De circa driehonderd Nederlandse jongeren in de Markthallen in Amersfoort krijgen de hartelijke groeten van ‘de Amerikaansche jeugd’, vertelt prediker Douglas Fisher. De aanwezigen op de inspirerende ‘rally’ van Youth for Christ op 6 oktober 1946 hebben dan al geluisterd naar een gebed door de bekende Nederlandse evangelist Johannes de Heer en een lied van de Amerikaanse ‘zangleider’ Don Devos. Nu spreekt reverend Fisher over een ‘machtige geestelijke opwekking’ die in de Verenigde Staten plaatsvindt. En wat zijn jeugdige publiek vooral moet weten: Christus is er ook voor ‘Jong Nederland’, zegt hij, Christus is er ‘voor de geheele wereld’.
‘Geheim’ staat er met onderstreepte hoofdletters boven het uitgetikte verslag. De Centrale Veiligheidsdienst (CVD, voorganger van de BVD, later AIVD) stuurt het naar de ministers van Binnenlandse Zaken, Justitie en Onderwijs persoonlijk. Ook vijf grootstedelijke politiecommissarissen, de commissaris van de Koningin in Utrecht en de Generale Staf ontvangen een exemplaar. Zouden de excellenties echt geïnteresseerd zijn geweest in de preek van dominee Spencer de Jong over de melaatse jongeling uit het Evangelie van Marcus?
Het belang van de apostel Paulus
Geheime diensten worden opgericht om staatsondermijnende activiteiten op te sporen en tegen te gaan. Nu we leven in een tijd van terroristische aanslagen door moslimextremisten is het begrijpelijk dat autoriteiten zich een nauwkeurig beeld willen vormen van allerlei religieuze fanatici. Maar kort na de Tweede Wereldoorlog hield de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) in Nederland ook al allerlei religieuze groeperingen in de gaten. Dat blijkt uit vrijgegeven geheime archiefstukken die door de Stichting Argus onlangs op internet zijn gezet. Vrij Nederland bestudeerde de documenten en verbaasde zich over de schijnbaar onschuldige activiteiten waarover de diensten zich in die dagen druk maakten.
Ze waren volkomen in de ban van dominee De Jong, kleuren van spanning op de gezichten en een tinteling in de ogen.
In sommige gevallen lag het wantrouwen van de geheime dienst wel voor de hand. Zo kwamen van buitenlandse diensten berichten dat de Russisch-orthodoxe kerk buiten het moederland misbruikt werd als dekmantel voor spionnen uit de Sovjet-Unie. ‘Parijs’ meldde dat een ‘lid van het inlichtingennet’ van die kerk uit Frankrijk in februari 1948 in Amsterdam ‘een persoon’ uit Londen ontmoette. Die betaalde hij 120 Britse ponden voor ‘een massa in de Engelse taal geschreven documenten’, waarover ‘Moskou’ vervolgens een rapport ontving. Via de Amsterdamse politie en de hotelregistratie achterhaalde de BVD de namen van twee Russen die in die periode inderdaad in de hoofdstad verbleven. Het leek de dienst dan ook ‘wenselijk’ een dossier ‘Russische Kerk in het Buitenland’ aan te leggen.
Maar in de meeste gevallen bogen de geheim agenten zich helemaal niet over gevaarlijke internationale complotten. In september 1946 ontving de CVD een bericht uit het leger over de mts-leerling Frederik Jacobs die ‘op religieus-humanistische gronden’ weigerde in militaire dienst te gaan. Een netelige kwestie voor een regering die op dat moment troepen stuurde naar het opstandige Indonesië. Kritiek op het Nederlandse Indiëbeleid was in die dagen een belangrijk aandachtspunt van de diensten, terwijl antimilitarisme altijd al als suspect werd beschouwd. De jongen achtte zich ook als hij militair zou zijn, gebonden aan het christelijke gebod ‘Gij zult niet dooden’. Uit een ‘verhoor’ bleek dat Jacobs in Haarlem ‘godsdienstonderwijs’ volgde bij dominee Annee de Jong van het ‘Open Religieus Genootschap’. Die adviseerde hem dienst te weigeren.
Voor de CVD was dat voldoende reden om een dossier te openen over het genootschap. Luitenant-kolonel J.G. Crabbendam, hoofd ‘Bureau B’ van de dienst, gelastte een ‘discreet onderzoek’ naar ‘een zekere dominee de Jong’. Opvallend hierbij is het gebrek aan kennis bij de CVD, want De Jong was een tamelijk bekende ‘christensocialist’ die tijdens de Eerste Wereldoorlog al in de gevangenis belandde als gevolg van zijn pacifistische denkbeelden. In Leeuwarden nam hij het bij de verkiezingen voor een Tweede Kamerzetel zelfs op tegen SDAP-leider Troelstra. De Haarlemse politie noemde De Jong in een eerste rapportje dan ook ‘sterk links georiënteerd en anti-militairist’, hoewel geen lid van de communistische CPN. Niet gebleken was dat hij dienstplichtigen zou ‘aansporen’ dienst te weigeren.
