Vrij Nederland deelt dit artikel met jou.
Het zijn tijden voor Vrij Nederland.
Uit het archief

Tonke Dragt: ‘Wat je kunt verzinnen, is waar’

Joukje Akveld
Tonke Dragt
'Meester Frans van der Steg, dat ben ik.’ Foto: Joost van den Broek/HH

Vandaag wordt Tonke Dragt 85. Twee jaar geleden ging Joukje Akveld voor VN op zoek naar de schrijfster, die zich het liefst schuilhoudt in haar boeken.

Tonke Dragt (1930) woont in een jaren-vijftig-doorzonwoning in de Haagse bloemenbuurt. Een keurig paadje loopt door een wilde tuin naar een portiek met glas-in-loodramen. Achter de ramen hangen verschoten vitrages. Een alledaags rijtjeshuis, maar dat is schijn. Net als de magiër Thomtidom uit haar boek De Zevensprong is de schrijfster een meester in het opwerpen van façades. Binnen is huize Dragt volkomen anders dan de buitenkant doet vermoeden. Alleen: je komt er niet zomaar. Dragt ontvangt niet graag aan huis. Interviews wijst ze al jaren zoveel mogelijk af. Lukt het wel tot haar door te dringen, dan verloopt een afspraak via verschillende schijven. Als je haar nog niet kent, kom je niet voorbij Liesbeth ten Houten, jarenlang haar uitgeefster, nu raadsvrouw, vriendin en leverancier van viooltjes voor de tuin. ‘Leeuwe Liesbeth’ noemt Dragt haar wel. Wie haar lief is en even niet oplet, verandert in een personage.

Annemarie Terhell en ik zouden Tonke Dragt ontmoeten omdat we een boek over haar gingen schrijven. Geen biografie over haar persoon, die houdt ze tegen zolang ze daartoe in staat is; verscheidenen wierpen een balletje op en vingen bot. Wat wel mocht, was een ABC-boek, een uitgave voor alle leeftijden die aan de hand van alfabetisch geordende thema’s door haar leven en werk zapt. Tonke Dragt houdt van structuren en systemen. Aan haar veelgeprezen boeken, gelezen door kinderen en volwassenen, ligt een nuchter verstand ten grondslag dat orde aanbrengt waar chaos dreigt. Als een verhaal erom vraagt, volgt Dragt een cursus sterrenkunde of leert ze zichzelf schaken. De details moeten kloppen, niemand mag haar op een fout betrappen, of zoals ze ooit zelf zei: ‘In de woeste spinnenwebben van mijn fantasie is een exacte manier van denken mijn kompas.’

Maar die afspraak dus. Daar moet over gebeld worden, meermalen en niet vóór een uur of drie, want eerder is Dragt niet aanspreekbaar. Tot voor kort kreeg je Xantippe aan de lijn, robot, antwoordapparaat, romanpersonage. Of de beller het op een later tijdstip nog eens wilde proberen, want de schrijfster had het druk. Een effectieve manier om nieuwsgierigen op afstand te houden. Tot ze op een dag een verkeerd knopje indrukte en de huisrobot verdween – naar de Januaraanse Ambassade misschien wel, dat grillige bouwwerk dat zich in een andere ruimtetijd bevindt en opdook in haar laatste boek Aan de andere kant van de deur. De klokken zijn er van hun wijzers beroofd en tijd bestaat er niet. Het zou Tonke Dragt niet verbazen. Ze laat werkelijkheid en verbeelding graag in elkaar overlopen. De werelden die ze in haar werk heeft opgetrokken, bestaan niet alleen in haar hoofd; ze praat over haar personages alsof het een stel gemeenschappelijke vrienden betreft. Heel normaal, vindt ze zelf. ‘Alles wat je kunt verzinnen, is waar, omdat het uit jezelf is voortgekomen. De wereld is echt veel wijder dan op het eerste gezicht lijkt.’

