Drie jaar geleden schreef ik de eerste zin van een boek waarvan ik alleen wist dat het moest gaan over een moleculair biologe die de marathon van New York in een boerka wil gaan lopen. Ik ging in NYC wonen, liep dagelijks een paar mijl hard en bestelde een boerka op internet. De boerka is zwart en kostte 27 dollar, goedkoop en synthetisch.
Pas later, toen ik door winkels struinde waar ze islamitische kledij verkopen (een beetje aarzelend, want wie ‘research’ als doel heeft, belazert de werkelijkheid omdat ze een middel wordt), trof ik mooie zijden exemplaren van minstens driehonderd dollar. Ik hield het bij mijn synthetische exemplaar, met de zwaar vallende stof en harmonicavouw, een soort toga met masker.
Telkens nam ik me voor om met boerka de stad in te gaan. Wanneer ik van Nederland naar New York reisde, zat de boerka in mijn koffer. Een keer bezocht ik Amerikaanse vrienden in een voorstad en trok het zwarte gewaad aan. ‘Kijk!’ riep ik vrolijk. Geschrokken sloot de gastvrouw de gordijnen, ‘Straks zien de buren je.’ (Geen grap, geen jarenvijftigfilm).
Ook nam ik de boerka mee naar Berlijn en het Franse platteland, in de hoop dat ik er daar wel mee naar buiten durfde. Maar nee. Een roman schrijven bleek makkelijker dan een boerka dragen. Drie jaar later, nu het boek af is, trok ik de boerka alsnog aan en wandelde door Amsterdam. Misschien moest het boek eerst geschreven worden, omdat de boerka in mijn roman zo’n veelzijdig symbool geworden is – van een beschermende lap stof om je onder te verstoppen tot een duidelijk politiek statement –, terwijl het beeld op straat maar één ding lijkt te betekenen. De boerka zou hét symbool zijn van onderdrukking en bovendien wordt de roep om een boerkiniverbod ook als veiligheidsmaatregel gepresenteerd.
Waar je in fictie een open beeld hoopt te creëren, verwacht je in de werkelijkheid een gesloten, eenzijdige respons (maar een optimist verwacht meer. Of, zoals ik het optimisme van mijn personage, de moleculair biologe Janine Vitafiel, beschrijf: ‘Het was teleurstellend dat ze daarover geen teleurstelling voelde, want het betekende dat ze ook niets anders dan voorspelbaarheid verwachtte. En verwachtingen mocht ze niet hebben; die verloochenen de rijkdom van de werkelijkheid.’)
Misschien was er ook een meer psychologische reden om nu pas in boerka naar buiten te treden: de schaamte van ‘research’ was eraf, nu kon ik het verpakken als nieuwsgierigheid. Of erger, maar evengoed motiverend: nu genereert het publiciteit voor mijn boek.

Onverbloemd staren
Ik vond in mijn kledingkast geen lange rok, dus trok ik een wijde zwarte broek, een lang vest, zwarte laarsjes en een paar handschoenen aan. Ik plette mijn haar met de bivakachtige muts die voor onder de motorhelm is bedoeld. In mijn broekzak stopte ik een identiteitsbewijs en ov-kaart. Ingepakt (vanwege de kou) dook ik onder de boerka en schoof het gaas zo goed als het ging voor mijn ogen.
Ik opende de deur van mijn appartement en daalde sneller van de trap dan ik met hakken kan.
Op straat volgde een vriendin (spijkerbroek, gympen en gewatteerde jas, mijn vaste kompaan wanneer het openbare interventies betreft) op een paar meter afstand, om reacties te peilen en foto’s te maken.
Twee mannen liepen langs en grinnikten ‘Zwarte Piet.
De eerste vreemde die ik tegenkwam was een jogger die precies zo reageerde als ik in mijn roman had voorspeld: hij keek heel geconcentreerd juist niet naar mij. Een oudere, gesluierde dame met een boodschappentas op wieltjes keek mij schuin aan, ogenschijnlijk argwanend. Een man in een knalrood windjack fietste langs. ‘Godsamme,’ zei hij hardop. Ik had mijn kompaan niet nodig om het te zien en horen. Hoofden draaiden, mensen keken – voor zover ik het beoordelen kon angstig noch gefascineerd, eerder kordaat: ik heb het recht om hier onverbloemd naar te staren.
Ik liep door de Amsterdamse Jordaan richting de Haarlemmerdijk – een drukke winkelstraat, zeker op een zaterdag vol toeristen. Het liefst wilde ik alweer stoppen met mijn boerka-tour en onder de vermomming vandaan komen. Vooral, denk ik, omdat ik mij schaamde. Niet ten opzichte van de mensen die ik tegenkwam – die vond ik, met hun overtuigde blikken, hoogstens een beetje bedreigend – maar ten opzichte van de vrouw die ik pretendeerde te zijn. Zij keek als een fantoomgetuige op mij neer. Wat de fuck ben je aan het doen?
