Contractwerkers in Afghanistan
Terwijl een jonge vrouw met lang gebleekt haar en een zwarte spijkerbroek die op scheuren staat paaldanst zonder paal, kust een forse Amerikaan ter kennismaking de hand van de journalist. De nacht is nog jong in de Martini, Afghanistans enige nachtclub. Zijn collega Jack, een potige Texaan met een baard en een baseballpet, roept boven de beat uit: ‘Irak en Afghanistan zijn mijn tweede thuis. Ik houd van gevaar.’ Hij kijkt erbij alsof hij zojuist de lotto heeft gewonnen.
Jack en zijn collega’s rijden en bewaken de trucks die brandstof en andere goederen leveren aan de ruim vierhonderd Amerikaanse en NAVO-bases. Jack is zwijgzaam over de details van zijn gevaarlijke werk, maar hij wil nog wel kwijt dat zijn bedrijf voor vijftienduizend dollar per maand een villa in Kabul huurt. ‘Met een jacuzzi.’ Poppy palaces heten die woningen met spiegelende ruiten en pompeuze balkons in de volksmond, omdat de meeste Afghaanse eigenaren hun geld met handel in narcotica of met andere dubieuze transacties verdienen. Zodra de zware deur van de Martini Club dichtvalt, lijkt de uitgaansscene binnen van een andere planeet. In de hoop op een aalmoes koerst een man zonder benen op een zelfgemaakt karretje in razende vaart langs de bewakers bij de uitgang. Verderop zijn de gehavende straten pikkedonker en onaards stil.
Een paar weken later sluit de politie de Martini Club. Aan de drie gepantserde fourwheeldrives met antennes en geblindeerde ruiten zonder nummerborden voor het Gandamack Hotel, is te zien dat de contractors hun weg naar de Hare and Hound bar gevonden hebben. Hangend in fauteuils klokken vijf mannen omgeven door een mist van sigarettenrook hun biertjes naar binnen. De lage tafel is bedekt met blikjes Heineken. De vijf mannen zijn in dienst van The Four Horsemen International, een van de oudste beveiligingsbedrijven in Afghanistan.
Ze werkten een paar jaar in Irak en zijn sinds een half jaar aan de slag in Afghanistan. ‘We kennen elkaar door en door en weten precies hoe ieder van ons reageert als het gevaarlijk wordt,’ zegt de Britse Peter, de oudgediende van het stel. ‘We zijn een gang.’ Avonden als deze zijn hun enige ontspanning en de sfeer is melig. Als een van hen, een rossige man van eind dertig met een omgekeerd donkerblauw baseballpetje een luide boer laat, schieten de anderen in een onbedaarlijke lach.
Ware wildgroei
Beveiligers en andere contractwerkers zijn niet weg te denken uit de moderne oorlogen. Ze werkten in de jaren negentig al massaal in Bosnië en er trokken daarna tienduizenden naar Irak. Volgens het Amerikaanse ministerie van Defensie zijn er in Afghanistan ruim honderdtwaalfduizend in dienst van het Amerikaanse leger. Dat betekent dat er in totaal inmiddels – net als de afgelopen jaren in Irak – meer contractors werken dan militairen. En het schaduwleger groeit. Volgens Defensie steeg het aantal werknemers het afgelopen jaar met vijftig procent. In het kielzog van nieuwe soldaten, arriveren voortdurend nieuwe contractwerkers zodat de beroepsmilitairen hun handen vrij hebben om te vechten.
‘In werkelijkheid vindt er een surge van contractors plaats,’ zei Allison Stanger, een Amerikaanse auteur die het uitbesteden van militaire taken onderzocht. Obama heeft aangekondigd een deel van zijn honderdduizend man sterke legermacht terug te trekken in 2011. Het is nog niet duidelijk wat er van die belofte terecht gaat komen, maar het is niet ondenkbaar dat de contractors een deel van het werk overnemen. Een medewerker van Defensie verklaarde tegen The Wall Street Journal: ‘Op het slagveld neemt de inzet van contractors toe vanwege een blijvende verschuiving in de manier waarop het Amerikaanse leger in overzeese gebieden opereert.’
