Uit de speakers van de blinkend witte Range Rover galmt Puccini’s Tosca. Aan het portier slingert een donkerblauw kostuum met krijtstreep en pochet mee met de manoeuvres door het chaotische verkeer van Bagdad. Ondertussen praat dirigent en cellist Karim Wasfi alsof zijn leven ervan afhangt. De verhalen komen in flarden en ze klinken als salvo’s. ‘Muziek houdt me geestelijk gezond, maar niet vanuit een ivoren toren.’ Na een blik opzij waar de Tigris en spitse minaretten in een mist van stof vervagen: ‘Alsof de dag des oordeels nadert.’ Bij de volgende uitspraak slaat zijn hand met de zegelring kortaf op het stuur. ‘Als intellectuelen moeten we net zo extreem handelen als IS, maar dan op beschaafde wijze.’
Veel van mijn kennissen in Bagdad zijn gevlucht en de meeste achterblijvers zijn na decennia van dictatuur en oorlog moe en murw. Apathisch en fatalistisch noemen ze zichzelf vaak. Bij Karim Wasfi is daarvan niets te merken. Ik dacht een serene musicus te treffen, maar in plaats daarvan scheur ik rond met een tornado. Het duizelt me nu al terwijl ons gesprek nog maar net begonnen is.
We zijn onderweg naar de muziek- en balletschool waar de generale repetitie voor een concert plaatsvindt. Vanaf de bloedhete straat schieten foto’s en posters van jonge mannen in uniform voorbij. Ze lieten het leven als shahid, martelaar. Hun aantal is de afgelopen maanden flink toegenomen. Net buiten Bagdad woedt weer in alle hevigheid een oorlog van het Iraakse leger en voornamelijk sjiitische milities tegen IS en soennitische stammen en militairen uit het vroegere bewind van Saddam. In Bagdad wordt niet gevochten, maar het conflict laat wel zijn sporen na. Het aantal aanslagen is weer gestegen, al halen die alleen het buitenlandse nieuws als het om bekende doelwitten of grote aantallen slachtoffers gaat. Even verderop ligt het bekende Crystal Grand Ishtar hotel, waar enkele dagen geleden ondanks de talloze beveiligers nog een autobom ontplofte tijdens een bruiloftsfeest. Ook in het appartementencomplex waar ik logeer sprongen de ruiten. ‘You know the randomness of Iraq,’ zegt Wasfi nonchalant.
Goed voor de ziel
Toen afgelopen april door een aanslag vlakbij zijn huis tien doden en verscheidene gewonden vielen, nam hij een besluit: hij trok een zwart kostuum aan en sjouwde zijn cello naar de plaats des onheils. Hij plaatste het instrument tussen de as en brokstukken, sloot zijn ogen en speelde wat zijn hart hem ingaf: een eigen compositie die Baghdad Mourning Melancholy heet. Agenten die de omgeving onderzochten, staakten hun werk om te luisteren. Mensen kwamen uit de winkels en ook auto’s stopten. Het optreden maakte emoties los bij de omstanders en diezelfde avond improviseerde hij bij kaarslicht en bloemen nog een keer.
Zijn goede vriend Amar al Shabanbar, directeur van het Institute for War and Peace Reporting, was een van de velen die de opnames op internet postte. Ze gingen onmiddellijk de wereld over.
Enkele dagen later liet Wasfi opnieuw zijn cello door de straat klinken. Maar deze keer was Shabander er niet bij. Net als meer dan tien anderen verloor hij het leven bij de aanslag in de drukke winkelstraat Karrada.
Terwijl we hij de auto parkeert, zegt Wasfi: ‘Temidden van puin en destructie breng ik schoonheid. Als de dood onvermijdelijk is, promoot ik het leven.’ In het kantoortje van de ballet- en muziekschool praat hij verder. Cubaanse sigaartjes, Rothschild-sigaretten en zijn thermoskan met koffie op het bureaublad binnen handbereik. Hij strijkt over zijn volle lokken. ‘Wat is het leven? Hoe functioneer je temidden van horror? Het bestaan moet niet alleen doorleven en overleven zijn.’ Wasfi wil mensen wakker schudden, met klanken hun afgestompte gevoel impulsen geven: ‘Muziek heelt wonden, muziek is goed voor de ziel.’ Ook vermindert het verdeeldheid in de samenleving: ‘Door cultuur kunnen mensen zich met elkaar verbinden.’
