Ik groeide op aan het water. In de winter speelde ik ijshockey met mijn buurjongens en -meisjes. In de zomer zochten we met snorkels naar schelpjes op de bodem van de voormalige Zuiderzee. Op het talud, het gezamenlijk stukje grond waar onze tuinen aan grensden, speelden we verstoppertje achter dunne boompjes. We bouwden een museum van planken waarin we dode vissen tentoonstelden en kleipijpjes die ooit van vissers waren geweest. We fantaseerden dat ze schipbreuk hadden geleden, precies op de plek waar onze huizen stonden.

In 1980 verhuisden mijn ouders vanuit Amsterdam naar Almere, twee jaar voordat hun eerste kind, mijn broer, geboren zou worden. Drie jaar later volgde ik. ‘We waren eindtwintigers. We wilden jullie niet in de stad laten opgroeien, maar op een plek waar je kon ravotten. Niet spelen in een speeltuin, maar in een tuin. Het liefst ergens waar je aan ons toeziend oog kon ontsnappen,’ zegt mijn vader Erik Wilke.

Als student planologie schreef hij in 1979 zijn afstudeerscriptie bij het Projektburo Almere (ja, in jarenzeventigspelling), dat in 1973 was opgericht. Het was een club jonge honden: planologen, sociologen, economen, stedenbouwkundigen die vers van de universiteit kwamen. De Rijksdienst IJsselmeerpolder (RIJP) had behoefte aan frisse ideeën en bovendien was de klus die er lag veel te groot voor het bestaande team. En dus kregen mijn vader en zijn collega’s de taak het ontwerp voor de nieuwe stad Almere te maken. Met kennis uit de studieboeken en een wit vel papier gingen ze aan de slag.

De eerste huizen in het oudste stadsdeel Haven werden gereserveerd voor Amsterdammers die door de stadsvernieuwingsplannen van die gemeente weg wilden, of moesten. En ook voor mensen uit ’t Gooi, aan de andere kant van het Gooimeer. Daarbij was 70 procent bestemd voor sociale woningbouw.

De medewerkers van het Projektburo kwamen niet in aanmerking voor deze woningen. Maar, vol verwachtingen, dromen en idealen over de stad die zijzelf mee vormgaven, wilden ook zij er kunnen wonen. Daarom diende een kleine groep medewerkers, onder wie mijn vader, een voorstel in bij de Rijksdienst. ‘We zeiden: geef ons een stukje land om woningen op te bouwen. De rest doen wij zelf,’ zegt mijn vader terugkijkend. Particulier opdrachtgeverschap is nu populair, maar in die tijd was het nieuw. De Rijksdienst ging overstag en gaf de club ‘een beetje Almere’. De huizen werden gebouwd en de collega’s van mijn vader werden onze buren.

Almere in aanbouw. De eerste bewoners kregen hun sleutel in 1976.

Een hardnekkig beeld

In een half rondje in Almere Haven staan nu, bijna veertig jaar later, nog steeds vijftien houten huizen aan het water. Mijn ouders wonen er nog steeds. De dunne boompjes zijn volle treurwilgen geworden. Het hout van de vijftien huizen is vergrijsd, net als de bewoners. Wij, de buurtkinderen van toen, zijn vrijwel allemaal vertrokken uit Almere.
Dertien jaar geleden verhuisde ik naar Amsterdam om te gaan studeren. Met de bus ging ik elk weekend terug naar huis. Een kort ritje langs Weesp en Muiden, om vervolgens via de Hollandse brug het oude voor het nieuwe land te verruilen. De brug die mijn moeder een benauwd gevoel gaf wanneer zij in de beginjaren vanuit de bewoonde wereld de kale vlakte in reed, gaf mij juist een veilig, vertrouwd gevoel. Met dichtgeknepen ogen kon ik tussen mijn wimpers door, langs het Gooimeer met de talloze zeilbootjes, in de verte Almere Haven zien liggen.

In de jaren die volgden, had ik een actief studentenleven en langzaamaan begon ik me meer los te weken van thuis en Almere. Ik werd Amsterdammer. Maar iets bleef mij achtervolgen.

