Interview bergbeklimmer Wilco van Rooijen

Wilco van Rooijen zit op de bank met een laptop op zijn schoot in een arbeiderswoning niet ver van de Amsterdamsestraatweg in Utrecht. De koffie pruttelt, er staan bloemen op tafel en overal prijken Afrikaanse en boeddhabeelden. In de hoek staat een kinderbox, op een plank erboven staan boeken over de noordpool, de zuidpool en ooggetuigenverslagen van bergbeklimmers, zoals De witte spin van Heinrich Harrer over de beklimming van de noordwand van de Eiger. Van Rooijen zet de laptop op de grond en doet zijn sokken uit. Zijn linkervoet is afgestompt. Aan zijn rechtervoet zitten nog kleine stukjes teen, die hij heen en weer kan wiebelen.

‘Op de berg viel de pijn nog mee, maar toen een helikopter me van de kou op de berg naar veertig graden in Islamabad vloog, wisten mijn voeten niet wat ze meemaakten. Mijn tenen waren zwart, maar het weefsel erachter was gezond. De doktoren wachtten het liefst zo lang mogelijk met amputeren, zodat het lichaam de tenen zelf kon laten afsterven. Dat is een gevecht dat enorm veel pijn doet. Precies op het overgangsgebied tussen dood en levend weefsel: bam! Blaren van tweeënhalve centimeter hoog. Daar stond een spanning op! Niet te harden. Doorprikken mocht niet, vanwege infectiegevaar.’

Bloederige massa

Uiteindelijk werden de blaren toch doorgeprikt, vervolgens moesten zijn tenen wekenlang uitdrogen en mummificeren. Terug in Nederland raadde een traumatoloog hem aan om een paar dagen door de zee te gaan lopen. Het zoute zeewater deed inderdaad wonderen, zegt Van Rooijen. ‘Toen mummificeerde het supersnel, maar ik kreeg wel pijn tússen mijn tenen. De traumatoloog trok mijn gemummificeerde tenen uit elkaar en daar liepen allemaal maden, dikke jongens die je normaal aan je vishengel hangt. Een stuk of tien. Ik zag ze zo onder mijn huid kruipen. Weg ermee, zei ik. Maar de dokter zei: “Nee, die moet je juist laten zitten. Dat is goed. Ze eten het dode weefsel weg.”

Die maden hebben er een weekje gezeten tot ze niets meer te eten hadden. Na een week of vijf raakten mijn tenen geïnfecteerd. Toen moesten ze geamputeerd worden. Na zo’n amputatie blijft een grote rode bloederige massa over. De arts dekte het af met plakplastic, met een slangetje dat aan een pomp vastzit. Die maakt vierentwintig uur per dag zuigende geluiden. Twee keer per week moest die VAC-pomp vervangen worden. De spons die dan in mijn weefsel vastgezogen zat, moesten ze er uittrekken. Het was of mijn voet in een open haard lag – en dan niet eventjes, maar uren lang. Ik slikte alles, morfine, Oxycontine, Oxynorm, Diclofenac en aspirines. Maar het hielp niet, ik moest door de pijn heen. Het enige dat een beetje hielp, was als mijn vrouw mijn voet een beetje masseerde. Dan werd de pijn afgeleid. Uiteindelijk heeft de plastisch chirurg een stukje huid van mijn bovenbeen gehaald en op de wond gezet. Na die operatie was de pijn weg en ben ik abrupt met alle medicijnen gestopt. Dat was afkicken – ik had zes weken aan de morfine gezeten.’

Wilco van Rooijen loopt als een acrobaat op stelten om een kop koffie in te schenken. ‘Je tenen missen, ik zal de laatste zijn die zegt dat het geen invloed op je leven heeft, maar in het licht van wat er verder allemaal gebeurd is, is het peanuts.’

Touwen kwijt

Iedere bergbeklimmer weet dat je niet lang in de death zone, boven de 7500, meter kan blijven. Vierentwintig uur wordt gezien als het absolute maximum. Van Rooijen zat meer dan veertig uur gevangen boven de 8200 meter nabij de top van de K2, een spitse piek die meer dan vijfhonderd meter uittorent boven de omliggende bergen. ‘De luchtdruk is er een derde van de druk op zeeniveau en daar gaat het lichaam op reageren. Zeker in combinatie met het feit dat ik al dertig uur niet meer had gedronken. Het lichaam is dan letterlijk aan het afbreken.’

