De titel van Tomas Lieskes jongste dichtbundel Hoe je geliefde te herkennen, klinkt ironisch, in de trant van Zelf kamperen (Reve). Ook de begeleidende tekst lijken we niet al te serieus te moeten nemen: ‘Deze zeer praktische handleiding laat zien hoe het ultieme ook voor u binnen handbereik komt.’ Maar de verpakking mag er vrijblijvend uitzien, de inhoud is dwingend, de schrijver moet een ei kwijt, hij heeft een duidelijke boodschap. En die boodschap klinkt behoudend, restauratief, het oude was beter.

Je proeft het aan de hele toon van de bundel, psalmodiërend soms, breed gebarend, prekerig zelfs hier en daar. Je proeft het ook aan wat er allemaal níét in voorkomt, geen verwijzingen naar de zegeningen van onze tijd, technologie, televisie, internet. Daarentegen bepalen de natuur en de cultuur van vroeger Lieskes beeldenwereld. Namen als Asmodee en Azazel verwijzen ons naar de concordantie en er staan anti-democratische sermoenen in namens gezagdragers als kardinaal Simonis, minister Donner, koningin Beatrix. En tenslotte komt de dichter er ook nog eens rond voor uit dat vroeger hem beter bevalt dan tegenwoordig. In ‘Een horlogemaker tot de verwarde onderdelen’ spreekt een oude dictator onverbloemd zijn hunkering uit naar oude waarden en een tijd waarin hij het nog voor het zeggen had:

Ach, kleine, rotte krengen, herstel de oude tijd.

Slinger naar mijn wens,

balanceer onder mijn loep,

schommel tot mijn genoegen,

en grijp.

Elders keert de spreker zich zelfs expliciet tegen de tijdgeest, niet een bepaalde tijdgeest maar de tijdgeest an sich. Nee, het eeuwige papier is zijn terrein: ‘Ik ben de tegenhanger van Sartre en Copernicus. Ik ontken / alle zwaarmoedigheid, het daglicht en de tijd. Ik ben van papier en inkt.’ Schrijven als ongeëngageerd, per definitie onmodern bedrijf.

Het zijn niet zomaar wat oudemannenverlangens van iemand die de wereld om zich heen ongrijpbaar ziet veranderen. De dichter probeert, tegen de tijdsdruk in, ook zoveel mogelijk te genieten van het voorbije, van het ‘kolenbrandersgeloof’ van zijn moeder tot een ‘plotseling opgekomen lied van Salomo’ en ja, zijn gedichten hebben wel iets van hoogliederen, liefdesliederen der terugkeer.

Neem het merkwaardige ‘De otter tot zichzelf’, over een otter die zijn habitat verlaat, kennelijk een nieuw leven tegemoet, naar een toekomst waar ‘een onbekende moeder en een otterfamilie, reeds gestorven / en uitgeroeid, aanmoedigend met de sterke staarten staan te zwaaien’. Oftewel, een otter blijft een otter, emancipatie bevrijdt je niet van je achtergrond, je komt altijd aan waar je vandaan komt.

Met dit bericht probeert Lieske als het ware de tirannie van tijd en vooruitgang te ontmantelen en de eeuwige kracht der verbeelding weer op de troon te zetten. Misschien komen de preken van Simonis (‘tegen de Scheveningse monobaadsters’), Donner (‘tot de snelle fietsers’) en Beatrix (‘tot de papegaaien van Artis’) grappig over maar ik ben ervan overtuigd dat Lieske er een soort bezwaren tegen de geest der eeuw in ventileert, tegen het ‘krijsend, kleurrijk tuig’ dat in opperste democratie onze wereld bevolkt.

Twee keer staat er in Hoe je geliefde te herkennen een gedicht waarin een vergoddelijkte man optreedt. In ‘Ontdekken dat je te laat bent’ komt hij als een oude Zeus van alles en nog wat bevruchten. In ‘Een god die heenging’, niet toevallig het laatste gedicht, wordt hem daarentegen de toegang door de vrouw des huizes geweigerd. Voortaan mag ze, tot haar macht maar ook tot haar straf, overal nee tegen zeggen. ‘Nee tegen de intieme heupen. / Nee tegen alle jankende liefkozing. / Nee tegen het bezopen hart.’

Het lijkt het lot van de dichter zelf, die zich verzet tegen de gemakkelijke verleiding, tegen de sterren die ons uitzicht bepalen, tegen de begeerde vergoddelijking, tegen ‘De wereld van Marilyn’:

Wij kwamen door alles wat gebeurd was langzaam

in een nieuwe wereld terecht, een

helle wereld,

ongelooflijk veel wijder. Dit, zei de

roeier die voor mij

zat, naar zijn hoofd greep maar

moeite had met het heffen

van zijn hand, is de wereld van

Marilyn Monroe

en we verlaten de wereld van

bijvoorbeeld Beatrix.

We doen goed alle breedgerande

hoeden te ruilen

voor jurken, zo strak dat zij erin

genaaid moet worden.

Fuck it! We keken lange tijd naar de

wolken

die van kleur verschoten en wij

knikten, roeiden verder.

Want wie wil in godsnaam met

Beatrix naar bed

en wie wil niet met Marilyn van

alles?

Het zijn juist zulke populistische, voordehandliggende dromen van Jan en alleman die deze dichter afschrikken. ‘Ik was nooit in trek’ schrijft hij ergens en ‘de bast van belang is verweekt vergeleken met wat je ervan verwacht’. Oftewel, het echt belangrijke dreigt het steeds af te leggen tegen mode en schone schijn.

Zo schrijft Lieske hier interessante programma-poëzie uit het post-Fortuyn-tijdperk. Nu maar afwachten of er eens iemand naar luistert.

Tomas Lieske, Hoe je geliefde te herkennen, Querido, 50 pagina’s, € 16,95