De meeste van de contractwerkers verrichten logistieke taken, maar enkele tienduizenden werken net als Peter en zijn collega’s voor PSC’s, Private Security Companies. Sommige bronnen schatten het totale aantal beveiligers op veertigduizend, maar omdat er een ware wildgroei aan bedrijven is, ligt dat aantal waarschijnlijk veel hoger. PSC’s bewaken locaties waar diplomaten en andere vips verblijven. Ook beveiligen ze bases en konvooien. De privatisering van de oorlog is al zo ver opgerukt dat een beveiligingsbedrijf als Xe Services, het vroegere omstreden Blackwater, geheime operaties uitvoert in onder andere het grensgebied van Pakistan. Xe Services ontkent de activiteiten, maar diverse bronnen van Defensie bevestigen ze.
Voor de buitenlandse topkrachten, meestal ex-militairen, kan het honorarium oplopen tot ongeveer duizend dollar per dag. Maar omdat de vraag groot is, komen voor een lager salaris ook de minder getrainde en oudere vechtjassen aan de bak. Dat veel van deze ex-militairen voorheen in omstreden legers of paramilitaire groepen dienden, vormt evenmin een probleem. Het merendeel van deze tienduizenden beveiligers is Afghaan. Met hun woestijnkleurige broeken, stevige boots en zonnebrillen zijn ze kopieën van de westerse Rambo’s. Vooral in gebieden waar gevochten wordt, zijn het vaak milities die door krijgsheren onder de vlag van een beveiligingsbedrijf worden ingezet. Slechts een minderheid van de ondernemingen beschikt over een officiële vergunning om te werken.
Anders dan reguliere legers opereerden veel beveiligers lange tijd zonder duidelijke geweldsinstructie en buiten de militaire commandostructuur. Evenmin was vastgesteld aan wie ze verantwoording verschuldigd waren. Inmiddels vallen ze in Afghanistan en Irak onder de lokale wetten, maar in de praktijk betekent dat nog altijd weinig. Tot rechtszaken komt het zelden en bedrijven die in diskrediet raken, krijgen regelmatig weer nieuwe klussen van hun internationale opdrachtgevers.
Zoals het bedrijf Blackwater, waarvan vijf medewerkers in 2007 zeventien burgers doodden in Bagdad. De betrokken employés werden eind 2009 vanwege procedurefouten vrijgesproken. Blackwater doopte zichzelf om tot Xe Services. Het concern heeft tientallen mantelbedrijven die onder andere aan overheden en multinationals trainingen in contraterrorisme en het verzamelen van inlichtingen geven. Ook de Nederlandse politie maakte daarvan gebruik, volgens het Amerikaanse weekblad The Nation. Ondanks de slechte reputatie sleepte Xe Services in juni een contract van honderd miljoen dollar in de wacht voor de bewaking van CIA-installaties en consulaten in Afghanistan.
De Afghaanse watchdog Afghanistan Rights Monitor meldt dat in de eerste helft van 2010 zevenenzestig Afghaanse burgers die omkwamen in het wetteloze klimaat door private beveiligers werd gedood.
‘Of course we hurt a few fingers here and there,’ zegt Peter losjes over zijn werkwijze. Op eenzelfde nonchalante toon geeft hij toe dat hij zich over het hogere doel van zijn werk voor The Four Horsemen geen vragen stelt. ‘We zijn hier voor het geld, en voor het vermaak.’ Na enig zwijgen en nog een paar slokken bier voegt hij toe: ‘En voor de beroepseer. Als het misgaat hebben we toch een slechte dag.’ Op de vraag hoe de mannen de overstap van de oorlog naar het leven thuis maken, klinkt er hoongelach. Thuis is saai. ‘Booooring,’ joelen ze in koor. Ook het onderwerp PTSS, posttraumatische stress-stoornis, wordt weggehoond.
In blogs en op websites is de toon heel wat minder baldadig. Een website voor contractwerkers waarschuwt: ‘If not injured you’re just a bomb away.’ In hun online dagboeken beschrijven sommigen hoe ze na een thuiskomst vol ruzie en bevreemding naar Las Vegas vluchten en gokken en drinken tot het vliegtuig naar Afghanistan vertrekt. Af en toe is de toon van de internetberichten verongelijkt. Terwijl soldaten met militair ceremonieel begraven worden en de media met regelmaat het dodental vermelden, is er voor de slachtoffers onder contractors veel minder aandacht.