Tijdens de beklimming was er geen enkele aanwijzing dat het verkeerd zou aflopen. Het weer was perfect. Van Rooijen en zijn teamleden voelden zich goed en de communicatie werkte. ‘Met vier man van ons team haalden we de top: Cas, mijn klimmaat, Gerard, mijn teamlid uit Ierland en Pemba, onze sherpa. Als je die beelden ziet, dat ik op de top zonder handschoenen sta te bellen, met die ondergaande zon, nou dat is echt briljant. Daarna was het een kwestie van gewoon de touwen naar beneden volgen en in een paar uur teruggaan naar kamp vier. Maar in de afdaling konden we de touwen niet meer vinden. Ik was op dat moment samen met Gerard en Marco, een Italiaanse bergreddingsgids van een ander team. Cas en Pemba waren al vooruit. We zochten ons helemaal rot. Ik dacht: “Het touw moet hier liggen. Dat kan niet weg zijn. Als het morgen licht is, vinden we het wel.”‘

De drie maakten een bivouac, een kuil in de sneeuw om te overnachten. Een bivouac maken in de death zone is niet aan te raden. Maar de nacht was perfect, het waaide niet en het was helder. De volgende dag begonnen Van Rooijen en de andere twee klimmers daarom met goede moed. ‘Maar de touwen bleven onvindbaar. Ik dacht niet aan de mogelijkheid dat ze weggeslagen konden zijn. Zoiets was in de klimgeschiedenis van de K2 nooit gebeurd. Ik dacht dat we aan de verkeerde kant van de berg zaten.’

Toen begon Van Rooijen wazig te zien. ‘Ik kreeg mijn ogen niet meer scherp. Alsof je door een beslagen ruit kijkt. Ik werd sneeuwblind en ik besefte dat ik het haasje was als de sneeuwblindheid erger werd. Op die hoogte kan geen helikopter komen en die jongens kunnen niks met een lichaam van zevenenzeventig kilogram. Ik moest zo snel mogelijk naar beneden.’

Hij zei dat tegen Gerard en Marco en klom recht naar beneden. ‘Ik had niks meer te verliezen. Terwijl ik afdaalde, zag ik drie Koreaanse klimmers. Ze hadden zichzelf min of meer opgehangen. Als je met drie man over elkaar heen valt dan kom je in een kluwen van touwen terecht. De eerste Koreaan hing op zijn kop. De tweede tuurde in shock voor zich uit. De derde communiceerde nog wel en vroeg of ik een paar extra handschoenen had, die heb ik gegeven. Meer kon ik niet doen.

Ik moest dóór, naar beneden. Maar ik liep vast. Het is naïef om te denken dat je loodrecht naar beneden kunt op de K2. Ik kwam op overhangende stukken terecht of bij hellingen die loodrecht naar beneden gingen. Zonder touwen maakte ik geen schijn van kans. Ik moest weer omhoog klimmen. Dat was superzwaar. Ik was zo moe, dat ik elke keer over mijn pickel in slaap viel. Uiteindelijk lukte het me om weer bij die Koreanen te komen.’

Daar zag hij dat Marco en Gerard probeerden de Koreanen te bevrijden. ‘Ik schreeuwde, maar ze hoorden me niet. Ik klom naar rechts en daar vond ik een touw. Dat ben ik toen gaan volgen. Zo kwam ik onderaan de bottleneck, een steil stuk, onder een overhangende gletsjer, een serac. Daar kwam ik in een wolk terecht. Ik zag helemaal niks meer. Ik wilde bellen met mijn satelliettelefoon maar kon de namen in mijn telefoontje niet lezen. Het enige nummer dat ik nog uit mijn hoofd wist, was mijn vaste huisnummer in Utrecht. Mijn vrouw nam op. Ze gaf aan het basiskamp door dat ik gebeld had. Mijn bericht werd doorgegeven aan Pemba en Cas, die al in kamp vier zaten. Ze belden mij weer en zeiden: “Als jij nou blijft waar je bent, dan gaan wij weer naar boven. Als je de hele tijd roept, vinden we elkaar wel.”‘

Supertricky klimmen

Van Rooijen riep tot hij niet meer kon, maar steeds als hij dacht helpers te zien, waren het een paar rotsen. Tenslotte gaf hij de hoop op en besloot om verder af te dalen, naar waar meer zuurstof zou zijn en misschien een beekje. ‘Water en zuurstof: dat was het enige wat me dreef. Uiteindelijk kon ik niet verder naar beneden, alleen nog naar links of naar rechts. En ik had de kracht niet meer om weer omhoog te klimmen. Soms dacht ik: als ik val, dan val ik maar. Ik besefte: als ik zo door blijf gaan, dan glijd ik een keer uit en is het klaar. Ik zag een dode klimmer liggen. Ik ging naast hem zitten omdat ik dacht: als hij er kan liggen, dan kan ik er ook zitten. Ik onderzocht niks. Ik maakte geen foto’s van hem. Het interesseerde me allemaal niks meer.’