De proef op de som volgde in juli 1948 toen De Jong een tweedaagse ‘Ronde tafel samenkomst’ organiseerde in de Kroonzaal van Café Brinkman aan de Grote Markt in Haarlem. Tussen de tweehonderd toehoorders zat een informant die minutieus en kleurrijk verslag deed. Hij beschreef een slechtziende wiskundige uit Delft die sprak ‘nadat eerst weer een lied werd gekweeld’. De spreker wekte de indruk ‘steeds binnenpretjes’ te hebben, stond met een krijtje ingewikkelde schema’s ‘op een bord te kalken’ terwijl steeds minder toeschouwers zijn redeneringen konden volgen. Toch was ‘het geheel erg amusant en heeft niemand zich verveeld’.
Van de bijdrage van Annee de Jong zelf was de inlichtingenman het meest onder de indruk. Die sprak over het belang van de apostel Paulus voor onze tijd. En dat deed hij ‘met grote intensiteit’ alsof hij het ‘er in wilde hameren’. Het publiek hing aan de dominees lippen en was na afloop doodstil: ‘Ze waren volkomen in de ban van Ds. De Jong, kleuren van spanning op de meeste gezichten en ook de tinteling nog in de ogen, die een mens vaak heeft, wanneer hij pas uit de bioscoop komt, waar hij een zeer boeiende film heeft gezien.’
De Rozenkruisers
Inlichtingenexpert Constant Hijzen, die aan de Universiteit Leiden een proefschrift schrijft over de geschiedenis van de Nederlandse veiligheidsdiensten tussen 1912 en 1992 (de voorlopers van de huidige AIVD), noemt de dossiers ‘interessant materiaal’. Hij vertelt dat Nederland door de oorlogservaringen na de bevrijding grotere diensten oprichtte dan de vooroorlogse Centrale Inlichtingendienst. Die nieuwe diensten verzamelden aanvankelijk informatie ‘over een wel heel breed scala’ aan organisaties. ‘Mijn beeld is dat men daar later wel wat kritischer op werd, deels vanwege de beperkte capaciteit,’ aldus Hijzen.
Dat CVD en BVD ook religieuze groeperingen in de gaten hielden, was wel bekend, maar de details erover zijn volgens Hijzen nieuw. ‘De taak van de diensten was om spionage door vreemde mogendheden tegen te gaan, maar daarnaast om de democratische rechtsorde te beschermen. Het in de gaten houden van dit soort groeperingen viel vooral onder dat laatste. We weten bijvoorbeeld wel al dat de diensten ook de vredesbeweging nauwlettend volgden. Op zichzelf werden dergelijke organisaties niet gezien als gevaarlijk, maar men was in de zich ontwikkelende Koude Oorlog bijvoorbeeld wel bang voor communistische infiltratie. De diensten vreesden dat leden van zulke groepen ideologieën gingen aanhangen die de democratische rechtsorde zouden ondermijnen.’
Opvallend hierbij was de rol van de plaatselijke inlichtingendiensten (PID) in diverse steden die aan Den Haag rapporteerden. Na de oorlog bouwde de BVD voor de strijd tegen politiek extremisme aan een netwerk van dergelijke PID’s (onderdelen van de plaatselijke politiekorpsen) om informatie te vergaren uit het land en ook om de eigen medewerkers te ontlasten. Zo viel het de Inlichtingendienst Beverwijk op dat het Rozenkruisersgenootschap in 1950 in de communistische krant De Waarheid adverteerde. Dat ‘gaf ons op politieke grond te denken’ en dus trachtten de agenten inlichtingen in te winnen, aldus een eerste rapport. Ze vernamen dat de Rozenkruisers ook in Beverwijk actief waren en achtten ‘het tijdstip aangebroken’ om dit aan de BVD te melden. De ijverige geheim agenten slaagden er later in om voor een gulden ‘een boekwerk’ te kopen waarin de werkwijze van de Rozenkruisers werd beschreven. Daarin lazen ze dat die ‘zich onthouden van iedere deelname aan politiek, humanisme en economie’, zo schreven ze in hun derde rapport. Een kopie van die passage werd meegezonden naar Den Haag.
