Iedere machthebber drukt er zijn 
stempel op, maar het Kremlin 
staat nog steeds. 
Catherine Merridale schreef er een wonderschone geschiedenis van.

Eind jaren negentig daalde ik samen met schrijver Frank Westerman voor het eerst af in de Moskouse riolen. We baggerden door de manshoge buizen met stront en ratten, in het klotsende spoor van de voorman der Moskouse ‘Diggers’. Het doel was niet mis: de Opperdigger, een gek met de naam Michailov, had ons beloofd de geheime ondergrondse tunnels en metrogangen te laten zien, gebouwd in opdracht van dictator Jozef Stalin. Het was een fascinerende ervaring. De Digger toonde ons ook het in de achttiende eeuw onder de aarde weggemoffelde riviertje de Neglinnaja. Telkens als ik nu in de bladgouden zaal van het Bolsjoi Theater zit te klappen voor La Traviata of Het Zwanenmeer, moet ik even denken aan het zwarte, stinkende universum twintig meter onder mij. De geheime Stalintunnels kregen we echter niet te zien. Natuurlijk niet: ze waren door Michailov uit zijn duim gezogen om ons, journaille, een paar honderd dollar afhandig te maken.

Mijn hart sprong dan ook op toen ik in Het Kremlin. Een politieke en culturele geschiedenis van de eminente Britse historica Catherine Merridale, las dat dit gangenstelsel wel degelijk bestaat. Zo rijdt er in elk geval een ondergrondse tram. Hij verbindt de Senaat, achter de hoge Kremlinmuren, met het ruim een kilometer verderop gelegen voormalige gebouw van het Centraal Comité aan het Oude Plein. In de revolutionaire augustusmaand van 1991, toen de coup door een junta van dronken apparatsjiks tegen Michail Gorbatsjov was mislukt en de Sovjet-Unie zijn laatste stuiptrekkingen beleefde, gebruikten verstokte leden van de communistische adel deze tram om aan de volkswoede te ontsnappen. Ook voor hen was het bestaan ervan een verrassing. Maar de rest van het geheime stelsel? ‘Iedereen weet dat dat bestaat,’ citeert Merridale de vriend en tolk van Gorbatsjov, Pavel Palaztsjenko. ‘Maar zij die deze met eigen ogen hebben gezien kunnen toch moeilijk zeggen dat die metro nog steeds deel is van het geheime communicatienetwerk van het Kremlin?’

Wreedheid, smart en bloed

We zijn dan op bladzijde 352 van het 500 pagina’s tellende boek waarvan er in zijn soort, als panoramisch overzicht van zowel de geschiedenis van de citadel als van de Russische staatsmacht en orthodoxe Moederkerk, bij mijn weten geen tweede bestaat. Chronologisch, helder, beheerst, op elke bladzijde getuigend van de toegewijde wetenschapper die de auteur is, wordt de lezer getrakteerd op een film van negen eeuwen Russische geschiedenis. Of misschien beter: een opera, waarvan zowel de decors als de protagonisten, van de vorsten Joeri, Peter en Catharina de Grote en Nicolaas II als laatste tsaar, tot de sovjet-leiders Lenin, Stalin, Gorbatsjov en Vladimir Poetin aan toe, telkens wisselen.

Parade op het Rode Plein, juni 1945. Foto: Yevgeny Khaldei
Parade op het Rode Plein, juni 1945. Foto: Yevgeny Khaldei

We zeilen door een wereld vol wreedheid, smart en bloed, afgewisseld door amper te bevatten opofferingsgezindheid, praal en heroïek. De mooiste momenten voor de lezer zijn die waarbij er wordt ingezoomd op het lot van de enkeling; wanneer de tijdgenoot zelf aan het woord komt. Zoals de Hollandse graankoopman en chroniqueur Isaac Massa (zijn vlezige gestalte komt voor op twee portretten van Frans Hals), die als ooggetuige fijntjes opmerkt dat de usurpator Boris Godoenov na het schrikbewind van Ivan de Verschrikkelijke belooft dat er vijf jaar lang geen bloed zal worden vergoten in Moskou. Een belofte, aldus Massa, waaraan hij zich hield door zijn vijanden te verstikken, te verdrinken of te verbannen naar het klooster.

