portret
Toen Dylan Thomas’ woeste en losbandige leven na negenendertig jaar tijdens een tournee door Amerika voortijdig in alcohol smoorde, schreef de schijnbaar kalme en beheerste Amerikaanse dichteres Elizabeth Bishop, ongeveer zijn poëtische tegenpool, in een brief: ‘De eerste keer dat ik Dylan ontmoette… zelfs na hem drie of vier uur te kennen, gaf hij me een angstig en depressief gevoel. Toch vond ik hem tegelijkertijd geweldig sympathiek.’
Er zullen er meer zijn geweest die deze Dionysus van de twintigste eeuw zo ten grave droegen, als een betreurde arme held, iemand van wie je wel moest houden hoe vreselijk hij zich ook misdroeg. Arme Dylan, een heuse knuffeldichter voor zielen in de jaren vijftig en zestig die zich ook verloren waanden.
Maar wat is er honderd jaar na zijn geboorte nog van hem over? Oh, er is heus nog het boothuis in Laugharne, Wales, waar Dylan Thomas met zijn ruïneuze echtgenote Caitlin woonde, er is een Dylan Thomas Centrum in zijn geboorteplaats Swansea, je kunt er een Dylan Thomas wandeling maken en een poster kopen met zijn beroemdste gedicht erop: ‘Do not go gentle into that good night’, er komt zelfs binnenkort een film over hem uit: Set Fire to the Stars. Maar lezen we hem nog, of is hij doodgeknuffeld als icoon voor popmuzikanten uit de jaren zestig, John Lennon die hem per se als enige echte dichter op de hoes van Sgt. Peppers Lonely Hearts Club Band wilde, Bob Dylan die zijn voornaam voor eigen gebruik plukte? Trouwens, Stravinsky schreef een In memoriam Dylan Thomas. Een dichter voor musici.
voordrachtskunstenaar
In 2005 namen Menno Wigman en ik in onze bloemlezing A Thing of Beauty zegge en schrijve één gedicht van Dylan Thomas op, uit beleefdheid en omdat we op niet veel anders konden komen z’n bekendste natuurlijk, de villanelle ‘Do not go gentle into that good night’. Ook Engelse bloemlezingen lijken enigszins in verlegenheid. Ik checkte er vier die ik in mijn kast heb staan op Thomas’ aanwezigheid en het ziet er naar uit dat hij met zo’n vier, vijf gedichten bezig is over te blijven, overal dus ‘Do not go gentle into that good night’, vergezeld van ‘The force that through the green fuse drives the flower’ en ‘Fern Hill’ (vorig jaar nog door prins Charles voorgedragen op Poetry Day), een paar doen er nog ‘The hand that signed the paper’ en ‘A Refusal to Mourn the Death, by Fire, of A Child in London’ bij, altijd weer die.
Zo’n dichter van wie het werk in de loop der jaar zo smal geworden is fossiliseert, Dylan Thomas’ oeuvre is roerloos aan het worden. Het is, dat weet ik wel bijna zeker, te romantisch voor onze tijd, te weinig nuchter, te heftig en te woordenrijk. Door het grootste deel van zijn oeuvre ploeg je alleen maar om begoocheld te worden door de ronkende, retorische taal, maar wat het allemaal moge betekenen blijft duister. Dylan Thomas is een grotendeels cryptische dichter. Soberder generatiegenoten als W.H. Auden en Philip Larkin hebben hem met hun scherpe, kritische parlando gedichten qua populariteit ingehaald en afgezet.
En nog iets: Dylan Thomas was een voordrachtskunstenaar, je moest hem meemaken. Zijn grootste triomfen vierde hij op een ouderwets medium waar hij een wekelijkse poëzierubriek bijhield: ‘Zijn betoverende stem kluisterde wekelijks massa’s mensen aan de radio,’ beweert Wikipedia. Het was de tijd waarin bij ons Albert Vogel nog gedichten van anderen voordroeg: sonoor en gedragen.
Ooggetuige Philip Larkin beschrijft een avondje Dylan Thomas: ‘Een klein, ongelikt, hopeloos kwaadaardig mannetje dat honderden grappen maakte en parodieën van iedereen las met bijbehorende stemmetjes. Hij zei: “Ik zou graag iets zeggen over een bundel die ik moet bespreken, een jonge dichter genaamd Rupert Brooke – verbazingwekkend hoe hij is beïnvloed door Stephen Spender…” er was een moment van blije verbazing, dan brullen van het lachen. Daarna las hij een parodie op Spender getiteld “De parachutist”, de mensen rolden over de vloer. Zo bleef-ie de hele avond bezig, parodieën van iedereen behalve Lawrence – en las tenslotte twee gedichten van zichzelf die erg goed leken.’
overgeven in de haard
Het lijkt erop dat Dylan Thomas de angst van zijn moeder dat zijn naam op z’n Welsh zou worden uitgesproken als ‘dullun’, the dull one, succesvol bestreden heeft. Hij is de meest besproken en omstreden dichter van de twintigste eeuw, een volbloed bohémien, poète maudit, dronkenlap, rokkenjager. De engelachtige krullenbol die als puber de aandacht trok door met donkere bariton gedichten van eigen en andermans makelij voor te dragen, was op het laatst van zijn leven veranderd in een vadsig, roodhoofdig drankorgel. Biografieën over hem, ik tel er een stuk of vijftig, lezen onveranderd als een imposante lijst van wangedragingen, orgieën, seksschandalen en deconfitures. In veel opzichten gedroeg hij zich als een popster avant la lettre, en de belangstelling uit dat wereldje voor de ontaarde dichter is dan ook niet zo gek.