Van den duivel
De werking van het inlichtingensysteem kan mooi worden geïllustreerd aan de hand van het dossier van de Zevende-dags Adventisten, tegenwoordig vooral bekend als de geloofsleer van prominente Nederlanders als Marianne Thieme en Antoinette Hertsenberg. De gemeentepolitie in Brunssum stuitte in 1950 op een bijbellezing van ene dominee Mandemaker uit Heerlen in lokaal ‘De Burcht’. Het ging volgens de politie om een ‘nieuwe sekte’, waarover de BVD werd geïnformeerd. Mandemaker zou voor een gehoor van zestien personen hebben afgegeven op ‘het Vaticaan en Amerika’ die ‘hand in hand’ bezig zouden zijn ‘om de overige wereld hun wil op te leggen’. De BVD besloot bij de politie in Heerlen navraag te doen naar de ‘politieke antecedenten’ van de prediker omdat die naar communistische sympathieën zou neigen. Daar in Limburg uitte men ook uit eigen waarneming de vrees dat Harm Mandemaker ‘gevaarlijk’ kon worden ‘voor de openbare orde’.
Omdat de prediker tot voor kort in Amsterdam woonde, vroeg de BVD vervolgens bij de hoofdstedelijke politie na wat er over hem bekend was. Het duurde meer dan een half jaar – en verscheidene herhaalde verzoeken – voordat er antwoord kwam. In Amsterdam bleek men minder ongerust: voordat ze naar het zuiden verhuisden, stond het gezin Mandemaker volgens het vertrouwelijke rapport in de Amsterdamse Indische Buurt als ‘zeer gunstig’ bekend. Na de oorlog was de voormalig sleepbootkapitein Mandemaker voor de sekte van de Adventisten preken gaan houden en doopte hij nieuwe volgelingen in het Sportfondsenbad Oost. Hij las Het Parool, was inderdaad nogal gekant tegen de katholieke kerk, maar voor zover de informanten konden beoordelen was van ‘communistische gezindheid (…) geen sprake’. En zonder commentaar briefte de BVD deze Amsterdamse geruststelling weer door aan Heerlen.
In Heerlen had men het intussen maar druk met rondtrekkende predikers. In 1948 opereerde daar ook ene Tammo Koekoek van de Gemeente des Heeren, ‘een zeer klein aantal godsdienstige dwepers’ die ook in Utrecht en Hoogeveen actief zouden zijn. In die laatste gemeente bleken ze de club inderdaad te kennen. Naast God erkende de plaatselijk prediker geen wereldlijk gezag, ‘want dat gezag is uit en van den duivel’. De plaatselijke politie omschreef het milieu van de aanhangers als ‘uiterst links’ en hanteerde daarvoor een opmerkelijke bewijsvoering: de politie arresteerde ‘een persoon’ met een vuurwapen die net als zijn broer lid bleek van de CPN. En ‘hun ouders bleken geregeld de samenkomsten der Gemeentje des Heeren te bezoeken’. Dit keer kwamen uit Utrecht sussende woorden. Er is daar inderdaad ‘een kerkje’ maar van ‘onregelmatigheden of fanatieke handelingen’ was ‘nimmer iets gebleken’.

Adellijke aliassen
Rondtrekkende predikers doen denken aan de extremistische moslims van vandaag die jongeren zouden ronselen voor terroristische netwerken of de strijd in Syrië. Ook meteen na de oorlog maakte de BVD zich al zorgen om ‘Islam-propaganda in Nederland’, zoals het dossier heette. Een trigger was opnieuw een berichtje in De Waarheid over ‘twee donkere mannen’ uit India die in 1947 in Den Haag arriveerden omdat ze meenden ‘dat veel Nederlanders voor hun geloof ontvankelijk zijn’. Communistische sympathieën kwamen de medewerkers van de geheime dienst niet tegen, maar de aandacht werd wel gewekt voor de ‘Moslim Missie’ in Nederland die in Amsterdam een moskee zou willen bouwen. Leider bleek ene El Mehdi Abderrachman Koppe, een bekeerling die oorspronkelijk gewoon Paul Julius heette. Koppe stond bekend als een ‘ijverig’ en ‘rustig’ persoon die zich ‘niet inliet met enigerlei politieke beweging’. Toch wilde een hyperactieve BVD het naadje van de kous weten, bezochten inlichtingenmedewerkers bijeenkomsten van de organisatie en kreeg Koppe een ‘geheime signalering’, zodat reizen naar het buitenland werden gemeld.
Een rapporteur viel het op dat een groep wetenschappers zich “zeer afzijdig hield” van de andere.