Een woud van kerken en paleizen mag dan in de loop der eeuwen in het Kremlin zijn verrezen en weer verdwenen – de machthebbers bleven pogen de geschiedenis naar hun hand te zetten of deze uit te wissen – de baksteenrode vesting met zijn zwaluwstaartkantelen is tot op de dag van vandaag het symbool van de Russische staatsmacht. Een moloch waarvan de vijf torens nog altijd worden gesierd door de drieënhalve meter hoge robijnrode glazen sterren uit het Sovjettijdperk, die de beste sappeurs van Napoleon in 1812 niet wisten op te blazen en van waaruit Stalin zijn strijd tegen Hitler (en zijn eigen volk) met een duivelse energie regisseerde.

Genetische cocktail

Een belangrijk keerpunt is het jaar 1325, wanneer er volgens Merridale voor het eerst sprake is van een Kremlin als vorst Ivan I de houten burcht, een kolking van edelen, kooplieden en geestelijken, mag versterken. Ivan heeft enige tijd doorgebracht in Saraj, de hoofdstad van de Gouden Horde aan de monding van de Wolga. Als belastinginner voor de Khan is hij een voorbeeldige collaborateur, maar wel een met een eigen programma. In het oude Europa zijn dan al veel van de grote kathedralen verrezen, de Renaissance met Italië als wegvliedend middelpunt woedt, maar Moskou is nog een verre, door ondoordringbare bossen omringde plaats die rondspartelt in betrekkelijke achterlijkheid. Toch deden in de rest van de wereld ook toen al de verhalen de ronde over de sprookjesachtige hoeveelheden bont, goud, edelstenen en andere rijkdommen die er in het dichte, door wolven en beren bewoonde woud verborgen lagen.

Zoals in de jaren ’90 van de vorige eeuw een stroom westerse kapitalisten naar Moskou trok vanwege olie, gas, nikkel en goud, zo was het middeleeuwse ‘Roes’ al een bestemming voor op fortuin beluste handelaren en avonturiers. Volgens een Arabische reiziger stonden er in 1333 op de markt van Saraj Slaven, Duitsers en Hongaren zij aan zij met Mongolen, Chinezen en Sogdische zijdehandelaren. De osmose van volkeren en stammen die in de loop der eeuwen in Rusland heeft plaats gevonden, is even fascinerend als voor veel contemporaine historici omstreden. Voor een Russische patriot is het moeilijk te verteren dat buitenlanders vermoedelijk aan het begin stonden van de Russische Werdegang. Maar het is een feit dat Finse, Slavische en Baltische stammen, Mongolen, Duitsers, Chazaren, Joden en andere volken door de tijden heen een genetische cocktail zijn aangegaan die heeft geleid tot wat we nu het Russische volk noemen. De resultaten hiervan zijn nog altijd te zien. Zo kan het voorkomen dat je in de Moskouse metro naast een Germaansblonde vrouw staat met oosterse, amandelvormige ogen. Onder mij woont een Rus met de presentie van een Noorman, terwijl ik een Joods-Armeens meisje ken met Tataars-Russisch bloed dat je overal op de wereld zou kunnen tegenkomen. Niet in de laatste plaats bij een internationale missverkiezing.

Een berg vet

Als in 1453 Constantinopel door de Ottomanen wordt ingenomen, ontwikkelt Moskou zich steeds meer als opvolger van de oosterse christelijke wereld, tot het Derde Rome. Zwermen naamloze slaven verfraaien de muren, de kloosters en de kerken in het Kremlin, als vroege voorgangers van het miljoenenleger van gastarbeiders uit landen als Tadzjikistan, Oezbekistan en Kirgizië dat nu de huidige Russische prestigeprojecten bouwt, zoals de stadions voor de komende Winterspelen in Sotsji.

