te blijven steunen de juiste beslissing heeft genomen. Het ging immers om de bevrijding van Namibië en bij SWAPO zaten ‘ook goede mensen’. Bosgra: ‘Onder de troepen waren verraders. Vind je het raar dat er dan iemand op zo’n verrader begon in te slaan? Dat ging automatisch, dat mensen zeiden, geef het nou maar toe. Daarvoor hoef je geen opdracht te krijgen vanuit een hoofdkwartier.’ Opmerkelijk is dat Bosgra en het Komitee Zuidelijk Afrika toen en ook in de jaren die volgden nooit zelf een diepgaand onderzoek hebben gedaan naar de martelingen, terwijl het toch al snel duidelijk werd na de onthullingen dat de verklaring van ‘vermeende spionnen’ door SWAPO aan alle kanten rammelde.

Luirink vertelt achteraf dat hij onrustig heeft geslapen van de confrontatie met Staal tijdens het afscheid van Van Kessel. ‘Het herinnerde me eraan hoe unheimisch die weken na de onthullingen waren.’ Er kwam veel boosheid vanuit andere solidariteitsorganisaties. ‘Wij hadden het front doorbroken.’

Bosgra vertaalde Luirinks column in het Engels en stuurde die naar ANC-kantoren wereldwijd om het verraad van de kameraden aan te tonen. ‘Door de SWAPO-vertegenwoordiger in Londen werd ik er vervolgens van beschuldigd een CIA-agent te zijn,’ zegt Luirink. ‘Dat voelde eenzaam.’ Voor zover hij een romantisch beeld had van voorbeeldige strijders die in Zuidelijk Afrika een heilstaat gingen oprichten, bleef daar niet veel van over. ‘Het was een ontnuchterende ervaring.’

Opeens echte mensen

Hoe moeilijk het was om als sympathiserende journalist ook kritiek te leveren merkte Van Kessel toen ze een interview deed met SWAPO-leider Sam Nujoma. Hij vertelde dat een olieboycot van Zuid-Afrika voor hem geen prioriteit had. En dat terwijl KZA’er Bosgra met bloed, zweet en tranen juist probeerde zo’n boycot voor elkaar te krijgen. ‘Dus ik kreeg een razende Bosgra aan de lijn,’ zegt Van Kessel. ‘Dat had ik niet zo op mogen schrijven. Ik verdedigde me door te zeggen dat Nujoma het wél zo had gezegd. En dat ik er bovendien niet van gediend was dat hij me dicteerde.’

Later, toen Van Kessel naast haar journalistieke werk ook als historica ging werken bij het Afrika-Studiecentrum, kreeg ze van een met de strijd sympathiserende, leidinggevende collega te horen dat ze ‘niets mocht doen of schrijven’ dat de bevrijdingsbeweging kon schaden. ‘Als ze eenmaal aan de macht zijn, dan kunnen we ze kritisch volgen, maar daar is nu geen ruimte voor,’ kreeg ze te horen.

Van Kessel voelde zich ook verbonden met de strijd, maar nam zich toch voor onbevangen en kritisch te blijven. Makkelijk was dat niet, moet ze nu eerlijk toegeven. Ook zij was geneigd ‘het ANC en zijn bondgenoten te idealiseren’. Achteraf concludeert Van Kessel dat de discussie in Nederland over apartheid wel érg zwart-wit werd gevoerd. ‘Het was duidelijk wie de goede en de foute waren, waarbij het Zuid-Afrikaanse regime de boeman was en de bevrijdingsbewegingen geen kwaad konden doen. Het lag er zo dik bovenop dat het niet meer spannend was. Toen ik in 1984 voor de eerste keer in Zuid-Afrika was, ging het opeens om echte mensen die niet direct in goed of slecht waren in te delen en die niet alleen maar clichés uitstootten zoals de ANC’ers die ik in Europa ontmoette.’

