Op zijn achternaam had Theo van Gogh het niet zo. Maar hij was ‘hoer genoeg’ (zijn eigen woorden) om er gebruik van te maken wanneer het uitkomt.
In een recalcitrante bui wilde Theo van Gogh nog weleens voor het Van Gogh Museum gaan staan. ‘Geef me mijn schilderijen terug!’ riep hij dan. Het haalde weinig uit. In 1962 had zijn opa – het neefje van Vincent – de collectie van meer dan 200 schilderijen, 550 tekeningen en een omvangrijke correspondentie voor een bedrag van 15 miljoen gulden aan de Nederlandse staat verkocht. Voorwaarde: de staat moest de collectie bij elkaar houden en zorgdragen voor een museum. Zo zou iedereen van de kunstwerken kunnen genieten. 15 miljoen gulden was natuurlijk niet niks – in de huidige tijd zou het neerkomen op zo’n 42,5 miljoen euro. Aan de andere kant: alleen al Van Goghs schilderij Laboureur dans un champ werd onlangs nog voor bijna 70 miljoen euro verkocht. Had de opa van Theo een paar van zulke schilderijtjes voor de familie behouden, dan had Theo niet eindeloos bij fondsen hoeven te leuren om zijn films te kunnen maken. Maar dat had opa helaas niet gedaan – ‘uit een verkeerd begrepen gemeenschapsideaal,’ zoals Theo vaak opmerkte, niet zonder gevoel voor dramatiek. ‘En ik mag mij dus met recht een der laatste authentieke slachtoffers van de sociaaldemocratie noemen.’
Het is de vraag in hoeverre Theo van Gogh zijn geklaag over het misgelopen kapitaal écht meende. Hij had namelijk een ingewikkelde relatie tot zijn bijzondere familieachtergrond gehad. Net als veel andere kinderen met een beroemde achternaam duurde het een poosje voordat hij zich daartoe kon verhouden op een manier die bij hem paste. Lange tijd wilde hij juist zo weinig mogelijk te maken hebben met ‘de Van Gogh-biz’, zoals hij die noemde. Toen hij er als jongetje achter kwam dat hij familie was van de wereldberoemde schilder, hield hij plotseling niet meer van tekenen, en op school weigerde hij voortaan zijn best te doen voor dit vak. ‘Ik ben de enige tekenleraar die ooit een Van Gogh een vijf voor tekenen heeft gegeven,’ vertelde Theo’s voormalige middelbare-schooldocent mij, niet zonder trots. Later, toen Theo zich begon te profileren als anarchistische filmmaker, deed hij er alles aan om te bewijzen dat hij op eigen kracht de top kon halen – dus zonder gebruik te maken van het familiekapitaal, dat er wel degelijk was. En hoewel het zijn droom was om in de Verenigde Staten door te breken, wimpelde hij interesse van Amerikaanse producenten vriendelijk af als hem duidelijk werd dat die interesse vooral was ingegeven door zijn beroemde achternaam.
Hij wilde tegenover het Van Gogh Museum het Theo van Gogh Museum.
Maar naarmate hij bekender werd, nam Theo’s principiële houding omtrent zijn achternaam af. ‘Ik ben hoer genoeg om er gebruik van te maken als het zo uitkomt,’ zei hij in een interview uit 1989. Wel deed hij dit op een geheel eigen, onconventionele manier. Zo nam hij een lp op met de hilarische titel Leen uw oor aan Van Gogh.
In 1999 aanvaardde hij bovendien het verzoek om als bekende nazaat van Vincent een toespraak te houden bij de opening van de nieuwe vleugel van het Van Gogh Museum. Koningin Beatrix zou de opening verrichten, en de mogelijkheid om op een dergelijk podium eens flink om zich heen te schoppen kon hij niet laten lopen. Toch zou hij de speech nooit uitspreken: toen de toenmalige museumdirecteur de tekst onder ogen kreeg, met verwijzingen naar het Horst-Wessellied dat tijdens de verloving van Beatrix’ ouders geklonken zou hebben, wist hij niet hoe snel hij Theo van het programma moest verwijderen. De koningin zou in het openbaar waarschijnlijk nooit zó beledigd zijn. Een jaar later, in 2000, leek Theo het ultieme middel te hebben gevonden om op een aanvaardbare wijze gebruik te maken van zijn afkomst. Hij probeerde het pand tegenover het Van Gogh Museum te huren om er zijn eigen museum te stichten: het Theo van Gogh Museum. Hij verkneukelde zich alleen al bij de gedachte aan de vele Japanse en Amerikaanse toeristen die er nietsvermoedend zouden binnengaan. Pas nadat ze een kaartje hadden gekocht, zouden de bezoekers langzaam in de gaten krijgen dat ze niet de wereldberoemde schilderijen van Vincent, maar een film van Theo van Gogh te zien zouden krijgen. En dan ging de deur dicht, zodat de toeristen de film van begin tot eind zouden moeten uitzitten. Maar het plan liep op niets uit. Het lukte Theo niet om het bewuste pand te huren, ondanks een vrij serieuze opzet en begroting voor het museum. Jammer. Het was de perfecte manier geweest om zijn naam te gelde te maken, zonder zijn eigen rebelse imago geweld aan te doen.
Jaap Cohen is de biograaf van Theo van Gogh. In Vrij Nederland doet hij verslag van zijn naspeuringen. Dit is de laatste aflevering. De vorige afleveringen vind je hier.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.