Zijn gezichtsvermogen was genoeg verbeterd om het nummer van het basiskamp op te zoeken en te bellen. De webmaster adviseerde hem om een uurtje te slapen en dan pas weer door te gaan. Van Rooijen: ‘Gelukkig werd ik na anderhalf uur vanzelf wakker. Ik zag een opening in de bewolking en kreeg weer de motivatie om risico’s te nemen. Ik dacht: als ik nu door dat steile stuk heen kom, dan ben ik op veiliger terrein en dan kan ik ook een eind naar beneden toe. Ik ging supertricky klimmen. Maar het was geen onverschilligheid meer. Iemand die zelfmoord pleegt, springt gewoon een gat in. Als ik sprong, had ik de hoop om te overleven.’

Van Rooijen kwam door het steile stuk en kon honderden meters afdalen. Hij kreeg weer zuurstof en ging zich beter voelen. Maar de dag was al weer voorbij. ‘En tot overmaat van ramp viel mijn koplamp van mijn hoofd. Ik overwoog om verder te gaan, maar dacht aan de beroemde Italiaanse klimmer Renato Casarotto. Die viel in 1986 vlak voor het basiskamp in het donker in een gletsjerspleet. Dus ik maakte weer een bivouac. Dat klinkt romantisch, maar ik zat gewoon tegen de helling aan, met een ijsbijl in het ijs geslagen voor het geval ik weggleed. Half acht begon het al te schemeren. Tot vijf uur in de ochtend is dan heel lang. En nu waaide het wel. Het is de ergste nacht die ik ooit heb meegemaakt. Ik durfde niet meer op mijn horloge te kijken uit frustratie over hoe langzaam de tijd ging. Ik tuurde naar de horizon om te kijken of in godsnaam die zon al ergens te zien was.’

Grote brokken ijs

Bij het eerste licht ging Van Rooijen weer verder. ‘Ik klom om een rots heen en zag twee tentjes staan. Ik dacht dat het klimmers waren die een andere route uitprobeerden. Toen zag ik dat het Cas en Pemba waren. Dan is het janken. “Fuck, ik had niet gedacht je ooit nog te zien.” Ze vertelden wat er allemaal gebeurd was. “Die is dood en die is dood en die en die.” En wij waren er ook nog niet. Pas om half tien ’s avonds bereikten we het basiskamp. Godzijdank kwam de helikopter de volgende dag om ons uit te vliegen, want ik kon geen stap meer zetten met die bevroren poten.

Later hoorde ik wat er met Marco en Gerard is gebeurd. Marco is gaan dalen en ook tot onderaan de bottleneck gekomen. Daar is hij bewusteloos geraakt door zuurstofgebrek. Pemba is hem gaan halen. Het blijkt dat het Gerard nog gelukt is om die drie Koreanen los te krijgen. Een stuk vallend ijs van de serac heeft hem zijn leven gekost. De drie Koreanen waren toen nog in leven. Ze zijn opgevangen door twee sherpa’s, en toen is er weer een brok ijs naar beneden gekomen. Alle vijf zijn uiteindelijk omgekomen.’

De grote boosdoener was de serac, de gletsjer boven de bottleneck. In sommige seizoenen komen er grote brokken ijs af vallen. Daarna is het weer jaren rustig. De gletsjer helde deze zomer niet over en leek stabiel, zegt Van Rooijen.

‘Soms hangt hij op half zeven en dan kan het nog drie jaar duren voordat er iets naar beneden dondert. Dit jaar hing hij gewoon loodrecht. Hij zag er helemaal niet gevaarlijk uit. Je moet niet denken dat een derde van die gletsjer naar beneden komt. Eigenlijk zijn het maar splintertjes. Maar één zo’n splintertje kan zo groot zijn als een koelkast. Op het moment dat je het hoort kraken, is het al te laat. De eerste keer dat het gebeurde, werd een Noorse klimmer geraakt, het ijs heeft toen ook ons touw doorgesneden. Daarmee was de terugweg geblokkeerd. Uiteindelijk zijn elf klimmers omgekomen.’

Hallucineren

Wilco van Rooijen wordt nu al maanden belaagd door de internationale media. Een Noorse en een Ierse filmploeg, Discovery Channel en National Geographic zijn onderweg. En allemaal komen ze met dezelfde vragen. Zijn er fouten gemaakt? Had je dingen anders gedaan?