Donderdag Bijzonderdag

Xantippe mag dan spoorloos zijn, sinds kort heeft Tonke Dragt een mobiele telefoon, aangeschaft op 82-jarige leeftijd. Een onverwachte aankoop voor een auteur die altijd zonder computer heeft gewerkt en haar handgeschreven brieven verstuurt in met vlinder- en poezenplaatjes versierde enveloppen. Dragt doet niet aan modern. In mode is ze nooit geïnteresseerd geweest. Niet als het gaat om hoe ze eruit ziet (kort grijs kapsel, lange batikjurken, praktische sandalen), niet als het haar werk betreft. Toen in de jaren zeventig iedereen schreef over werkloze moeders en uit de kast komende vaders maakte zij een boek over een jongen die naar een parallelle wereld reist: De torens van februari.

Waar het met een succesvolle titel of serie tegenwoordig een kwestie van tijd is voor de epigonen zich aandienen – Harry Potter, Hoe overleef ik… en Dagboek van een loser hebben een lange trits navolgers – heeft Dragt zich nooit iets van hypes aangetrokken. Dinosaurussen hadden haar belangstelling lang vóór Jurassic Park. Donderdag Bijzonderdag noemde ze haar prentenboek vol Diplodocussen en Tyranno­saurus Rexen dat ze verluchtigde met tekeningen, wetenschappelijke feiten en Saurische verzen over de gevoelswereld van de oerbeesten. Geen uitgever die er iets in zag, want kinderen en dino’s, dat ging niet samen. Kreeg ze in 1993, toen heel basisschoolbezoekend Nederland in de ban raakte van Steven Spiel­bergs prehistorische reuzenreptielen, toch nog gelijk. Maar toen was haar interesse verflauwd. ‘Er waren zoveel nieuwe ontdekkingen gedaan, mijn verhaal klopte niet meer. Ik zou het helemaal opnieuw moeten schrijven, volgens de laatste wetenschappelijke inzichten – dat is er nooit van gekomen,’ zegt ze er nu over.

Misschien schuilt in die eigenzinnigheid Dragts succes. Op het moment dat lezers massaal haar ridderromans omarmden en kinderen en huisdieren naar haar personages ­vernoemden, schreef ze het eigentijdse raadselverhaal De Zevensprong. En toen critici haar dachten te kunnen kwalificeren als schrijfster van avonturenboeken met een hang naar queesten, publiceerde ze de filosofische toekomstroman Torenhoog en mijlen breed. Terwijl moderne jeugdboekenschrijvers zich steeds vaker ontpoppen tot publieke persoonlijkheden die hun oren laten hangen naar de wensen van de lezer, heeft Tonke Dragt een oeuvre opgebouwd dat zich aan iedere genre-indeling onttrekt. De door haar verzonnen werelden hebben het haar gaandeweg financieel mogelijk gemaakt zich er steeds verder in terug te trekken. Ze is vergroeid met haar boeken en personages zoals anderen dat zijn met hun familieleden.

Koffie met bitterballen

Na lang delibereren ontmoeten we Tonke Dragt op een dinsdagmiddag. Tijdens de rit uit Amsterdam chauffeert Liesbeth ten Houten. Onderweg bespreken we Dragts gezondheid. Die laat te wensen over. Sinds een ooginfarct ziet ze slecht, ook lopen gaat moeizaam, maar in haar fragiele lichaam woont een scherpe geest, zal later blijken. Geen detail uit haar lijvige romans dat haar niet helder voor ogen staat.

We pikken de schrijfster op en rijden door naar de uitspanning Meer en Bosch op enkele minuten rijden van haar huis. Buiten veel groen en de torenflats die haar inspireerden tot De torens van februari, binnen houten dakbalken en een kelner op leeftijd in tenue. Bij een tafel in de hoek parkeert Dragt haar wandelstok naast het raam en bestelt koffie en bitterballen. Pas als die arriveren, kan het gesprek beginnen.