Banden met de taliban
Vanuit zijn gammele geel-witte Toyota met een bidkleedje op de hoedenplank slaat Wahid de langsrijdende stoet van witte SUV’s en vrachtwagens gade. Onder het witte Kandahari- kapje met glimmende pailletten is zijn blik grimmig. Net als veel andere Afghanen heeft hij een grondige afkeer van de beveiligers. Ze houden met betonnen muren en wachtposten hele wijken afgesloten en hun konvooien blokkeren het verkeer, zegt hij.
Terwijl hij door de drukke straten van Kandahar manoeuvreert, laat hij zijn boodschap voor het voorbijtrekkende konvooi klinken. ‘Onze vlaggen zullen op elke bergtop wapperen / Onze jihad zal de hele wereld bereiken,’ reciteert een gekwelde stem uit de cassetterecorder in het dashboard. Het is een tape met gedichten van de taliban. Op de bazaar worden ze door de talloze muziekwinkeltjes in het geheim verhandeld.
De bandjes zijn erg populair, zeggen de verkopers. In zijn tuin tussen de schrale roestbruine heuvels even buiten Kandahar heeft ook de mullah een bericht voor de buitenlanders. Met een besmuikt lachje zet hij de ringtoon van zijn mobiele telefoon aan. ‘Ik vrees niet voor het verlies van mijn leven of mijn huis. Ik ga een zelfmoordaanslag plegen en ik zal die taak met al mijn inzet uitvoeren,’ klinkt het tussen de rozen en wijnranken. Het is poëzie van Abdul Aziz, een van de populairste dichters van de taliban. Met behoedzame gebaren schenkt de mullah Pepsi in een rank beschilderd glaasje voor zijn in boerka geklede gast. Dan zegt hij met overduidelijke passie in zijn stem: ‘Naar dat gedicht luister ik elk etmaal.’
De geestelijke, die goede banden met de taliban onderhoudt, heeft geen probleem met de zelfmoordaanslagen en andere vormen van geweld die de opstandelingen in de strijd hanteren. ‘Tenminste, als ze buitenlanders treffen en geen Afghanen.’ Er zijn veel meer Kandahari’s die net als hij verklaren dat het strookt met de principes van de islam om bezetters te vermoorden. Ook in de conservatieve Pashtuncultuur is het verdrijven van ongewenste vreemdelingen een heilige taak. ‘Kandahari’s kom in opstand. Jullie zijn bezet,’ zegt graffiti op de muren van de stad.
De meeste buitenlandse contractors hebben er weinig weet van hoe het broeit onder de bevolking. Ze wonen geïsoleerd in ommuurde compounds of op militaire bases. Afghaanse burgers spreken ze nauwelijks. Dat de vlam elk moment in de pan kan slaan, bleek eind juli toen de gepantserde wagens van het Amerikaanse DynCorp in Kabul vier burgers doodreden. De contractors konden ternauwernood ontkomen aan een woedende menigte. Die stak vervolgens de vehikels in brand en raakte slaags met de politie.
De neven van Karzai
In het kader van winning the hearts and minds gaat het grootste deel van het buitenlandse opbouwbudget naar het onrustige zuiden en zuidoosten van Afghanistan. In dit deel van het land valt dan ook het meest te halen voor de contractors. Alleen al op de NAVO-basis in Kandahar werken ongeveer vijfhonderd bedrijven om de legers logistiek draaiende te houden. Daaronder zijn ook talloze Afghaanse ondernemingen.
‘A dog-eat-dog world,’ zo omschrijft de vijfentwintigjarige Zabeh Karzai (op zijn naamkaartje spelt hij zijn naam Karzi) de gang van zaken tussen bedrijven die niet zelden letterlijk om miljoenencontracten knokken. Altus Supply Services and Logistics heet de onderneming van Zabeh en zijn broer in Kandahar. De jonge zakenlieden zitten er gerieflijk bij in hun zwaarbewaakte villa. Ieder een gelikte Apple, een BlackBerry en een belletje op het bureaublad om hun personeel te verwittigen. In 2008 verliet het tweetal de Amerikaanse westkust om hun ooms, president Karzai en diens halfbroer Ahmed Wali, bij te staan. In onvervalst Amerikaans zegt hij: ‘Noem me maar Zach.’