Een onuitstaanbaar ventje als je het zo leest: veelal dronken, en dan her en der kotsend en pissend, geld lenend en niet terugbetalend, de clown uithangend, knopen in z’n neus stoppend, zijn gastheren beledigend of hun vrouwen versierend, een pathologische leugenaar en fabulant, en dat alles ook nog eens omdat hij zo wílde zijn, een poseur: vervloekte dichter. Scènes als deze: ‘Het voorlezen verliep vlekkeloos, maar toen Dylan klaar was moest hij overgeven in de open haard.’ Als je zijn levensverhaal leest, zijn dichters van nu, zeker in Nederland, maar duffe klerken, brave huisvaders, ideale schoonzoons.
vuurwerk met woorden
Als dichter was Dylan Thomas een soort instinctieve natuurkracht, precies zoals hij het beschrijft in een van zijn bekendste en ook vroegste gedichten, het orgastische ‘The force that through the green fuse drives the flower’, in de nieuwe vertaling van Cornelis W. Schoneveld, die de boel meer ambachtelijk dan lyrisch vertaalde: ‘De kracht die door groen lont de bloem kan sturen / Stuurt mijn groentijd; die bomenwortels breekt / Zal mij eens ruimen.’ ‘Lont’, ik vind het niet erg fraai maar ergens past het wel bij Dylan Thomas, zijn werk is op z’n best aanstekelijk, maar lijkt nog veel vaker ontstoken. Betekenis en symboliek vond hij niet belangrijk, het ging hem om de woorden zelf. ‘Het enige wat ik weet, is dat het memorabele woorden-in-cadans zijn, die mij innerlijk in beweging brengen en ontroeren. En, als je daarachter bent gekomen en weet hoe je ermee om moet gaan, is het altijd beter om ze hardop voor te lezen of voor te dragen, dan ze in stilte aan je ogen te laten passeren. Altijd!’ Een waar voorvader van de orale poëzie, het publieke optreden, de slam poetry.
Lang niet aan iedereen is dit soort luidruchtige, woordenrijke dichtkunst besteed. Seamus Heaney beschreef Dylan Thomas’ gedichten als ‘fallocentrische, kortgesloten slagwerkpoëzie’ en dat was niet vleiend bedoeld. Het geeft denk ik goed aan waar Thomas’ poëzie momenteel staat, al blijft hij ook de auteur van een paar weergaloze gedichten, maar het denkwerk erin is gering, filosofisch en psychologisch stelt het niet veel voor, het is vooral vuurwerk met woorden.
Je kunt maar beter zijn korte verhalen lezen, vooral de vroege, net als zijn gedichten lyrisch en in gedragen taal gezet, maar tegelijkertijd verontrustend en fascinerend, zoals ‘De brandende baby’, een verhaal dat Thomas’ tijdgenoten nauwelijks konden verteren, over een dominee die de bij zijn dochter verwekte baby op de brandstapel offert: ‘Arm vlees, zei Rhys Rhys, terwijl hij aan de dode hei en gaspeldoorn stond te plukken. Arme engel, zei hij tegen het luisterende babymondje. De vrucht van het vlees valt met de worm uit de boom. Bij het verwekken van de worm verschrompelt de bast. Daar lag de arme gevallen ster van vlees, als een parel vrouwenmelk uit de tepels van een wormstekige boom.’ Een nachtmerrie uit een soort oer-Wales, waarin Dylan Thomas’ getormenteerde fantasie beter tot z’n recht komt dan in zijn nogal eens geposeerde gedichten. Zijn latere verhalen zijn vooral autobiografisch en realistisch, zoals zijn tot op de dag van vandaag opgevoerde radiospel Under Milk Wood, over de alledaagse belevenissen in een oud Welsh vissersplaatsje. En ‘Oude Garbo’ waarin Thomas een journalist beschrijft die na zijn werk beschonken raakt in een kroeg: ‘De deinende heuvel naar mijn ouderlijk huis klom tot in de hemel. Er was niemand meer op. Ik kroop op handen en voeten naar mijn woeste bed en alle behangmeren liepen in elkaar over en verzwolgen me.’ Een raak zelfportret, onmiskenbaar.
Dylan Thomas, ‘Gedichten’, vertaald door Cornelis W. Schoneveld, Prominent, 160 p., € 19,95.
Dylan Thomas, ‘Verhalen’, vertaald door Bert Meelker, Prominent, 204 p., € 19,95.
Karel Wasch, ‘Zolang als voor altijd is. Het leven van Dylan Thomas (1914-1953)’, Prominent, 174 p., € 19,95.
VN Bladwijzers Clooney leest Thomas
Het gedicht ‘And Death Shall Have No Dominion’ wordt door George Clooney voorgelezen in de slotscène van ‘Solaris’ (2002). Zijn personage reflecteert hier op het weerzien met zijn overleden vrouw, een wonder mogelijk gemaakt door een buitenaardse levensvorm die zo tevergeefs met de mens probeert te communiceren.
Beat generation
Het overlijden van Dylan Thomas viel samen met de opkomst van een nieuwe generatie dichters en schrijvers in Amerika. Kunstenaars als Allen Ginsberg en William S. Burroughs maakten deel uit van een stroming die later bekend zou worden als de ‘Beat Generation’. Ze waren net als Thomas opstandig en losbandig. James Franco speelt Allen Ginsberg in ‘Howl’ (2010) en draagt het gelijknamige gedicht voor waarmee Ginsberg beroemd werd. Ga naar
vn.nl/dylanthomas
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.