2004: Dragt ontvangt de Griffel der Griffels. Foto: Marco Okhuizen/HH

Praten met Tonke Dragt betekent praten over haar boeken. De schrijfster heeft het niet graag over zichzelf. De gelukkige kindertijd met haar ouders en zusjes in Batavia waar haar vader verzekeringwiskundige was; de tienerjaren in Japanse interneringskampen toen ze om de verveling te verdrijven ging tekenen en schrijven; de naoorlogse jaren in het stijve Dor­drecht; de periode als tekenjuf op een middelbare school in Rijswijk – het is allemaal bekend, meer valt er niet over te zeggen. Nee, ze is later nooit terug geweest in Indonesië. Eerst had ze geen geld en toen ze het geld had, liet haar gezondheid het niet meer toe.

Geen geld? informeren we voorzichtig. Toen ze in 1963 de Prijs voor het Kinderboek van het Jaar won was ze toch pas begin dertig, toen ging het haar financieel toch goed? Geen geld, herhaalt Dragt en begint over iets anders. Persoonlijke vragen buigt ze af met boekgerelateerde anekdotes die alle kanten uitwaaieren. Soms is het moeilijk haar grillige gedachten te volgen. ‘Wil je weten hoe ik als tekenjuf was? Nou, lees De Zevensprong maar. Meester Frans van der Steg, dat ben ik.’ Maar hij is toch een man? Ja natuurlijk, maar daar gaat het niet om. Over mannen gesproken: is het toeval dat al haar personages jongens zijn? Dragt, die haar levenlang vrijgezel is gebleven: ‘Zou je deze vraag ook gesteld hebben als ik een man was? Nou dan!’

Maar wie haar vraagt naar de verjaardag van haar hoofdpersonen, kan op een direct antwoord rekenen. Over haar personages weet ze meer dan ze in haar boeken kwijt kan, heeft ze meermalen in interviews verteld. Tiuri? ‘21 februari. Hij was zestien in De brief voor de koning en moest zeventien zijn in het vervolg Gehei­men van het Wilde Woud, dat boek begint in maart.’ Edu Jansen, de planeetonderzoeker uit Toren­hoog en mijlen breed? ‘23 september.’ En willen we de verjaardag van Piak niet weten, Tiuri’s trouwe schildknaap? ‘Die is op midzomernacht geboren, dus 21 juni.’

Hella Haasse

De lege bitterballenschaal wordt vervangen door een volle, er wordt nieuwe koffie besteld en plots wordt Dragt wat opener. Ze wil toch wel iets vertellen over haar Indische jeugd. In snelle zinnen, op de haar typerende, lispelende manier van spreken, rijgen de herinneringen zich aaneen. Over de Nassauschool aan de Besoekiweg in Batavia die ze met haar zusjes bezocht: wisten we dat Barack Obama er later ook op heeft gezeten? ‘Ik vraag me af of hij op de fiets naar huis ook met losse handen de berg afroetsjte,’ peinst ze. En over het kratermeertje in de Preanger dat Hella Haasse in Oeroeg beschreef: ‘Tijdens vakanties trokken we de bergen in naar Poentjak of Sitoe Goe­noeng om de hitte te ontvluchten. Dat meertje, dat in Oeroeg Telaga Hideung wordt genoemd – het Zwarte Meer – heette in werkelijkheid Telaga Warna: Meer van Kleuren. De takken van de waringinboom wierpen schaduwen over het water. Als je in de diepte keek, zag je de prachtigste kleuren. Volgens de legende had een prinses ooit haar juwelen in het water laten vallen.’

Tonke Dragt met haar moeder
Gelukkige Indische kindertijd, in 1933 met haar moeder. Fotocredit: Privéarchief Tonke Dragt

Het zijn die wouden uit haar jeugd die telkens opduiken in haar boeken. In Geheimen van het Wilde Woud begeven de personages zich door een ondoordringbaar oerbos met kruipplanten en kreupelhout. En in Torenhoog en mijlen breed, dat zich afspeelt op Venus, zijn goudgloeiende wouden. De reusachtige boomkruinen lijken in brand te staan en het is er warm en vochtig. Ondanks de gevaren die er dreigen, spreekt uit Dragts natuurbeschrijvingen een verlangen naar het Javaanse groen van haar kinderjaren.