Ze zijn duidelijk blij met het vleugje westerse sfeer dat de twee journalisten, een Duitse en een Nederlandse, meebrengen en staan erop dat die komen dineren. Terwijl een keukenhulp schalen met kip, bonen en salade van tomaat en komkommer op het eetzeil zet, vertelt Zachs broer dat ze over een flink arsenaal aan Amerikaanse films beschikken. ‘Als we geen eigen omgeving creëren, worden we hier binnen een week knettergek,’ zegt hij. Tegen de muur staat een loopband om de overtollige kilo’s er af te rennen, want hun wereld in Kandahar is piepklein vergeleken bij het bestaan in de Verenigde Staten, waar ze opgroeiden. Als neven van de president en diens halfbroer, die een van de machtigste mannen in Kandahar is, zijn de kroonprinsen een gewild doelwit voor ontvoeringen en aanslagen. De afgelopen maanden vervingen ze al zestig kapotgesprongen ramen. Zonder een gepantserde fourwheeldrive en dertig lijfwachten begeven ze zich niet buiten de compound. Dat het geen onnodige maatregelen zijn, blijkt als een van de mobiele telefoons begint te piepen. ‘Abdul Jabar is vermoord,’ verschijnt er op het schermpje. De bevriende gouverneur uit het nabijgelegen district Arghandab, zijn jonge zoon en lijfwacht zijn door een bom gedood.
Verliezen als deze zijn normaal geworden, zeggen de broers. Ze vervolgen de conversatie over hun werk alsof er niets is gebeurd. Ze zijn zichtbaar geërgerd dat het meeste geld naar de buitenlanders gaat. Zach: ‘Wij verkopen megageneratoren voor achtentwintigduizend dollar per stuk aan onze Amerikaanse opdrachtgever. Die verkoopt zo’n apparaat voor vijfenveertigduizend dollar aan het Amerikaanse leger. Wij komen daar niet tussen.’
Allerlei vormen van fraude blijven in de ondoorzichtige keten van aannemers en onderaannemers die opbouwprojecten uitvoeren makkelijk ongestraft, waardoor miljoenen weglekken. Zach zit op zijn praatstoel. Zijn relaas maakt duidelijk dat de Afghaanse bedrijven die op de lucratieve markt van logistieke diensten opereren, beheerst worden door een kleine groep van krijgsheren en machtige politici. In de beveiliging is de situatie hetzelfde. Zo staan de broers Karzai en de rest van de presidentiële familie op goede voet met Matiullah Khan, de krijgsheer uit Uruzgan aan wie vooral de Amerikanen miljoenen betalen voor beveiliging over de weg van Kandahar naar Tarin Kowt. De twee broers moeten lachen om de eerdere polderpogingen van de Nederlanders om de macht van deze king of the highway in te perken. Volgens hun visie op het nieuwe Afghanistan is Matiullah juist de man om zaken mee te doen. Hij houdt de boel op orde en hij zorgt voor zijn achterban, zeggen ze. ‘De mensen staan achter hem,’ aldus Zach. Hij is bij lange na niet de enige in het Zuiden die met respect over Matiullah spreekt.
Ook met Watan Risk Management, een van de grootste beveiligingsbedrijven, zijn er connecties. Het bedrijf is eigendom van de Popals, neven van president Karzai. Watan kwam in opspraak nadat medewerkers begin mei het vuur openden op burgers. Het bedrijf kreeg een werkverbod opgelegd, maar omdat de operaties alweer snel hervat werden, leek die sanctie vooral bedoeld om de indruk te wekken dat er door de regering was opgetreden. Ook Ruhullah, een militieleider die operationele taken uitvoert voor Watan Risk, is ‘een heel goede vriend van de familie’. ‘Hij is een Popolzai, net als wij,’ zegt Zach.
Ruhullah fungeert tevens als onderaannemer van Watan Risk Management en zijn manschappen controleren onder andere een groot deel van de weg tussen Kandahar en Kabul.
Zo spraakzaam als de broers Karzai zijn, zo terughoudend reageren de medewerkers van Watan Risk in hun lage gebouw aan een zandweg in Kandahar. De manager heeft zojuist per telefoon instructies ontvangen van Ruhullah. ‘Geen gesprekken met de media.’ Toch laat de manager, die vroeger voor een buitenlandse ngo werkte en die zich duidelijk opgelaten voelt vanwege de ongastvrije boodschap, Fanta en thee komen. Hij wil nog wel vertellen dat het konvooi tussen Kandahar en Kabul net is aangevallen en dat een vrachtwagenchauffeur is omgekomen. ‘Dat gebeurt bijna elke dag.’
