Documentairemaker

Begin vorig jaar legde ik Judith Herzberg voor een film over haar en haar werk te maken. Ik had al bedacht dat het een film moest worden mét Judith, niet een film waarin allerlei mensen iets óver haar zeggen. Zij zei “ja”, maar gaandeweg merkte ik dat zij eigenlijk “nee” had bedoeld.

Judith had mij gewaarschuwd. “Dit moet je weten,” zei ze voordat ik met filmen begon. Ze gaf me een knipsel uit NRC Handelsblad. Daarin bespreekt Frits Abrahams een aflevering van het tv-programma De Plantage van Hanneke Groenteman waarin Judith te gast was. “Weinig schrijvers zijn zó moeilijk te interviewen,” schrijft hij. In zo’n situatie is ze “gereserveerd en sceptisch. Herzberg is zó beducht voor persoonlijke, psychologiserende vragen dat ze er misschien beter aan doet om alle interviews te weigeren.” Maar ik wilde de film heel graag maken, dacht: komt tijd, komt raad.

Ik begon de film door te zoeken naar plaatsen waar werk en leven bij elkaar komen. Ik wilde Judith portretteren via haar werk, haar toneelteksten en haar poëzie. Zo zijn er drie gedichten met als titel “Wieringen” die mij heel belangrijk leken. In augustus 1940 werd haar vader, Abel Herzberg, directeur van het werkdorp Wieringen. Daar werden Joodse jongeren, hoofdzakelijk Duitse emigranten, opgeleid voor uitzending naar Pales­tina. Zijn vrouw en drie kinderen gingen mee. Judith was vijf. Een jaar later werd dit dorp opgerold door de SD. Het merendeel van de jongeren is naar Mauthausen gestuurd en daar vermoord. Via kamp Barneveld kwamen Abel Herz­berg en zijn vrouw in Bergen-Belsen terecht, de kinderen doken afzonderlijk onder.

Judith verbleef op een groot aantal adressen. Zij heeft veel milieus van binnenuit leren kennen. “Als kind ben je een soort afluisterapparaat,” zegt zij in de film. Dat vind je terug in haar toneelstukken. Uit de manier waarop mensen daarin met elkaar praten, uit kleine details, weet Judith feilloos duidelijk te maken om wat voor soort mensen het gaat. Als ondergedoken kind dacht ze voortdurend hoopvol: als het maar eenmaal ná de oorlog is. Toen het zover was, zag zij na jaren haar moeder weer terug. “Een vreemde vrouw,” zegt Judith. “Ik vond er niks aan. Pijnlijk en raar.” Over die ontmoeting schreef zij een aangrijpend gedicht, dat ze voorleest in de film. Waarna ze zegt: “Het is eigenlijk nooit na de oorlog geworden.”

Judith is voor de film meegegaan naar het vroegere werkdorp. Achteraf vond ze het niet prettig. Dat zei ze ook – en ik zag in dat het bezoek aan plekken uit het verleden niet nodig is voor begrip van haar werk.

Terwijl de opnamen vorderden, sprak ze steeds vaker haar angst uit dat veel van wat wij filmden verkeerd geïnterpreteerd kan worden. Wat ik in beeld wilde brengen, wilde zij juist afschermen: “Daar heeft niemand iets mee te maken.” Ik zei bijvoorbeeld tegen haar dat ik haar werkkamer wilde filmen. De foto’s die daar hangen, de dozen “nog te doen” en “bijzondere projecten”. “Dat kan niet,” vond Judith. “Dan moet jij mij maar vertellen waarom dat niet kan,” opperde ik. Dit gesprek, en Judiths argumenten, komen voor in de film. Ik heb niet verder aangedrongen. Ik respecteerde het als zij zei: tot hier en niet verder. “Er is een verschil,” zei zij, “tussen intimi en de wereld die tv kijkt.” Ik realiseerde me dat zij gelijk had.

Judith en ik kennen elkaar heel lang, en dat laat ik de kijker weten. Mijn vader begon als jonge advocaat bij Rients Dijkstra in Amsterdam – dat werd later het kantoor Dijkstra, Herzberg en Van Schaik, advocaten. Dijkstra was ook directeur van De Groene. Abel Herzberg had daar al in september 1945 het dagboek gepubliceerd dat hij in Bergen-Belsen had bijgehouden. Mijn grootmoeder, Jeanne van Schaik-Willing, schreef ook voor De Groene. Zij was ook bevriend met de moeder van Judith. Zo ontstond een band tussen onze families. Judith was belangrijk voor mij toen ik mijn smaak begon te ontwikkelen. Zij was een voorbeeld voor mij. Ja, dacht ik, zo kan het natuurlijk ook: die sfeer, die kleuren, de voorwerpen in haar huis. Daarom wilde ik zo graag de dingen in haar huis filmen. “Maar dan wordt het een film over jou,” zei Judith. En dat was ook weer niet de bedoeling.