Mijn medestudenten en ik vroegen elkaar het hemd van het lijf als nieuwkomers in de grote stad. ‘Hoeveel betaal jij voor je kamer?’, ‘Op welke markt heb jij je fietsslot gekocht?’ En standaard: ‘Waar kom je eigenlijk vandaan?’ Al gauw leerde ik: vertellen dat ik uit Almere kwam, leverde me alleen een meewarige blik op en een kanonnade (voor)oordelen, die ik vervolgens probeerde te pareren. Almere als saaie, aangeharkte slaapstad bleek een hardnekkig beeld.

Toppunt was het moment dat een docente op de universiteit mij complimenteerde met mijn prestatie om ‘uit Almere te komen en toch te studeren’. Neerbuigend doen over Almere bleek gemeengoed te zijn in het wereldje waarin ik in Amsterdam terecht was gekomen. En ook in de rest van Nederland: in 2008 werd Almere verkozen tot lelijkste plek van het land en jarenlang scoorde de stad laag op de woonaantrekkelijkheidsindex. Toch bleef Almere in mijn ogen de ideale stad. Waarom zag niemand dat?

Aan het water bij het ouderlijk huis van Liane rond 1989.

Neem je moeder mee

Inmiddels is er veel veranderd. In het tweede kwartaal van vorig jaar stegen de Almeerse huizenprijzen met 16 procent. Bij Funda was Almere de populairste zoekbestemming. En Omroep Flevoland meldde dat de meeste nieuwe Almeerders uit Amsterdam komen. Hè? Almere opeens een geliefde woonplek? Wat is er aan de hand?

Volgens mij ligt het antwoord in het ontwerp van de stad. Het plan voor Almere is geslaagd en meer dan ooit relevant. Over de ideeën achter de stad praat ik met mijn oude buren, die destijds aan de tekentafel zaten. Hoe is Almere als stad geworden wat ze is? En ik praat met Almeerders die nu aan het roer staan. Hoe gaat het eigenlijk met de stad? Is het tij echt aan het keren?

‘Je kunt het je nu haast niet voorstellen, maar Amsterdam leek in de jaren zeventig wel op Ierland in 1910, de verpaupering, mensen zaten boven op elkaar,’ vertelt mijn oude buurman Jan de Vletter mij.

De Vletter is een van de mannen van het eerste uur. Vanuit het scheikundelokaal op mijn middelbare school in het centrum van Almere Haven keek ik uit op een grote muurschildering die de zijwand van het tegenoverliggende theater bekleedde. De Vletter stond er – tussen andere godfathers en –mothers van Almere – op afgebeeld. De stijl deed vermoeden dat de kunstenaar ze wilde portretteren als de ontdekkingsreizigers van de twintigste eeuw.

Neerbuigend doen over Almere bleek gemeengoed te zijn in het wereldje waarin ik in Amsterdam terecht was gekomen. En ook in de rest van Nederland.Jarenlang hield De Vletter zich bezig met het Almeerse woonbeleid. Eerst als hoofd van de afdeling Woonruimteverdeling bij het Projektburo, later als directeur van de eerste woningbouwvereniging en in de gemeenteraad voor D66. We blikken terug op die jaren.

Het Amsterdamse gemeentebestuur was volop bezig met de stadsvernieuwing en Almere diende als een van de overloopgemeentes: daar konden mensen naartoe die noodgedwongen in te kleine woningen zaten. In die periode kregen ruim vijftienduizend Amsterdammers voorrang op een woning in Almere. De eerste bewoners kregen hun sleutel in 1976. Maar naast deze groep kwamen er ook – en dat was minder bekend – duizenden aanvragen van mensen die zelf naar Almere wilde verhuizen. Aan De Vletter destijds de taak om het woonbeleid voor al die nieuwkomers vorm te geven. ‘Onze filosofie was: in Almere moest je goed kunnen wonen, ongeacht je inkomen,’ zegt De Vletter. Diversiteit en differentiatie waren de kernwoorden. ‘We wilden voorkomen dat er hier alleen maar jonge gezinnen met hoge inkomens naartoe zouden komen. Onze promotieslogan was: Kom naar Almere en neem je moeder mee. Amsterdamse collega’s vonden het een schande: je neemt die oudjes toch niet mee de zandvlakte op?’