‘Wat is een goede beslissing? Dat weet je altijd pas achteraf. Ik had mijn GPS in kamp vier achtergelaten, want het was mooi weer, de lijnen lagen er en een GPS is alleen maar extra ballast. Boven de achtduizend meter is elke honderd gram honderd gram te veel. Maar achteraf had ik mijn GPS graag bij me gehad. Die sneeuwblindheid is ook zoiets. Als ik mijn sneeuwblindheid had kunnen voorkomen, had ik dat natuurlijk gedaan. Maar achteraf heeft die sneeuwblindheid mijn leven misschien wel gered. Daardoor besloot ik zo snel mogelijk naar beneden te komen. Klimmers voor en na mij zijn door vallend ijs geraakt. Als je kan bedenken wat er gaat gebeuren, kun je daarop anticiperen, maar er gebeuren altijd dingen die je niet kunt voorzien. Als ik de tweede nacht geen bivouac had gemaakt en in een gletsjerspleet was gevallen, dan was mijn keuze van dat moment toch goed geweest, want blijven zitten was ook gevaarlijk.’

Het belangrijkste, zegt de klimmer, is dat je een keuze máákt. Dat je niet lethargisch wordt. ‘Ik heb een paar keer moeten vechten om op te staan. Je hebt het koud. Je voet slaapt. Dan is het heel verleidelijk om te blijven liggen, je om te draaien en in elkaar te kruipen. Het is misschien het beste te vergelijken met het gevoel als je heel erg dronken bent. Dan pleur je ook wel eens gewoon ergens in slaap. Het geeft allemaal niet meer. Op een gegeven moment weet je niet meer waartegen je vecht omdat je het je niet meer bewust bent. Je begint te hallucineren. Ik wist zeker dat ik andere klimmers zag, maar ineens waren ze weg. Ik dacht écht dat ze verstoppertje aan het spelen waren. Ik weet nog dat ik heel kwaad werd. Als ze me dan niet willen helpen dan doe ik het wel alleen! Misschien is dat ook wel een overlevingsmechanisme. Dat je jezelf duidelijk maakt: ik moet het helemaal zelf doen.’

Tweede leven

Waarom overleeft de een wel en de ander niet. Het is een vraag die Van Rooijen nog steeds bezighoudt. Deels is het ‘dat je op de verkeerde tijd op de verkeerde plaats bent’, zoals Gerard, de Ierse klimmer die een stuk ijs op zijn kop kreeg. Maar er is meer.

‘In 1996 was er ook een ongeluk op de K2. Iedereen raakte ondergesneeuwd, maar een of twee mannen begonnen ’s ochtends weer te kruipen. De neus bevroren, de handen en voeten bevroren. Wanneer zet je de knop om, zo van, dit hoeft niet meer? Waarom denkt iemand, al vriezen mijn armen eraf, ik moet door. Ik wil mijn vrouw zien, ik wil mijn kind zien.’

Van Rooijen is dolblij dat hij zijn avonturen kan delen met Cas, met wie hij als tiener naar de Alpen trok om onmogelijke bergwanden te bedwingen. Eigenlijk is Cas de enige met wie hij echt kan praten over de magie van de bergen. ‘Voor buitenstaanders komt het vaak hard of asociaal over, maar bergbeklimmers weten duidelijk wat ze willen. The bigger the dream, the bigger the risk. Onder elkaar accepteren klimmers dat je in het harnas sterft. Beter dan hier in een kistje de grond in gaan. Of in een oven. Tegen een vrouw moet je dat allemaal wat genuanceerder brengen.’

Zijn vrouw is er wel even klaar mee. En ook anderen bekritiseren hem.

‘”Lekker is dat,” zeggen ze, “heb je net een zoontje en dan ga je drie, vier maanden pleite.” Maar ik durf te stellen dat ik nu heel wat bewustere momenten met mijn zoontje heb dan menige vader. Ik wil nu maar één ding en dat is met hem in de zandbak zitten. Ik heb het gevoel dat ik een tweede leven heb gekregen. Waar moet ik me nu nog druk over maken? Als ik morgen ernstig ziek word, dan heb ik nog steeds het maximale eruit gehaald. Ik heb mijn beide ouders door kanker opgevreten zien worden. Zo wil ik niet eindigen. En als het dan toch gebeurt, wil ik echt geleefd hebben. Je haalt pas het maximale uit je kunnen in overlevingssituaties.

Toen mijn vader op zijn sterfbed lag, zei ik: “Ik ga volgend jaar de Everest beklimmen. Dichter bij je kan ik niet komen.” En toen ik in 2004 op de top van de Everest stond, had ik echt een buitenaardse ervaring: het gevoel dat mijn vader me zag en dichtbij was. Op de top van de K2 had ik weer zo’n spiritueel moment. Ik keek letterlijk over de wereld uit, zag de kromming van de aarde. Ik stond nog in de zon, terwijl al die andere toppen al in het donker lagen. Ik wist dat er een kans was dat ik niet terug zou komen en daardoor voelde ik heel intens dat ik leefde. Daar doe ik het voor.’

In 2009 verschijnt bij Carrera: Wilco van Rooijen, ‘Overleven op de K2’, 200 p., € 16,- Ook te bestellen via nationalgeographic.nl