Ik test de reacties, antwoordde ik haar.
Waarom?
Ja, waarom?
Ik hoef dit niet te ervaren om te weten dat mensen eenzijdig tolerant zijn. Als het daarom draait, valt mijn eenmalige vermomming in de categorie ‘eerst zelf voelen dan geloven’, zoals de hetero die altijd denkt dat het wel meevalt om als homo over straat te lopen, tot zij of hij ook eens publiekelijk intimiteit beleeft met iemand van hetzelfde geslacht.

Anoniem maar totaal zichtbaar
Ik hoopte dat ik een bekende zou tegenkomen zodat ik diens naam hard zou kunnen roepen. Hoewel de Haarlemmerdijk gewoonlijk een komen en gaan is van bekenden, zag ik ze niet. En mij zagen ze helemaal niet. Of: misschien zagen ze wel iemand in boerka lopen, maar mij zagen ze niet. Ik bewoog mij totaal anoniem, maar voelde me enorm zichtbaar.
In Maar buiten is het feest schrijft Arthur Japin: ‘Helemaal veilig ben je óf weggeborgen in het donker, zodat geen mens je zien kan, óf in het volle licht van de schijnwerpers, waar niemand je kan missen.’ De boerka verborg me en zette me in het volle licht, maar veilig voelde het niet. Misschien was het als min maal min: onzichtbaar x onzichtbaar maakt overdreven kwetsbaar.
Gek genoeg was dit het moment dat ik me het meest mijzelf voelde. Op dat moment had de boerka ook een kort rokje kunnen zijn.
Twee mannen liepen langs en grinnikten ‘Zwarte Piet’, daarna luider: ‘Is het nou een man of een vrouw.’ ‘Belachelijk’, hoorde ik, ‘ach ach’ en ‘Jezus Christus’. Vooral mannen, mannen alleen, mannen op de fiets of in het voorbijgaan. En ook af en toe een vrouw, in gezelschap, twee vriendinnen die het samen eens werden: ‘niet normaal’. Als iets de commentators op straat verbond, dan zeker niet klasse of afkomst. Wel hun leeftijd: ze waren allen vijftig plus. De jongeren reageerden alleen als ze toerist en/of in een groepje waren. Zoals de Britten die met roodomrande blowogen (om maar eens een stereotype in stand te houden), hoofdschuddend toekeken: ‘What a waste.’
Of de Fransen die gillend van het lachen opzij sprongen. Ik wilde hen aanspreken en verrassend terechtwijzen, maar ik durfde niet, voelde me dubbel gekrompen – door de blikken van voorbijgangers en door mijn fantoomgetuige. Ik ging sneller lopen. Tot dan toe had ik de boerka stijf vastgehouden, de handen samengevouwen voor het kruis. Nu liet ik los en de zwarte stof wapperde in de koude wind. De zon scheen, de lucht was strak blauw en elders kwam Sinterklaas het land binnen (ik dacht dit, alsof het de Zwarte Piet-opmerking van de mannen kon verklaren).
Koket
Zodra ik rustig achter Centraal Station op de pont stond te wachten om naar Amsterdam- Noord over te steken, ervoer ik sterk wat mijn grootste mankement was. Ik liep doelloos rond: zuigend en stralend. Ik probeerde alle reacties te monitoren en had geen ander doel dan deze op te wekken. Alleen daarom al was mijn experiment koket. Iemand die doorgaans te dealen heeft met het soort reacties dat mij nu ten deel viel, is niet op weg om te voelen hoe het is om reacties op te wekken. Zo iemand is op weg. Net als iedereen verschijnt zij op straat met een ander doel dan haar uiterlijk te tonen.
Eenmaal overgestoken, liep ik langs een vol terras, de warmtelampen hielden mannen warm bij het drinken van hun bier. Aan de ene picknicktafel zat een groepje witte mannen, aan de andere picknicktafel zat een groepje Turkse mannen.
‘Hallo!’ riep een man. Ik hoorde het wel, maar ik zag het niet en wist niet of het voor mij was.
Het ijs was gebroken. Althans, voor de mannen onderling. ‘Is dat een man of een vrouw,’ riep de andere tafel. Gelach. ‘Moet je even voelen.’ Luid gelach. Mij belachelijk maken bracht hen samen. Grab em by the pussy, een terras is evengoed een lockerroom. Verbroedering over mijn lichaam, harrassment can be pretty bonding (not pretty).