De mensen van het Projektburo bedachten ‘kangaroe-huizen’ – huizen met een aanleunwoning, voor gezinnen met een opa of oma. Ook waren er woningen voor ouders met gehandicapte kinderen, waar de kinderen ook later konden blijven wonen. En dat alles het liefst zoveel mogelijk gebouwd tussen ‘normale’ huizen.

Sociale huurwoningen verrezen op plekken met spectaculair uitzicht over het water. Later kwamen er goedkope kavels die ervoor moesten zorgen dat iedereen de kans kreeg huisbezitter te worden.

Liane in de tuin rond 1989.

Een huis met een tuintje

‘In die begintijd deden de Amsterdammers al neerbuigend over Almere,’ vertelt Henk Kuiper. Hij werkte in de jaren zeventig als assistent planoloog bij het Projektburo en ook hij woonde zo’n twintig jaar naast mijn ouders. Als kind plukte ik vroeger – al dan niet met zijn instemming – appels uit zijn tuin. ‘Die Amsterdammers vonden dat het geld waarmee Almere gebouwd werd beter in bestaande steden geïnvesteerd had kunnen worden,’ zegt Kuiper. Ze vonden het suburbane ideaal dat in Almere werd verwezenlijkt gelijk staan aan truttigheid en saaiheid. Een schril contrast met de gezelligheid en het avontuur dat doorgaans met steden geassocieerd wordt. Kuiper had daar niets mee: ‘Elitegedrag vond ik dat. Het is natuurlijk makkelijk praten als je niet driehoog achter woont maar in een mooi huis aan de gracht. Het is toch logisch dat mensen een huis met een tuintje willen?’

Zijn collega De Vletter deed onderzoek naar wie de Amsterdammers waren die uit eigen beweging naar Almere wilden komen. Wat bleek? Het waren met name de kinderen – inmiddels twintigers en dertigers – van de oorspronkelijke bewoners van de Amsterdamse westelijke tuinsteden Bos en Lommer, Slotermeer, Geuzenveld, Slotervaart, Overtoomse Veld en Osdorp. Die oorspronkelijke bewoners waren op hun beurt uit de overvolle binnenstad weggetrokken.

De westelijke tuinsteden waren na de Tweede Wereldoorlog gebouwd als stadsuitbreiding voor Amsterdam en hadden, net als later in Almere, veel groen tussen de bebouwing. Wonen met rust en ruimte aan de rand van de stad. Maar eind jaren zeventig raakten de westelijke tuinsteden verloederd en de tweede generatie tuinstedelingen vertrok, met hetzelfde ideaal als hun ouders vlak na de oorlog, maar dan naar Almere.

Afmaling zuidelijk Flevoland, 1967.

Grenzen aan de groei

De roep om een nieuwe stad met een ander soort stedenbouw werd niet alleen ingegeven door de staat van Amsterdam, maar ook door het rapport Grenzen aan de Groei van de Club van Rome, een groep Amerikaanse wetenschappers. Dit rapport dat in 1972 uitkwam, had wereldwijd enorme impact. Voor het eerst werd het verband gelegd tussen het constante streven naar economische groei en de negatieve consequenties daarvan voor het milieu.

‘We zouden met z’n allen naar de verdoemenis gaan als we niet wat beter op de natuur zouden letten,’ zegt Anita Lantermans, ook een van mijn oude buren. In 1973 kwam ze vlak na haar studie bouwkunde aan de TU Delft als stedenbouwkundige naar Almere. ‘Grenzen aan de Groei zette ook bij ons op het Projektburo de zaken op scherp,’ zegt ze. ‘We waren bezig een visie op de toekomstige maatschappij te ontwikkelen. Hoe zou onze samenleving gaan veranderen? En wat betekende dat dan voor een nieuwe stad als Almere?’