Bij sommigen wekken zijn openbare optredens argwaan. Er doen spookverhalen over hem de ronde. Hij zou magische bescherming hebben. Hoe kan het dat hij telkens weer opduikt op de verdoemde plekken en ongedeerd blijft? Hij lacht terwijl hij die verzinsels uit de doeken doet. ‘Zelfs over mijn thermoskan gaan geruchten.’
Muziek en dans: haram
In de entree van de school tonen vitrines met zwart-witfoto’s het verleden van het gerenommeerde instituut. Een jongen in korte broek die bij een piano accordeon speelt. Jonge ballerina’s in tutu’s die Het Zwanenmeer dansen. Hij wijst om zich heen in de schemerige, benauwde ruimte met twee vleugels. ‘Hier begon ik cello te spelen toen ik zes jaar was.’
Ook mij is de school vertrouwd. De dochter van de familie bij wie ik tussen 2003 en 2006 regelmatig inwoonde, had er net als andere erudiete Bagdadi’s muziek- en balletles gehad. Voor het gezin was de school een symbool van het oude Bagdad dat de afgelopen jaren zwaar te lijden had gehad, maar dat ze in hun geheugen koesterden.
In het kielzog van Saddam Hoessein kwamen zijn getrouwen naar de stad, inwoners uit Tikrit en omstreken die profiteerden van hun loyaliteit aan de dictator. Ze drongen ook door tot de elitaire muziekschool. Met stads snobisme diepten de familie en andere Bagdadi’s wel eens herinneringen op als ze onder elkaar waren. Ze lachten om hoe de boerenvoeten over de zorgvuldig gewreven parketvloer hadden geboemeld. En dan al dat zogenaamde muzikale talent uit de gelederen van Saddam; hij kon er wel een orkest mee vullen, spotten ze.
Ook de westerse sancties na de inval in Koeweit tastten het instituut aan. Culturele scholing werd een luxe die maar een enkeling zich kon permitteren. Na de val van Saddams bewind in 2003 kreeg de school nieuwe vijanden toen extremistische religieuze groepen westerse muziek en dans haram verklaarden.
Musiceren is gevaarlijk
De orkestleden druppelen binnen. Hun kleding varieert van spijkerbroek met gympen tot net kostuum met glanzende puntschoenen. Bij sommigen glimt gel in de kuiven, bij anderen krullen grijzen haren tot in de nek. Het jongste lid is een violiste van zestien, de oudste een koperblazer van midden zeventig die vroeger in een militaire kapel speelde.
Een fagot zwoegt, een viool klaagt en ook een piano mengt zich in de kakofonie. Maar als Wasfi in de balletzaal verschijnt, wordt de nerveuze drukte ingeruild voor stille concentratie. Hij springt en wiegt op de klanken van een symfonie van Rimsky-Korsakov. Als hij praat, zijn de gebaren van de forse maestro theatraal, op het pompeuze af zelfs, maar hier, temidden van die sfeer van overgave, zijn ze op hun plaats. De spiegels van de balletzaal vermenigvuldigen het tafereel. De vier airco’s brengen nauwelijks verkoeling. Onder grote hilariteit zwaait hij al snel zijn stropdas van zich af. Zijn drijfnatte lichtblauwe overhemd verruilt hij voor een zwart shirt.
Triomfantelijk komt Wasfi na afloop terug op zijn thema: de kracht van muziek. Hij knikt in de richting van de orkestleden en zegt: ‘Zie je het verschil tussen de afgematte gezichten waarmee ze binnenkwamen en hun energie van nu?’
Met horten en stoten overleefde het symfonieorkest, dat in 1944 voor het eerst optrad, afgelopen ongewisse jaren. Een musicus verloor het leven bij een aanslag, anderen vertrokken naar het buitenland, al keerden sommigen ook weer terug. Ondanks de burgeroorlog van 2005 tot eind 2007, die verdeeldheid zaaide, telt het negentigkoppige orkest Assyriërs, Turkmenen, Koerden, christenen, soennieten en sjiieten. ‘Het is een goed voorbeeld van hoe Irak kan zijn,’ zegt Wasfi. Er waren periodes zonder optredens of tijden dat een concert om veiligheidsredenen onaangekondigd bleef. En nog altijd is musiceren niet ongevaarlijk. De 28-jarige ingenieur Ali vertelt dat hij niemand op zijn werk of in zijn buurt laat weten dat hij drie keer per week viool speelt. Toen een collega onlangs opmerkte dat hij Ali had zien optreden op tv, verborg hij zijn trots en zei: ‘Welnee, je vergist je.’
