GroenLinks-leider Jesse Klaver belandde op de brandstapel van het groepsgevoel, omdat hij het gewaagd had aan zijn principes vast te houden.

Ik schrijf dit op mijn eerste vaderdag (u leest dit waarschijnlijk een dag later). Buiten mijn werkkamer brandt het helle licht van de zomerse zon, fruitvliegjes omsingelen een tros druiven in een schaaltje naast mijn toetsenbord, ik filosofeer wat over ouder worden en wat er allemaal verandert en vooral ook wat er niet, nooit verandert – sta me even een kleine regressie naar mijn onbedorven jeugd toe.

Onze klasgenoten opteerden voor een compromis tussen verschillende laffe ideeën. 

Op mijn middelbare school vond eens per jaar het Klassentoernooi plaats. De verschillende klassen gingen de competitie met elkaar aan op allerlei kunstzinnige en sportieve gebieden. Sport kon mij gestolen worden, maar bij onderdelen als toneel en muziek droeg ik graag mijn creatieve steentje bij. Ik herinner me een jaar dat we er niet uitkwamen met onze bijdrage aan de toneelcompetitie. Mijn goede vriend Arnout en ik wilden iets extreems, iets onorthodox – onze klasgenoten opteerden voor een compromis tussen verschillende laffe ideeën. Arnout en ik hielden onze poot stijf, tot iemand wanhopig uitkraamde: ‘Jezus, jongens, waar is jullie groepsgevoel?’

Degene die dat riep werkt tegenwoordig, geloof ik, bij een accountancykantoor. Vast en zeker een echte ‘teamspeler’, zoals het in sollicitatiejargon heet.

(Het compromis werd trouwens aangenomen, onze klas verloor jammerlijk – uiteraard. Kunst verdraagt geen compromissen.)

In de jaren daarna werd het voor Arnout en mij een gevleugelde uitdrukking: waar is je groepsgevoel? Als we tijdens de gymles geen zin hadden om ons best te doen voor een of ander achterlijk balspel, en als de sportieve fanatiekelingen uit onze klas daar dan kwaad om werden, zongen Arnout en ik elkaar in koor toe: ‘Ja, inderdaad man, waar is je groepsgevoel?!’ – tot toenemende woede van de anderen.

Verstoting uit de groep

Als ik mijn vroegere ik even op zijn borst mag kloppen: ik vind dit gezond gedrag, zeker voor een puber. Ik leerde daardoor al op jonge leeftijd hoe de maatschappij functioneert: wie het waagt tegen de meerderheid in te gaan, kan klappen verwachten en in het ergste geval excommunicatie.

Ach, in het dagelijks leven heb je er weinig last van. Tot het moment komt waarop je niet om je principes heen kunt. Ik herinner me van mijn eerste baantjes dat zich weleens een onrechtvaardige situatie voordeed op de werkvloer. Daar sprak ik me dan zonder enige remming en hardop over uit, me verzekerd wanend van de steun van collega’s, die dat onrecht immers ook allemaal zagen en verwerpelijk vonden – althans, dat beweerden ze, als de manager even niet in de buurt was. Maar op het moment dat ik mijn bek opentrok tegen de directie, bleven de collega’s stil. De angst voor ontslag – verstoting uit de groep – was sterker dan de principes. Het groepsgevoel schreef op die momenten passiviteit voor, of anders wel beschimping van de dissident.

Zo gaat het overal. Zo gaat het bij afvallige gelovigen, die bespuugd worden door hun voormalige geloofsgenoten omdat ze het groepsgevoel doorbroken hebben. Zo gaat het als je een grote bek hebt over het koningshuis (kom.niet.aan.het.koningshuis!!!) of het Nederlands elftal. Maar óók als je gevalletjes van nationale rouw wenst te bekritiseren, want de dictatuur van het groepsgevoel heerst over uiteenlopende emoties: je mag de feestsfeer niet verpesten, maar de rouwsfeer net zo min.

De meerderheid is laf

Zo gaat het zelfs in die schijnbaar vrijgevochten wereld van individuele stemmen genaamd literatuur. De meerderheid is laf, de meerderheid is niet solidair met de eenling die onrecht aankaart. Flik je het toch om, pak ‘m beet, kritiek te hebben op de redactieleden van De Groene Amsterdammer die elkaar consequent prijsnominaties en jurybaantjes toeschuiven, dan zetten de dictatoren van het groepsgevoel onmiddellijk allerlei drogredenen in om je kritiek onschadelijk te maken. (‘Wat ben je zuur!’, ‘Het is de kift, natuurlijk!’, of misschien nog wel erger: ‘Je gooit je eigen ruiten in’ – groepsdruk vermomd als bezorgdheid.)