Lantermans en haar collega’s zochten naar een nieuwe richting voor stedenbouw die ruimte liet aan de natuur, die door economische motieven gedreven groei op een natuurlijke manier aan banden zou leggen en de mens als maat der dingen nam; de zogenoemde ‘humane stedenbouw’.

Ze vonden het antwoord in het ideaal van de tuinstad, dat was ontwikkeld door de invloedrijke Britse stedenbouwkundige Ebenezer Howard. Hij werd gedreven door de armoede begin twintigste eeuw in grote Britse industriesteden en streefde ernaar om de arbeidersmisère door een nieuwe vorm van stedenbouw te verlichten. Hij stelde dat de omvang van een stad vooraf moest worden bepaald door het omringende groengebied. Hiermee wilde Howard de onstuimige groei van steden, die in het nadeel van mens en natuur uitpakte, een halt toeroepen. ‘We benaderden Almere als landschap waarin gewoond moest kunnen worden. Iedereen moest op maximaal vijf minuten fietsen van de natuur wonen.’ Op het Projektburo waren ze het eens: dit moest het worden.
En zo gingen ze aan de slag. In het landschap werden woonkernen ingetekend: Haven, Stad en Buiten, van elkaar gescheiden door uitgestrekte groengebieden. En zo gebeurde het dat ik, twintig jaar na de aanleg van Almere, tijdens mijn middelbareschooljaren samen met mijn vrienden in het pikkedonker door bossen fietste. Voorbij slapende zwanen en langs het verlaten strandje om ons vervolgens, aangekomen op de Grote Markt in Almere Stad, te laven aan mierzoete mixdrankjes.

Volgens het adagium van stedenbouwkundige Howard werd bij de ontwikkeling van Almere gestreefd naar the best of both worlds. Het beste van de stad (werkgelegenheid, voorzieningen, cultuur) gecombineerd met het beste van het platteland (ruimte, groen, rust, afwezigheid van misdaad en narigheid). Anders dan het beeld van veel Amsterdammers moest Almere dus zeker geen saaie suburb worden, maar óók geen stad als Amsterdam met grootstedelijke ambities.

Almere moest vooral een menselijke, sociale stad worden die interactie stimuleerde in plaats van anonimiteit te creëren. Zo woonden veel van mijn vrienden en vriendinnen in hofjes: hun tuinen grensden aan een gezamenlijk buurtplein. Dat leende zich uitstekend voor buurtrivaliteit tussen de verschillende hofjes en mondde regelmatig uit in oorlogje spelen.

1970: het nagenoeg lege Flevoland met opgebracht zand voor de ontwikkeling van Almere Haven.

Het werd voller

Maar de idealen van toen raakten uit het zicht. Sinds ik in 2004 vertrok uit Almere, verdubbelde het aantal stadsdelen. Almere Hout, Pampus en Poort vulden Haven, Stad en Buiten aan. Sommige nieuwe wijken waren al in de oorspronkelijke plannen voorzien, maar andere nieuwbouw ging ten koste van de groengebieden. De groei ging razendsnel. Een groot bord langs de inkomende snelweg gaf digitaal elke nieuwgeborene weer. Het gejuich steeg nog net niet op uit de huizen toen we de 150.000 inwoners aantikten, maar er hing wel een jubelstemming. De groei leek niet te stoppen. Het werd voller in Almere, ik zag hoe in een groengebied de wijk Tussen de Vaarten verrees, waardoor de kernen Buiten en Stad aan elkaar groeiden. De grote sportvelden waar we met school gymden, maakten plaats voor een woonwijk.

De groene longen werden aangetast. Het deed de ‘oude’ Almeerders pijn: ‘‘Wij hebben elk grassprietje uit de grond gekeken. Als dat verdwijnt, dan doet je dat wat.’‘De eerste tien jaar van de 21ste eeuw werden de economische hoogtijdagen van de stad,’ vertelt Mark Pol, mijn oud-klasgenoot op de middelbare school, tegenwoordig VVD-wethouder Economische Zaken. ‘Het geld klotste tegen de plinten op. De gemeente was voortvarend in die jaren. Wat we bouwden, werd verkocht, zo simpel was het. Of het nou bedrijven of woningen waren. Terwijl de eisen die er werden gesteld en de grondprijzen die we vroegen echt niet mals waren.’