Voor de film reisden we naar Israël, waar Judith vaak verblijft en in Vrij Nederland regelmatig over geschreven heeft. Het land is belangrijk voor haar en wat daar gebeurt, gaat haar zeer aan het hart. We hoopten dat Judith zich daar gemakkelijker zou laten filmen. Ik had besloten mij daar door haar te laten leiden. Zij wilde laten zien wat haar inspireerde. We gingen naar Sachnin, een bijzonder ecologisch centrum, waar Joodse en Arabische scholieren samen worden rondgeleid. Er gebeurde daar niet zo veel dat ik in de film wilde gebruiken, maar voor Judith was dat centrum belangrijk. Het bezoek maakte pijnlijk duidelijk hoezeer we andere verwachtingen hadden van de film. Ik wist het toen even niet meer. Dit bezoek was één groot misverstand. Ook Judith was er ongelukkig over. “Waarom zou dat wat jullie opnemen iets zeggen over mij?” vroeg ze. Dat was een moeilijk moment. In de film is het een ongemakkelijk scharnierpunt geworden.

We hebben uitgebreid gesproken over de jaren van onderduik en de oorlog, en Judith heeft daar bijzondere dingen over verteld. Ik wilde dat graag, omdat ik denk dat van die jaren veel is terug te vinden in haar werk. Maar van dat gesprek is maar heel weinig in de film gekomen. Vooral omdat Judith niet wilde dat het steeds over de oorlog zou gaan. Ze wilde dat het zou gaan over werk waar ze nu mee bezig is.

Judith legt ook uit hoe zij poëzie schrijft. Zij neemt zich voor: vanavond ga ik dit idee eens goed onder woorden brengen. Zij is daar uren en uren mee bezig, maar het lukt niet. Maar opeens, als zij iets anders op papier zet, komt er een toegift. Iets heel anders. De bijvangst. En dat is dan het goede.

Dit is misschien vergelijkbaar met de manier waarop de film is gemonteerd. Je ziet al die beelden, je maakt een plan en al doende begint het je te dagen hoe de film eruit zou kunnen zien. Een traditioneel begin, de opnamen in Wieringen. Flarden van Judith en mij in discussie. Scènes uit haar toneelstukken. Ik had de steun van de editor hard nodig om ervoor te zorgen dat de kijker die verschillende lijnen vast kan houden.

We waren druk bezig met de montage toen Judith belde. Zij wilde nog iets zeggen. Wij naar haar toe met camera en geluid. Zij drukte ons op het hart: “Ik wil niet dat het een ontroerende film wordt.” Ik vroeg waarom. Daar moest zij over nadenken. En uiteindelijk zegt ze dan toch waar het om draait: “Ik ben te kwaad,” zegt ze. “Te kwaad over wat er is gebeurd, het planmatig vermoorden.” Zij is bang voor wat er naar boven komt wanneer ze die woede toelaat.

De film Bijna nooit… Judith Herzberg is een weergave geworden van een aantal stappen op weg naar een film. Stappen in een zoektocht naar de drijfveren van een schrijver. In dat zoeken zit de film.

Saskia van Schaik

Saskia van Schaik (1948) werkt sinds 1981 bij de VPRO-televisie. Ze begon ?als researcher voor documentairemakers. Daarna was ze eindredacteur van verschillende programma’s over kunst en cultuur. Als documentairemaker werd ze bekend met Korreltjie niks is my dood (2001) over de Zuid-Afrikaanse dichteres Ingrid Jonker (bekroond met een Zilveren Roos in Montreux) en Tsypkin, een Russische vertelling (2004) over Leonid Tsypkin, de schrijver van Zomer in Baden-Baden. Op dit moment is zij voor de VPRO eindredacteur van Het uur van de wolf. Haar film over Judith Herzberg gaat op 30 september in première tijdens het Nederlands Filmfestival in Utrecht. Diezelfde dag is de film op de televisie te zien in Het uur van de wolf, 23.15 uur.