Politieke smoking guns werden niet gevonden. Wel leidden de naspeuringen tot taferelen die niet zouden misstaan in de roddelbladen: in 1951 bleek Koppe mee te gaan met ene Justina Groot Herzog op haar reis naar Marokko. ‘Juffrouw’ Herzog verwachtte een buitenechtelijk kind van een Arabier die ze daar hoopte terug te vinden, zei ze. Koppe was mee omdat hij Arabisch sprak en de man tot een huwelijk zou kunnen bewegen. ‘Van dit roerende verhaal van naasteliefde geloof ik op het eerste gezicht niet veel,’ concludeerde een medewerker van de dienst. Uiteindelijk leek Koppe vooral slachtoffer in het drama. Volgens de BVD bleek Herzog een ‘louche’ fantaste die net als haar ‘kamenier’ allerlei adellijke aliassen aannam en onder die dekmantels diamanten en goud smokkelde.
Loos alarm
Losse flodders genoeg in de BVD-dossiers over religieuze genootschappen. Maar het meest opmerkelijke is nog wel dat de geheime dienst zich niet beperkte tot buitenlandse religies of merkwaardige sekten. Zelfs de volstrekt mainstream en toch wel zeer brave Nederlands-hervormde kerk bleek de aandacht te wekken van de spionnen. Zo volgden zij in 1949 de verwikkelingen van de ‘Utrechtse Kring’ waarin hervormde theologen van naam en faam samenkwamen met katholieke collega’s om over oecumenische samenwerking te praten. Tijdens een ‘excursie’ naar de sterrenwacht in Utrecht viel het een rapporteur op dat een groep wetenschappers zich ‘zeer afzijdig hield’ van de andere.

Groot was de schrik toen in 1951 het geheime bericht binnenkwam dat de synode (het bestuur) van de Nederlands-hervormde kerk een ‘verklaring inzake de bewapeningswedloop’ ging bespreken. Gelukkig zaten in die synode ‘twee van onze mensen’, luidde de toevoeging van de informant. De BVD probeerde snel te achterhalen wie er verder allemaal lid waren van de ‘Generale Synode’ en lichtte de doopceel van tientallen predikanten. Ze vonden een dominee Oskam die als ‘anti-militair’ in de kaartenbak figureerde en een dominee Brouwer die in 1947 ‘voorstander’ van de Republiek Indonesië was. En er was een dominee Van den Brink die voor de gemeenteraadsvergadering in 1949 de kandidatenlijst van de CPN had ondertekend.
Maar het bleek allemaal loos alarm. De hervormde synode vergaderde die dag helemaal niet. Het ging om ‘een conferentie’ van 27 oud-leden van de Protestantse Jongeren Club Indonesië. Of daar dan wél een verklaring over bewapening werd besproken, vraagt een BVD’er zich af in een krabbeltje in de kantlijn. In oktober verscheen een nieuw rapportje: de vergadering in conferentieoord Woudschoten in Zeist – een brochure van de locatie was in het dossier gevoegd: ‘alle slaapkamers en -zalen zijn centraal verwarmd en voorzien van vaste wastafels en stromend water’– was een reünie van uit Indië teruggekeerde hervormde jeugdwerkers. Die moesten weer integreren in het Nederlandse jongerenwerk van de hervormde kerk. ‘Enig politiek of anti-militaristisch doel was hieraan vreemd.’ De BVD concludeerde maar weer eens: ‘Het lijkt momenteel niet geraden of noodzakelijk, dieper op deze aangelegenheid in te gaan.’
Kolonel Crab
Als spil in de onderzoeken naar religieuze groeperingen komt uit de dossiers van de BVD Johann Gottlieb Crabbendam naar voren – in veel opzichten een fascinerend figuur. Crabbendam was in die jaren hoofd van ‘Bureau B’, dat zich moest bezighouden met ‘de in- en uitwendige veiligheid van den Staat’, en speurde met zijn medewerkers in de praktijk naar allerlei vormen van ‘politiek extremisme’. Dat had de politieman ook al gedaan in het begin van de Duitse bezetting. Als hoofd van het Haagse ‘Documentatiecentrum’ maakte hij jacht op verzetsgroepen, waaronder communisten. Maar omdat hij pro-Engels en tegen de NSB was, belandde Crabbendam in 1941 bij de Haagse politie op een zijspoor. En zo mocht hij na de bevrijding de arrestatie van NSB-leider Anton Mussert leiden (zie de foto op pagina 33) en kreeg hij een hoge functie bij de BVD, zonder bij de naoorlogse zuiveringen zelf te zijn aangeklaagd.
Fascinerend is Crabbendam ook omdat hij zeer actief was in de theosofische beweging, een esoterische stroming die Helena Blavatsky navolgde. In dezelfde jaren dat hij voor de BVD allerlei religieuze bewegingen binnenstebuiten keerde, komen we hem tegen als voorzitter van bijeenkomsten van het Theosofisch Genootschap. Zo maakte kolonel ‘Crab’, zoals hij genoemd werd, met andere leden van de broederschap een reis naar geestverwanten in de Verenigde Staten.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.