Gek genoeg was dit het moment dat ik me het meest mijzelf voelde. Op dat moment had de boerka ook een kort rokje kunnen zijn.
De mensen die op straat naar mij in boerka scholden, verwachtten duidelijk geen respons. Ze passeerden mij, eerder alsof er géén mens onder de stof schuilging dan dat er een zielig mens onder verborgen zat, laat staan een slachtoffer dat bevrijd dient te worden. Het ventileren van afkeer en haat kan nauwelijks ‘verbeterend’ zijn bedoeld. Als mensen een ander werkelijk zielig vinden, kunnen ze beter huilen dan haten.
Misschien is het wel juist het gebrek aan respons dat zij vrezen. Mannen die een vrouw vertellen dat ze moet lachen omdat ze serieus kijkt of ernstig op de foto staat, dicteren niet omdat ze zo nieuwsgierig zijn naar haar lach, maar omdat ze onzeker worden van een blik of houding die ze niet onmiddellijk begrijpen.
De enige die mij rechtstreeks aansprak was de persoon die het gewend is dat hij genegeerd wordt.
Gedurende mijn boerka-tour was er slechts één iemand die mij aansprak. De man zei dat hij twee kinderen had en dat ze hongerig waren. Hij vroeg om geld. Ik wist niet of het me zou lukken om bij mijn portemonnee te komen, onwennig met de boerka, dus ik schudde nee en zei schuchter ‘sorry’ vanonder mijn vermomming. Hij bedankte en koerste af op de volgende voorbijganger. De enige die mij rechtstreeks aansprak was de persoon die het gewend is dat hij genegeerd wordt.
Haken bij de schoenen
Vanuit Noord gingen mijn kompaan en ik verder met de auto. Zij reed. Ik ontdekte onmiddellijk hoe gemakkelijk het is om je prettig te voelen in een boerka: in de auto, onaanraakbaar. We zaten samen in een veilige cocon en reden naar de Dappermarkt in Oost. Buiten het bereik van toeristen leek ik minder een gimmick. Er werd evenveel gekeken, maar de ogen stonden milder, minder afstandelijk, eerder geïnteresseerd. Oudere, gesluierde dames bekeken me van top tot teen en bleven haken bij de schoenen. Ik las eens dat Afghaanse kinderen hun moeder aan de schoenen herkennen als ze op een drukke plek zijn, zoals de markt. Ik vroeg me af of de dames doorhadden dat ik geen ‘echte’ was.
‘Am I passing the test?’, lukt het om geloofwaardig bij een groep te horen waar je oorspronkelijk niet bij hoort? Vorig jaar werd bekend dat Rachel Dolezal, een belangrijk lid van de burgerrechtenbeweging NAACP, had gelogen over haar afkomst. Dolezal plaatste foto’s online van zichzelf met een zwarte man en zei dat dit haar vader was. Haar witte huidskleur verdoezelde ze al jaren met bruinende crème en veel zonnebankbezoekjes. De wens om ergens bij te horen, leek bij haar evenzeer gepaard te gaan met het verlangen om ergens aan te ontsnappen. Haar ‘vermomming’ begon toen ze van haar (Afro-Amerikaanse) echtgenoot scheidde en ze zich rigoreus van haar witte ouders afkeerde. Hoewel ze zich onvermoeibaar heeft ingezet voor de NAACP, riekt haar extreem doorgevoerde verkleedpartij toch naar cultural appropriation: andermans beleving tot gimmick maken; tradities shoppen; het aannemen van cultuuruitingen die in wezen niet de jouwe zijn om je eigen identiteit te versterken.
Er bestaan natuurlijk ook vermommingen die activistisch zijn, juist omdat ze de identiteit van de drager onbelangrijk maken. Denk bijvoorbeeld aan Anonymous. Dit internationale collectief wil misstanden blootleggen, met hacks en digital leaks. Anonymous neemt de alledaagse ervaring of beleving niet als leidraad en opereert zonder individuele kopstokken. Zij teren dus niet op de persoonlijkheidscultus die de meeste organisaties en progressieve bewegingen juist nastreven. Tijdens (fysieke) demonstraties verschuilen zij zich achter Guy Fawkesmaskers – een spierwitte, cynisch-vrolijke mannenkop met spitse snor en sik. Ze vormen een eenheid omdat ze even onherkenbaar verschijnen.