Een onaangename ontmoeting

Tijdens een volgende reis ontmoette Van Kessel Stephen Ellis, een man die toen al weinig last had van idealistische gedachten over bevrijdingsbewegingen. Van Kessel: ‘Ellis had veel eerder dan ik die onbevangen nieuwsgierigheid alle kanten op. Ik was meer aan het filteren, niet bewust, maar dat heb ik toch gedaan.’ Ellis schreef in die jaren voor Africa Confidential, een op dun blauw papier verschijnend Brits periodiek waarin onthullingen, nieuws en analyses stonden over politieke ontwikkelingen in Afrika en dat werd gelezen door journalisten, diplomaten en wetenschappers. Ellis had contacten met informanten uit het ANC en de SWAPO en schreef in die jaren een paar onthullende verhalen over de organisaties. Binnen de actiebeweging was hij daarom niet geliefd en werd hij zelfs afgeschilderd als een agent van de Britse of Amerikaanse geheime dienst. Braam zegt daarover: ‘Als je met je publicaties consequent probeert het ANC onderuit te halen, dan kan je niet rekenen op veel steun uit het solidariteitskamp.’

Ellis vertelt het gezelschap in Leiden dat hij het was die in Africa Confidential als eerste kritische artikelen publiceerde over martelingen en muiterij binnen het ANC en de SWAPO. In 1988 belandde er een dik pak belastend materiaal op zijn bureau, afkomstig van een informant die zowel lid was van het ANC als van de Zuid-Afrikaanse Communistische Partij. ‘Ik ben die informatie gaan checken. Bij het ANC-kantoor in Londen riepen ze: “Je bent gebriefed.” Toen wist ik dat het geen onzin was.’ Nadat hij ook over misstanden binnen de SWAPO had geschreven, kwam het tot een onaangename ontmoeting in een restaurant. ‘De huidige premier van Namibië, Hage Geingob, en Hidipo Hamutenya, die na de onafhankelijkheid jarenlang minister was, dreven me destijds op de heren-wc in een hoek. Ze waren zo kwaad over mijn publicaties dat ik even dacht dat ze me te lijf zouden gaan.’

Enorme carrières

Een van de andere deelnemers aan de rondetafelbijeenkomst in Leiden, historicus Jan-Bart Gewald, begint zich te ergeren aan het verloop van de discussie. ‘Het lijkt er nu om te gaan dat het ANC door en door verrot is en wie dat het eerste op het spoor kwam,’ zegt de in voormalig Rhodesië geboren wetenschapper die in de jaren tachtig naar Nederland vluchtte om aan zijn dienstplicht in Zuid-Afrika te ontkomen. ‘Laten we er eens bij stilstaan hoe intens erg het apartheidssysteem was. Mensen die jarenlang werden vernederd en onderdrukt zijn nu vrij, laten we dat nooit vergeten.’

Gewald verwoordt daarmee precies de balans die oud-activisten proberen te vinden tussen een kritische houding jegens het ANC dat ze al die jaren steunden en de hoop op een beter Zuid-Afrika. ‘Natuurlijk, ze hebben fouten gemaakt, maar toch ben ik er hartstikke blij mee dat ik heb meegevochten,’ zegt Klaas de Jonge via Skype vanuit Brazilië. In dat land gaf hij vijf jaar lang les nadat de apartheid was afgeschaft. Nu is hij er terug om oude vrienden te bezoeken.

Vorig jaar bezocht De Jonge Zuid-Afrika, waar hij ANC-strijdmakkers aantrof die in diepe armoede zaten. ‘Dat deed me enorm pijn, ze geloofden en vochten voor een beter land. Ze zijn tussen wal en schip gevallen, terwijl anderen die weinig voor de strijd betekend hebben enorme carrières maken.’ De Jonge is teleurgesteld over het nieuwe Zuid-Afrika. ‘Het ANC zou het helemaal anders gaan doen. Maar ze willen aan de macht blijven, het is een soort eenpartijstaat die zo veel mogelijk voor de eigen leden voor elkaar wil krijgen. Daardoor lijkt Zuid-Afrika nu op elk ander Afrikaans land dat ik ken.’