Ronduit prachtig zijn de passages waarin Merridale de Renaissance naar Rusland laat komen – bijna letterlijk, in de persoon van prinses Zoë, de in Italië opgegroeide nicht van de laatste keizer van Constantinopel. In 1472 treedt ze, na een lange reis door de Europese oerbossen en vlaktes, in het huwelijk met tsaar Ivan III. Ze wordt al snel omgedoopt tot vorstin Sofia. In het voetspoor van deze weinig aantrekkelijke vrouw – ‘Een berg vet,’ schreef de dichter Luigi Pulci na een avondlijke audiëntie met haar. ‘Ik kon de hele nacht alleen nog maar dromen van bergen boter en vet’ – kwamen een aantal van de beste Italiaanse architecten, bouwmeesters en kunstenaars, onder wie de in Bologna geboren Aristotele Fioravanti, die tekende voor onder meer de Maria-Hemelvaartkathedraal die op 12 augustus 1479 werd ingewijd.

Als lezer mogen we de auteur dankbaar zijn voor het monnikenwerk dat zij verrichtte in de Moskouse archieven en bibliotheken

Duitse kanongieters, Perzische smeden, een arts uit Venetië die zich ‘Leon de Jood’ noemde, Merridale beschrijft het Kremlin als een van monniken, edellieden, ambtenaren en ambachtslui wemelende, multi-etnische, veeltalige smeltkroes. Op hun knieën, vaak bij vrieskou en in straaltjes licht die door de met mica of vissenblazen bespannen ramen naar binnen viel, deden kopiisten en geestelijken hun werk. De meeste techniek, kennis en kunde werd (met de vaklui) geïmporteerd, een fenomeen dat wederom angstige overeenkomsten oproept met het huidige Rusland, dat twintig jaar na het einde van de USSR amper kan bogen op eigen productie van consumptiegoederen. Zelfs het huidige Russische leger is voor zijn meest geavanceerde wapentechnieken afhankelijk van het Westen, al speelt dit alles zich af in een schimmige wereld van spionage en contraspionage. Tegelijkertijd was de angst en de minachting voor de Machrabi (‘de Arabieren’, zoals alle buitenlanders werden genoemd) groot. Een fenomeen dat pas met Peter de Grote, wiens bloedige campagne Rusland te moderniseren door Merridale rijkelijk wordt opgevoerd, enigszins veranderde.

Vertrappingsdood

Als lezer mogen we de auteur dankbaar zijn voor het monnikenwerk dat zij verrichtte in de Moskouse archieven en bibliotheken om te komen tot dit imponerende boek, dat een kralenketting is van heerlijke details. Zelf woon ik op tien minuten lopen van het Kremlin, ik kom er elke dag wel even langs, maar dat de burcht vroeger omgeven was door een slotgracht was volstrekt nieuw voor mij. En voor mijn Russische kennissen, bij navraag, eveneens. Vlak buiten deze gracht hield Ivan de Verschrikkelijke leeuwen, hem geschonken door de Engelse koningin, en later ook een olifant. Een aardige wetenswaardigheid is ook dat het Rode Plein feitelijk bedoeld was als brandgang, om een stuk open land te creëren tussen de vesting en stad, die tot midden negentiende eeuw vooral uit hout bestond en om de haverklap door een vlammenzee in de as werd gelegd.

Merridale wist het vertrouwen te winnen van de Kremlincurators, zag voorheen gesloten geschriften in, daalde af in de catacomben en trof achter verzegelde deuren restanten van eeuwenoude, lang verloren gewaande kerken. Zoals het door tsaar Nicolaas I gebouwde Grote Kremlinpaleis, waar de gouden troonzaal door Stalin werd gesloopt om er zijn Partijcongressen te houden, maar dat onder Boris Jeltsin in de jaren negentig in zijn oude glorie werd hersteld. In dezelfde periode herrees buiten de muren van het fort de Christus-de-Verlosserkathedraal, inmiddels beter bekend als de Pussy Riot-kerk. De resurrectie was de zoveelste poging van de macht om schoon schip te maken met het verleden – in dit geval dat van de USSR, waar atheïsme deel was van de heersende ideologie.