Lianes broer en vader achter het huis rond 1989.

Papieren werkelijkheid

Mijn oude buren maakten zich zorgen. De papieren werkelijkheid bleek niet houdbaar: de vooraf bepaalde omvang van de stad kon de drang tot groei niet remmen. De buitengrenzen van Almere lagen muurvast en dus moest de stad naar binnen groeien. Gevolg: de groene longen werden aangetast. Het deed de ‘oude’ Almeerders pijn: ‘Wij hebben elk grassprietje uit de grond gekeken. Als dat achteloos verdwijnt, dan doet je dat wat,’ zegt mijn vader. ‘Bovendien,’ vult Anita Lantermans aan, ‘waren de mensen niet naar Almere gekomen voor een dichtgegroeide stad.’

Het idealisme uit de jaren zeventig leek plaats te maken voor economische groei. Steen levert immers meer op dan groen. Pol: ‘Het waren niet alleen financiële motieven die de groei stimuleerden. De visie was in de jaren 2000 ook echt: Almere moet een grote stad worden. Op het Stadhuis wilde men zelfs de tegenhanger van Amsterdam worden. Zo kon je in die tijd ook denken, omdat we het geld hadden.’

Niet alleen het groen kwam onder druk te staan, de groei van het inwoneraantal bracht ook grootstedelijke problemen met zich mee. Almere raakte uit de door Ebenezer Howard bepleite balans: wel problemen als criminaliteit, verrommeling en mensen die langs elkaar heen leven, geen bruisend stadshart, gezellig nachtleven of culturele sector van enige omvang. ‘Bij het Projektburo probeerden we álles te plannen. Maar niet alles is voorspel- en maakbaar, zo bleek. Met deze enorme, snelle groei hadden we geen rekening kúnnen houden,’ zegt oud-buurman Kuiper. ‘Ik hoopte dat Almere de tijd zou krijgen om op adem te komen. Om weer tot zichzelf te komen.’ Maar Almere leek vlees noch vis te worden. Geen suburb, maar ook net geen complete stad. Het kwam het imago van de stad niet ten goede.

PTT-telefooncel in Almere Haven.

Tijd voor zelfreflectie

De economische crisis markeerde een kantelpunt. Almere – de bouwstad – werd hard geraakt. De dure, door de gemeente bouwklaar gemaakte grond, bleek onverkoopbaar. ‘Er moest een pas op de plaats worden gemaakt,’ zegt Boris Buffing, planoloog en programmadirecteur van Visie Almere 2.0. Het was tijd voor zelfreflectie.

‘Het besef kwam dat het plan van het Projektburo, de blauwdruk voor de stad, eigenlijk heel goed was. Toenmalig PvdA-wethouder Ruimtelijke Ordening en Wonen Adri Duijvesteijn had daar grote invloed op. We wilden weer uitgaan van de onderscheidende kracht van Almere, ons groene karakter. Daar gaan we nu dus heel zorgvuldig mee om,’ beaamt Buffing. Ook nam Almere afscheid van het idee te concurreren met Amsterdam. Buffing: ‘Tegenwoordig geen competitie meer, we kijken hoe we elkaar het best kunnen aanvullen.’

Wethouder Pol onderschrijft die visie: ‘We zijn onderdeel van de metropool regio Amsterdam. Het zou waanzin zijn om hier een tweede Concertgebouw of Rijksmuseum neer te zetten, wanneer je die op twintig minuten afstand al hebt. Het is heel Nederlands om zo kleinschalig te denken. Leg maar eens aan Chinezen uit dat Almere geen onderdeel is van de Amsterdamse regio.’ Buffing: ‘We hebben niet meer de ambitie een complete stad te zijn. We weten waar we waarde kunnen toevoegen. En dat is het allerbelangrijkst.’