Ondanks de teleurstelling wil De Jonge niet zover gaan in zijn kritiek op het ANC als hoogleraar Ellis. Die vindt dat de huidige problemen zijn terug te voeren op het ANC in de ballingschapsjaren. De beweging was volgens hem te veel in de greep van de communistische partij, had corrupte types in de gelederen en dissidente geluiden werden de kop ingedrukt. De Jonge vindt dat Ellis te makkelijk verbanden legt tussen toen en nu. ‘Hij geeft een heel goede beschrijving van wat er is gebeurd, maar het is achteraf bekeken. Hij overdrijft de negatieve invloed van de communistische partij. Daarnaast kende ik ook communisten die heel goede ideeën hadden, zoals Joe Slovo en Chris Hani. Ook legt Ellis meer dan nodig is de nadruk op mensenrechtenschendingen door het ANC. Ik wil niet zeggen dat het niet gebeurd is, maar het was oorlog, en ik geloof niet in schone oorlogen.’

Duidelijk verbeterd

Voormalig activisten mogen elkaar in Nederland in de haren vliegen over de strijd en het ANC van toen en nu, in Zuid-Afrika wordt deze discussie niet breed gevoerd. Sterker nog, ze speelt eigenlijk vooral in het witte, academische circuit. Uit onderzoek dat Van Kessel op dit moment doet op het Zuid-Afrikaanse platteland, blijkt namelijk dat dorpelingen niet het gevoel hebben dat de revolutie verraden is. ‘Er mag dan te veel corruptie zijn, het gaat allemaal te langzaam en er is ook geen werk, maar tegelijkertijd is het leven van veel mensen duidelijk verbeterd. Vrijheid betekent hier een pensioen, schoon drinkwater, minder kindersterfte.’

Maar het betekent ook krijgen wat de blanken al hadden: een mooie auto, grote huizen, goeie scholen en een gazon voor de deur. Van Kessel: ‘Laatst las ik interviews terug die ik afnam in 1990. “Volgende keer als je komt rijd ik in een BMW,” werd er geroepen. Dat heb ik toen niet geplaatst als relevante politieke informatie, maar achteraf heeft dat wel een voorspellende waarde gehad. En dan de onderlinge jaloezie! Dat valt mij erg tegen.’ Ook Braam zag oude kameraden in Zuid-Afrika achter het geld aan gaan. ‘Maar ik ga daar niet met het opgeheven vingertje heen. Bij sommige mensen kwam ik en dacht ik: dit is wel een erg groot huis. Hoezo die enorme Mercedes? Dan ging ik daar gewoon niet meer langs. Ze wisten wel waarom.’

Luirink is ondanks alles niet teleurgesteld. Dat anderen dat wel zijn, wijt hij aan te hoge verwachtingen. ‘De gedachte dat je het land snel op orde kan krijgen is onzin. Het systeem was zo verrot, dat gaat honderd jaar duren. En dat er ook schurken rondlopen wist ik al. Maar het is niet goed dat het ANC steeds weer allerlei beloften doet die het vervolgens niet kan waarmaken en dan gaat roepen dat het komt door de apartheid van twintig jaar geleden.’

Wat laat Mandela na? Volgens Luirink vooral een land waar het tegen alle verwachtingen in niet ontaardde in een bloedbad en waar is gerealiseerd wat door heel veel mensen als onmogelijk werd gehouden: een democratisch land met een voorbeeldige grondwet en keurige verkiezingen. Maar waar ook nog ongelooflijk veel werk te doen is. ‘Dat Mandela met lede ogen zou aanzien hoe het er nu aan toegaat binnen het ANC, daar geloof ik helemaal niets van,’ zegt Luirink. ‘Hij was door schade en schande wijs geworden veel realistischer dan veel van zijn volgelingen. Wat er ook misgaat op dit moment, Mandela heeft wel in hoge mate bijgedragen aan het fundament van een vrij Zuid-Afrika, waarop het land kan doorgroeien.’

Nee

De Verhalen Met medewerking van Harm Ede Botje.

Stephen Ellis, ‘External Mission, The ANC in exile 1960-1990’, C. Hurst & co, 384 p.