Maar soms biedt vermomming de enige mogelijkheid om jezelf te kunnen zijn (misschien dat Dolezal haar valse identiteit zo uitlegt. Onlangs verklaarde ze dat ze zichzelf als trans-raciaal beschouwt. Zoals transgenders in het verkeerde lichaam worden geboren, zit zij in de verkeerde huid gevangen). Zo trommelde Conny Braam van de Anti Apartheids Beweging Nederland, kostuumontwerper Yan Taks en grimeuse Winnie Gallis op om ANC-leden te vermommen. De ANC-leden wilden Zuid-Afrika in om de anti-apartheidsbeweging daar te versterken, maar de douane zou hen herkennen als activisten en arresteren. Ze kregen pruiken, neptanden en kostuums aangemeten en soms werd hun huid lichter of donkerder geschminkt. Eenmaal als nieuw lieten ze een foto maken voor hun nieuwe, valse paspoort.

Onzichtbare tentakels
Wie de marathon van New York wil lopen, moet zijn registratienummer te allen tijde zichtbaar dragen en bedekkende outfits – ‘costumes covering the face or any non-formatting, bulky outfits extending beyond the perimeter of the body’ – zijn verboden. Jaarlijks besteedt de stad ruim een miljoen aan de beveiliging van het evenement. Toch was de wens om een personage te creëren dat de marathon in een boerka wil gaan lopen niet alleen rebels of reactionair. Janine Vitafiel kwam voort uit zachtere gedachten.
Ik was aan het hardlopen in het park nabij mijn huis en werd nagefloten door een man van de gemeentedienst. Hij stond te schoffelen in een oranje werkpak, zijn collega zat in de wagen verderop. Zijn gefluit doorbrak mijn anonimiteit. Tijdens het hardlopen groeit de illusie van anonimiteit, omdat je één van de velen bent die in lycra kleren en op zilveren schoenen rondrent, allen ongeveer in hetzelfde ritme en zonder gezamenlijke ambitie. Ik corrigeerde mijn ergernis; die meneer deed zijn werk, draaide een dienst. Als hij zich mijn lichaam ietwat toe-eigende, deed ik dat minstens ook met het zijne: hij schoffelt zodat anderen prettig in het park kunnen rennen en recreëren.
Een tijdje raakte ik geobsedeerd door mijn, en andermans, onzichtbare tentakels – het merendeel van de invloed die je hebt en uitoefent, voltrekt zich zonder dat je het zelf ziet of in de gaten hebt. De precieze inhoud en het werkelijke bereik van je daden en woorden zijn niet te voorspellen of te meten. Dit weten van het niet-weten is een bekend fenomeen. Je wordt er dagelijks mee geconfronteerd: waar wordt je kleding gemaakt, je voedsel geproduceerd en hoe beïnvloedt jouw donatie aan het WNF de wapenhandel in Congo? Vaag ervaar je dat alles met alles te maken heeft, maar die vaagheid geeft nauwelijks een leidraad in het dagelijks bestaan.
Destructieve daad
Wil je je eigen invloed kunnen kennen en vatten, dan kom je al snel bij destructie en geweld uit. De invloed van een destructieve daad is gemakkelijker te voorspellen dan de invloed van een constructief gebaar. Wie naar een ander glimlacht, heeft nauwelijks een voorstelling van hoe dat gebaar doorsuddert. Wie geweld pleegt, is in staat om – vanwege de voorspelbare gevolgen van zijn destructieve daad – ergens te zijn en bestaan, zonder er zelf bij te zijn. Wie een ander slaat, weet dat het slachtoffer een blauw oog krijgt. Ook als je zelf niet meer nabij het slachtoffer bent, kun je je dus een beeld vormen van je invloed. Bovendien verwachten mensen het destructieve, omdat het beeld daarvan helderder is en vaker wordt herhaald, en daarmee roepen ze het ook over zichzelf af. Mensen projecteren en produceren hun verwachting. Denk bijvoorbeeld aan de persoon die de hysterie voedde en ‘Bom!’ riep, toen de Damschreeuwer tijdens de dodenherdenking van zich liet horen.
Mijn hoofdpersoon wil de marathon van NYC in een boerka lopen omdat ze een paradox detecteert waar het verbeeldingskracht betreft. In plaats van te zien wat er voor hen staat (een mens bedekt met stof), zien de deelnemers en het publiek onmiddellijk een terrorist of iets wat verderf komt veroorzaken. Hun fantasie brengt hen direct bij het heldere symbool waarvoor de boerka is komen te staan. Tegelijkertijd is hun fantasie beperkt, want als ze meer verbeeldingskracht gebruikten, dan gingen ze misschien voorbij aan hun eerste associatie: boerka = terrorist.
Het verlangen om te verhullen, te vermommen en te transformeren benader ik niet als mogelijkheid om kwaad óf goed doen, maar als aanmoediging om de eerste neigingen van de verbeelding op te rekken.
Simone van Saarloos, De vrouw die, Nijgh & Van Ditmar, 304 p., € 19,99. Je kunt het boek hier bestellen.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.