En er is nog iets veranderd. In Almere, waar altijd alles nieuw werd gebouwd, is de laatste ontwikkeling dat gebouwen hergebruikt worden. De oude sporthal waar Pol en ik vroeger aan de ringen hingen, moest tegen de vlakte, want: ‘oud’. De wethouder greep in en elementen van de oude gymzaal werden alsnog gebruikt in het nieuwe ontwerp. ‘Wanneer we vroeger ontevreden waren over een gebouw, gooiden we het tegen de grond,’ zegt Pol. ‘Nu proberen we te houden wat er is. Niet alleen om financiële redenen, maar ook omdat we aan historisch besef willen werken in een pioniersstad als Almere. Je moet blijvende herinneringen kunnen opbouwen in je stad.’

Niet voor niets deed Almere in 2017 voor het eerst mee aan Open Monumentendag.

Satellietopname van Almere in 1999: er werd gestreefd naar het beste van de stad gecombineerd met het beste van het platteland.

Amsterdam als cadeautje

Voor mij is het duidelijk: Almere heeft opnieuw gekozen voor de plannen die ooit op het Projektburo bedacht zijn. De vraagstukken voor de steden van de toekomst lijken verdacht veel op de vraagstukken waar mijn oude buren zich in de jaren zeventig mee bezighielden. Ook toen stond de leefbaarheid in Amsterdam onder druk en werd er gezocht naar manieren voor duurzame, humane stedenbouw. Hoe houden we de kwaliteit van leven in de stad goed? Hoe houden we het betaalbaar? Hoe zorgen we ervoor dat de stad interactie tussen mensen faciliteert? Dat we er gezond oud kunnen worden? Hoe kunnen we steden zo inrichten dat de negatieve consequenties voor het milieu beperkt blijven?

De toekomst van Almere lijkt veelbelovend. Met de nieuwe wijk Oosterwold waar je kunt wonen in tiny houses om je ecologische voetafdruk zo klein mogelijk te houden. Met ReGen Village, waar geëxperimenteerd wordt met vertical farming, om zoveel mogelijk zelfvoorzienend te kunnen leven, met lokaal verbouwde groente en fruit. Met Nobelhorst, waar buurtschap centraal staat; coöperaties van bewoners bezitten samen grond en bepalen samen hoe hun wijk eruit komt te zien.

We proberen te houden wat er is, omdat we aan historisch besef willen werken. Je moet blijvende herinneringen kunnen opbouwen aan je stad.Met de richting die Almere nu kiest, is ze opnieuw een voorloper die antwoorden geeft op hoe een stad in de toekomst eruit kan zien. Een gezonde, sociale stad.
Nee, Almere is geen Amsterdam. Maar het had ook nooit de ambitie om dat te worden. Of, zoals mijn vader het verwoordt: ‘Wanneer je in Almere komt wonen, krijg je Amsterdam er als cadeautje bij.’

Wil straks iedereen dan in Almere wonen? Vast niet. Maar het idee van de tuinstad is anno 2018 meer dan ooit relevant. En aantrekkelijk voor een heleboel mensen. Mijn vrienden, die geen studenten meer zijn maar dertigers, kijken tegenwoordig verder dan de grenzen van Amsterdam.

En geen wonder. Elke dag ondervinden ze de gevolgen van de almaar toenemende drukte: de fietsfiles richting het werk, het gesnauw in de drukke winkelstraten, de oververhitte woningmarkt. En die drukte is een peulenschil bij wat ons nog te wachten staat. ‘Over een jaar of acht zullen we nog weleens terugdenken aan hoe rustig het eigenlijk was in 2017,’ schreef Het Parool vorig jaar. Amsterdam groeit de komende jaren uit tot een echte metropool: steeds voller, steeds anoniemer. Mijn vrienden zoeken naar ruimte, naar betaalbare huizen, naar een tuin waar hun kinderen kunnen spelen.
En, hé, ik weet wel een plek waar dat allemaal al bestaat.

Meer lezen over steden & wonen? Lees hier het artikel van K. Wiekart, die in 1962 (!) zijn visie op de moderne stad uiteenzette: ‘Ontwikkelingen in de stedenbouw zadelen de moderne stad paradoxaal genoeg op met een lading verse tekorten.’