Een Steinway op straat
Het liefst praat Wasfi over muziek als medicijn voor een getraumatiseerde samenleving en als daad van verzet tegen de verlammende terreur, maar af en toe buitelt er een anekdote door het gesprek. Zoals die over het internationale concert vijf jaar geleden door een jonge Amerikaanse pianist in de groene zone, waar buitenlanders en Iraakse vips woonden. De vleugel moest van elders komen. En dus reed er tot stomme verbazing van de bewoners van Bagdad een Steinway onder escorte door Bagdads doolhof van betonnen muren. Wasfi lacht wrang: ‘Van militaire colonnes kijken mensen niet op, maar van een vleugel wel.’ Het duurde enkele uren om de groene zone te bereiken en het was al na middernacht toen het instrument eindelijk langs alle controleposten van het zwaarbewaakte terrein was geloodst. ‘Een autobom was makkelijker te vervoeren.’
Tussen zijn betoog, telefoontjes en plannen voor nieuwe optredens door ontfutsel ik de 43-jarige musicus informatie over zijn eigen achtergrond. Hij werd geboren in Caïro. Zijn vader was een beroemd Iraaks acteur en zijn Egyptische moeder was concertpianiste en chemicus. In de jaren zeventig verhuisde het gezin naar Irak. Hij kreeg er muziekles van Russische leraren. In 1990 vertrok hij naar de Verenigde Staten voor verdere muziekstudie en behaalde ook een master in de politicologie. Na de invasie van 2003 keerde hij terug naar Bagdad. Zijn vrouw en twee dochters kwamen met hem mee, maar inmiddels wonen ze weer in Virginia. Hij is Amerikaans staatsburger en de familie verklaart hem voor gek dat hij in Bagdad blijft, maar hij piekert er niet over zijn campagne voor muziek als alternatief voor barbarij op te geven.
Beschaving
In de lauwe avondlucht dromt publiek op het bordes van het Nationale Theater waar het concert plaatsvindt. De sponsor blijkt een bedrijf dat gepantserde fourwheeldrives verkoopt. Op de balie, naast de programmaboekjes, prijst een stapeltje brochures de wagens aan. Er staat ‘VIP’ op het portier en er zit een barretje tussen de fauteuils.
De musici drentelen rond. De film is nog niet afgelopen en sommige collega’s zitten nog vast in het verkeer. Drie kwartier later dan aangekondigd klinkt Nikolaj Rimsky-Korsakov door de vrijwel volle zaal.
Bij de Iraakse compositie Heimwee verschijnen zakdoekjes. Ook mijn Iraakse gezelschap pinkt een traantje weg. De melancholieke klanken maken verdriet los – om dierbaren die er niet meer zijn, om een stad die veel van zijn trotse cultuur kwijtraakte en waarschijnlijk om nog veel meer dat zich niet in een korte pauze tussen twee muziekstukken laat vertellen.
Tientallen bezoekers blijven hangen als de laatste tonen van Beethovens Vijfde Symfonie weggestorven zijn. De forse gestalte van Wasfi verdwijnt achter een kring van fans. Als een popster laat hij zich met hen fotograferen en geeft en passant ook interviews.
‘Wij Irakezen hebben nog beschaving,’ concludeert hij enkele dagen later aan een tafeltje langs de oever van de Tigris. Het duurt niet lang of het gesprek wordt onderbroken omdat de ene na de andere bekende aanschuift. Even doet Wasfi nog een poging ons gesprek gaande te houden. Hij wijst naar de overkant van de rivier waar lichtjes sprookjesachtig beginnen te flonkeren terwijl het donker valt. ‘Daar speelde ik als jochie Bach op het orgel.’ Voor het eerst klinkt de energieke maestro weemoedig.
Deze reportage kwam mede tot stand dankzij een bijdrage van het Postcode Loterij Fonds/Free Press Unlimited.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.