Het Kremlin in de tijd van tsaar Ivan I, litho uit 1921 door Appolinari Mikhaylovich Vasnetsov. Foto: Culture Images/Hollandse Hoogte
Het Kremlin in de tijd van tsaar Ivan I, litho uit 1921 door Appolinari Mikhaylovich Vasnetsov. Foto: Culture Images/Hollandse Hoogte

Als kind had hij er zich achter de muren nog vermaakt met zijn legertje van dwergen, maar nadat Peter de Grote in 1703 Sint-Petersburg had gesticht als zijn nieuwe hoofdstad, stevende het Kremlin in de achttiende eeuw af op een intermezzo, waarbij de vesting niet langer het bestuurlijke en religieuze hart was van het rijk. Dat betekende niet dat het met Moskou als stad gedaan was: in de achttiende en negentiende eeuw was het een fonkelende wereld vol zinnelijkheid, theaters, restaurants, wandelboulevards, met grote verschillen tussen arm en rijk. Wederom: zoals nu. De elite van edellieden en kooplieden wentelde zich in luxe en comfort en volgde de Europese kunst, literatuur en mode op de voet. ‘De stad is zo groot als Parijs,’ schreef Napoleon in 1812 aan zijn vrouw. ‘En op het oog van alles voorzien.’ Nadat de Russen de door de Franse keizer begeerde stad in de brand hadden gestoken, schreef hij: ‘Moskou, een van de mooiste en rijkste steden ter wereld, bestaat niet meer.’

Toen de laatste tsaar Nicolaas II, die zich zag als de verpersoonlijking van een mythische band tussen zijn volk en God, in 1896 in het Kremlin werd gekroond, vonden even verderop bijna tweeduizend burgers de vertrappingsdood. De arme sloebers hadden hun zucht naar een gratis drankje en hapje met hun leven moeten betalen. Een omen voor wat er volgde: de Oktoberrevolutie van 1917, de ineenstorting van het tsaristische imperium, de USSR. Onder Ivan de Verschrikkelijke had de paranoia, de angst voor verraders en spionnen, al haar intrede gedaan, maar deze beleefde onder Stalin zijn apotheose. Het Kremlin werd opnieuw het bolwerk van de macht, een spookhuis waar de opportunistische, cynische en leugenachtige bolsjewistische adel zich liet bedienen door butlers en zich tegoed deed aan vlees, wijn, cognac, room, pasteitjes en gewillige dienstmeisjes, terwijl het proletariaat en de boeren buiten de muren de hongerdood stierven of omkwamen in de kelders van de geheime dienst of de eerste kampen.

Ministerie van Waarheid

In vergelijking tot meer gelikte historici als Simon Sebag Montefiori (De jonge Stalin) of Orlando Figes (Natasja’s dans) die succesvol het procedé hanteren authentieke bronnen zodanig op te voeren dat deze bijna natuurlijk aan hun eigen briljante brein lijken te ontsnappen, schrijft Merridale nogal terughoudend. Maar dat is voor deze wonderschone studie over Rusland amper een gebrek. Op dit moment wordt in Moskou de laatste hand gelegd aan een nieuw geschiedenisboek voor alle middelbare scholen, waarin de nationalistische glorie wordt bezongen en elke dissonant – van de Stalinterreur tot de gijzelingstragedie met de school te Beslan in 2004 – is geschrapt. Je zou wensen dat het werk van Merridale verplichte lectuur werd voor de jongste generatie Russen. Maar daaraan heeft het Orwelliaanse ‘Ministerie van Waarheid’ in Moskou natuurlijk geen enkele behoefte.