Zoals met al het geweld in het gebied met rivaliserende stammen, is moeilijk te doorgronden uit welke hoek deze aanslagen komen. De concurrentie tussen de ondernemingen is enorm. De aanslagen hebben vaak ook te maken met het niet betalen van protectiegelden. De lokale beveiligingsbedrijven die de konvooien bewaken, moeten bij zowel de taliban als bij krijgsheren met cash over de brug komen voor een veilige doorgang. Wie die rekening niet voldoet, kan een bermbom of hinderlaag verwachten.
Onderzoekers van het Amerikaanse Congres verklaarden een paar maanden geleden in hun rapport dat via deze Afghaanse beveiligingsbedrijven jaarlijks tientallen, zo niet honderden miljoenen dollars aan protectiegelden worden betaald. Ook vrijwel alle lokale gouverneurs, politiefunctionarissen en legercommandanten door wiens gebied de konvooien rijden, strijken een deel van de buit op. Zo financiert de Amerikaanse overheid met belastinggeld niet alleen haar vijanden, maar ondermijnt ze ook internationale inspanningen om het land te stabiliseren, concludeerden de onderzoekers. Nadat uit het onderzoek bleek dat ook Watan Risk massaal steekpenningen betaalt, verbood het Amerikaanse leger begin december nieuwe contracten met het bedrijf.
Overigens is deze gang van zaken niet nieuw. Ook de Russen die het land van 1979 tot 1989 bezetten, betaalden de moedjahedien en allerlei andere groepen om hun aanvoerlijnen intact te houden.
Staten in de staat
Bij zijn grauwe politiepost achter grindzakken op de weg naar de NAVO-basis in Kandahar, inspecteert de tweeëntwintigjarige agent Hoessein het verkeer. Dagelijks ziet hij de konvooien met voorraden voor de militairen langsrijden. ‘Volgens onze commandanten hebben wij geen toestemming ze te controleren,’ zegt hij. Andere agenten bevestigen die orders om beveiligingsbedrijven met rust te laten. ‘Deze bedrijven staan boven de wet en de regering is niet in een positie tegen hen op te treden,’ zegt een Afghaanse analist in Kandahar die anoniem wil blijven. ‘Ze vormen staten in de staat.’
Het Institute for the Study of War waarschuwt: ‘Dat de ondernemingen onder controle van machtige individuen staan in plaats van onder de Afghaanse veiligheidsdiensten is strijdig met het monopolie dat de staat zou moeten hebben op de veiligheid.’ Andere onderzoeksrapporten wijzen erop dat de pogingen tot opbouw verder ondergraven worden doordat Afghaanse agenten en militairen naar deze beter betalende private sector verdwijnen. Vanuit Kabul is toegezegd dat er maatregelen tegen de maffiasituatie worden genomen. President Karzai kondigde in augustus aan dat vrijwel alle particuliere beveiligingsbedrijven binnen vier maanden ontbonden moesten worden en dat hun verantwoordelijkheden zouden worden overgedragen aan reguliere veiligheidstroepen. Onder zware druk van internationale spelers die voor hun bewaking afhankelijk zijn van al deze contractors werd die beslissing echter teruggedraaid. Er ligt een plan om de overige Afghaanse beveiligingsbedrijven in één organisatie onder te brengen. Sceptici zeggen dat die maatregel bedoeld is om nog meer macht en geld aan enkele van de huidige spelers en met name de Karzais toe te kennen.
Ruhullah is getipt als een van de commandanten voor zo’n overkoepelend concern. ‘Als de regulering niet op de juiste wijze gebeurt, kan ze zelfs de bestaande machtsstructuren versterken en de invloed van de PSC’s vergroten. Dan wordt de positie van Afghaanse veiligheidstroepen verder ondergraven,’ zegt het Institute for the Study of War. Wat de pogingen vanuit Kabul ook mogen zijn, ze zijn voorlopig ver weg in het wetteloze zuiden. De compound van de familie Karzai in Kandahar lijkt op een hofhouding. Bij de ingang wachten groepjes Afghanen die van heinde en verre gekomen zijn, zacht pratend op een onderhoud met Ahmed Wali Karzai. De brede trap naar de ontvangstkamer ligt bezaaid met schoenen. Tevreden overziet de jonge Zach het tafereel. ‘Wij zijn de nieuwe tribale leiders hier,’ zegt hij.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.