De beroemde VN-rubriek Terzijde bestaat niet meer (zie hier eentje uit 1979). De maker, Toon Verhoeven, beëindigde vorige week zijn bijdrage met: Dag lezer, dag leeuw, dag plek. Met die eenvoudige woorden kwam niet alleen een eind aan een rubriek die al sinds 1968 door hemzelf werd gevuld, maar – nog bijzonderder – óók aan een naoorlogse traditie van humor in krant en weekblad.

Een editie van Vrij Nederland uit 1979, met helemaal rechts de befaamde rubriek Terzijde.

In 1945, toen de uiterst saaie jaren van voedseldistributie, koude slaapkamers en wederopbouw begonnen, had elke krant, om de moed erin te houden, wel een humorist in dienst die in cursieve stukjes vrolijk deed. Vrij Nederland, dat ook nog eens een socialistische boodschap moest verkopen, had er zelfs vier (Carmiggelt, H.B. Fortuyn, Eli Asser, Jan Vrijman). Dat beviel zo goed dat, toen overal in de jaren zestig de humorhonger gestild leek, dit weekblad begon (1960) met een satirische rubriek: Vrij Blijvend, met (veel, venijnige) teksten van H. Brandt Corstius en tekeningen van Peter Vos.

Vijf jaar later, eind 1965, gebeurde het: bij de redactiepost zat een brief van een student uit Nijmegen (A. Verhoeven; psychologie). Hij had een A-viervel volgeschreven met woordspelingen en grappen van één regel (oneliners, heette dat toen), en hij vroeg of er iets bruikbaars bij was.

Het klikte. Vanaf dat moment doken er in de rubriek, die inmiddels Terzijde heette, éénregelige commentaren op, of dingen ‘om over na te denken’.

Terzijde besloeg toen al elke week al één gestrekte krantenkolom, met zo’n dertig grappen per week. En het maken ervan bleef tobben. Peinzen, niks doen, kranten lezen, rondhangen, piekeren. Het leven van de humorist is afzien. Maar daardoor groeide de reputatie van de rubriek: scherpe, politieke humor. (Al in datzelfde jaar, 1968, meldde zich Wim Kan. Hij kocht het recht om voor zijn optredens in het land grappen uit de rubriek te gebruiken.)

‘Als je niet kijkt moet je de tv afzetten.”Ik ga toch ook niet van je scheiden?’

Toon tikte zijn grappen natuurlijk op een oude schrijfmachine (als die kapot was schreef hij ze met de hand) en bracht ze dan op een sukkeldrafje naar de bus net vóór de laatste lichting, en als hij die miste kwam hij de volgende ochtend vroeg met de trein ze zelf, mopperend, brengen. Die goeie, ouwe tijd. ‘Volgend jaar verkleedt Maarten ’t Hart zich als man.’ ‘Veel vrouwen naaien om iets te breien te hebben.’

In 1974 verscheen met veel succes (twee herdrukken) de eerste bundel Terzijde, bij de Arbeiderspers; in 1978 de tweede. Verhoeven bleek in die jaren een meesterlijk aforist. Hij bedacht: ‘Het hebben van kinderen is net zo moeilijk als het hebben van ouders.’ – en mijn dochter hing het meteen boven haar bed. Maar hij schreef ook: ‘Politiek is vaak meer wijsvinger dan wijsheid,’ en verder de onvergetelijke dialoog: ‘Als je niet kijkt moet je de tv afzetten.’ ‘Ik ga toch ook niet van je scheiden?’

(In 1980 verscheen bij uitgeverij Soethoudt, Antwerpen, een boekje (Kerndenkers door Andre Garitte), over Europese aforismen, waarin wordt geconstateerd dat ons land op dat terrein met Toon Verhoeven weer volop kan meedoen.)

Nóg een van zijn meesterlijke specialiteiten: de kleine dialoog, liefst in drie zinnetje, liefst tussen man en vrouw: ‘Dat is een beha van de Hema.’ ‘Hoe weet jij dat nou?’ ‘Je smaakt naar rookworst.’

‘Zonder bril ben je knapper.’ ‘Ik draag geen bril.’ ‘Maar ik wel.’

‘Zonnig weer.’ ‘Hoe weet je dat?’ ‘Kop van Paul Witteman.’

Dat is nu allemaal voorbij. Al zijn Wubbes. (De mooiste vond ik toch: WUBBE: ‘De meest waarschijnlijke verklaring voor de twintig kinderen van Bach lijkt me dat zijn vrouw maar één register had.’ En zijn liefdevolle zorg om Beatrix: ‘Kan Beatrix in het buitenland voor de export niet wat tomaten en komkommers op die hoed doen?’

Toon Verhoeven, die bijna veertig jaar op monumentale wijze terzijde leefde, is met de vut gegaan. Hij zit nu te tobben, piekeren, te peinzen, niks te doen, kranten te lezen, rond te hangen zonder dat de VN-lezer er iets aan heeft.