Goddank is het in de spelonken van de échte literatuur nog altijd een keurmerk van karakter om een middelvinger druipend van het bloed op te steken tegen de meerderheid.

Goddank is het in de spelonken van de échte literatuur – de kunstvorm bedoel ik, niet de commerciële handelswaar – nog altijd een keurmerk van karakter om niet het voor de hand liggende perspectief te kiezen, maar het afwijkende – om een middelvinger druipend van het bloed op te steken tegen de meerderheid.

Tjeenk ‘Lucifer’ Willink

Ik moest aan dit alles vaak denken, afgelopen week, toen GroenLinks-leider Jesse Klaver op de brandstapel van het groepsgevoel belandde omdat hij het gewaagd had aan zijn principes vast te houden. ‘Teken hier,’ had informateur Tjeenk ‘Lucifer’ Willink op verleidelijk-zangerige toon gelispeld. ‘Een handtekening is genoeg, en wat heb je nu helemaal aan een ziel? Wat kan jou het schelen?’

Het kon Klaver wél schelen, hij tekende niet. En toen werd de dissident vernietigd door de dictatoren van het groepsgevoel.

De moraal in ons land is – onder leiding van de VVD – het slachtoffer geworden van een toenemende juridificatie. Morele overwegingen gaan niet meer over hoe een mens zich tegenover zijn medemens zou moeten gedragen, maar hoe hij zich zo slecht mogelijk kan gedragen binnen de grenzen van het wettelijk toegestane. Het is niet voor niets dat het telkens VVD’ers zijn die in opspraak raken vanwege sjoemelpraktijken. Een van de laatste keren was het de crematieschoft Henry Keizer, die dikke cash had gepakt dankzij een overname die moreel gezien misschien niet helemaal in de haak was, maar echt, hij had keurig binnen de grenzen van het wettelijk toegestane gehandeld.

Het gaat niet meer over hoe een mens zich zou moeten gedragen, maar hoe hij zich zo slecht mogelijk kan gedragen binnen de grenzen van het wettelijk toegestane. 

Het is een puberale geest die door de VVD-moraal heen schemert, de geest van testen hoe ver je kunt gaan bij een docent tot je eruit gestuurd wordt.

‘Fatsoensdeuger!’

Natuurlijk, moraal heeft een slechte naam. Door religie en door politieke correctheid. Moraal klinkt naar dogma’s, maar zelfs in de rechtse kringen waarin een schijnbare antimoraal gepredikt wordt, wemelt het inmiddels van de dogma’s die meuren naar zweetsokken en te lang gekookte spruitjes. ‘Fatsoensdeuger!’ klinkt het dan woedend. Of: ‘Wegkijker!’

Wegkijker, het zal je maar gezegd worden. Dan kun je nog beter een landverrader zijn. De spruitjeslucht beneemt je de adem, het is er niet te harden, daar in het kamp van de rechtse moraalridders. En nu is Jesse Klaver volgens die wanmoraal een lafaard. Iemand die ‘wegloopt’.

Had Klaver pragmatischer moeten zijn? Politiek commentator Martin Sommer beweerde afgelopen zaterdag in de Volkskrant van wel. Wie te principieel is op een gevoelig onderwerp als migratie en vluchtelingenstromen, ‘vráágt om populisme’, schrijft Sommer. ‘Politici moeten in weer en wind over hun schouder kijken of de kiezers er nog zijn.’

Dat mag waar zijn, maar als je altijd naar de meest populaire oplossing zoekt, louter om populisme te voorkomen, bestrijdt je in feite kwaad met kwaad. Je zwicht voor datgene waar je nu juist tegen ageert. En de populisten maken dan alsnog de dienst uit – niet jijzelf.

Als je altijd naar de meest populaire oplossing zoekt, louter om populisme te voorkomen, bestrijdt je in feite kwaad met kwaad.

Ondertussen is het hier in huis nog altijd vaderdag. Ik heb mijn werkkamer verruild voor de keukentafel, zie hoe mijn tweeënhalve maand oude dochtertje op de schoot van haar moeder ligt te slapen. Ze is in deze fase van haar leven nog niet echt geïnteresseerd in leeftijdgenoten, maar de dag zal onvermijdelijk aanbreken dat ze op school tegen haar zeggen: ‘Waar is je groepsgevoel?’

Wat ouders kunnen bereiken met hun opvoeding is misschien beperkt, maar ik hoop dat ik mijn dochter kan bijbrengen dat het soms, heel soms – als een onderwerp er écht toe doet – noodzakelijk is om een middelvinger op te steken naar de groep. De meerderheid heeft nu eenmaal niet altijd gelijk.