Tonke Dragt
Ook in 1933, op bezoek in Nederland.
Begin- en eindzin

Een paar maanden later, als er flink wat hoofdstukken van ons boek naar Den Haag zijn gestuurd en in versierde enveloppen, voorzien van gedetailleerd commentaar in karakteristieke hanenpoten zijn geretourneerd, is het zover: we worden binnengevraagd in Dragts woning. Of eigenlijk vragen we onszelf binnen, omdat we graag het poppenhuis willen zien waarin ze de Januaraanse Ambassade heeft nagebouwd – zo weet Dragt precies welke deur naar binnen opengaat en welke naar buiten.

Huize Dragt is een dubbelhuis. De schrijfster woont boven en werkt op de begane grond. Het werkhuis houdt het midden tussen een museum en een uitdragerij. De muren zijn tot in het toilet behangen met tekeningen, briefjes, ansichtkaarten, landkaarten en werkschema’s. In de gang staat het poppenhuis. ‘Nog niet af, nog niet af,’ zegt Dragt en wijst op ruimtes die nog moeten worden ingericht. Er staat vooral veel wél, vinden wij. Gouden bedden, staartklokken waar Dragt zelf de wijzers vanaf heeft gepeuterd, piepkleine schilderijtjes, Perzische tapijten, schatkisten, telefooncellen. Op zolder is een sterrenkundig observatorium met minicomputers. In de ijskast woont een pinguïn.

Iets verderop is de werkkamer: één bureau om aan te schrijven, één om collages aan te maken, de illustratietechniek die ze in haar laatste boeken toepast. Op de grond dozen en wankele stapels boeken. Alsof ze midden in een verhuizing zit. Maar zoals Dragt haar boeken kent alsof ze ze gisteren schreef, zo weet ze feilloos de weg tussen haar spullen. Sinds in 1992 haar laatste boek Aan de andere kant van de deur verscheen, wordt haar gevraagd naar het vervolg, De weg naar de cel. Acht hoofdstukken schreef ze tot nu toe. ‘De collages voor het boek zijn af,’ zegt Dragt, ‘de beginzin staat al jaren vast: “Buiten sneeuwde het.”’ Ze zwijgt, grinnikt even. ‘De laatste zin trouwens ook: “Buiten sneeuwde het nog steeds.”’ Of De weg naar de cel er ooit komt? Dragt verliest zich in een monoloog over bezoeken aan oogartsen, stijve spieren, de drukproef van een herdruk die moet worden gecorrigeerd. Als de mensen haar nu eens met rúst lieten…

Dat gaan we doen, maar we willen nog één ding weten. Veel van haar personages zijn adolescenten, van dezelfde leeftijd als Dragt toen ze tijdens de bezetting in het kamp geïnterneerd zat, beginnen we. Dragt zwijgt. Het lijkt of ze zich terugtrekt in zichzelf. Wat willen de interviewers nu eigenlijk zeggen? Nou, dat er wel geschreven is dat Dragts schrijverschap drijft op escapisme. Dat in het kamp, waar geen jongens waren om verliefd op te worden en school verboden was, het leven tot stilstand was gekomen en de echte wereld zich achter het hek bevond. Alleen in de verhalen in haar hoofd kon de jonge Tonke ontsnappen en bestond er geen prikkeldraad. Die periode zou zo bepalend zijn geweest dat ze er in haar verhalen altijd weer naar terugkeert.

Toch?

Dragt recht haar gebogen gestalte, in haar lichtblauwe ogen verschijnt een felle blik: niks toch. De mensen beweren zoveel, dat wil niet zeggen dat het waar is.

Word abonnee vanaf € 4,99 Sluit je aan
X
Sluit je aan bij VN en lees door
Sluit je aan en lees door
Je hebt deze maand drie artikelen gratis kunnen lezen.
Sluit je aan om onbeperkt toegang te krijgen tot vn.nl.
Je hebt deze maand drie artikelen gratis kunnen lezen. Sluit je aan om onbeperkt toegang te krijgen tot vn.nl.
Digitaal abonnement
Toegang tot alle artikelen op vn.nl
Maandblad via app en Blendle
Korting op evenementen

Advertentie

Advertentie