Simone van Saarloos kan het niet helpen: iets aan ‘meeroken’ zint haar wel. Roken vindt ze vies, dus het zal het ‘mee’ wel zijn. Wie rookt verbindt door lastig te vallen.

Laatst mocht ik een mannelijk topmodel op de wang tot ziens kussen. Ik heb er niet van genoten, want ik had een sigaret opgestoken en rook alleen mezelf. Als geur een vaste vorm had, was sigarettenrook een baksteen. Ik schaamde mij.

Twee vrienden zijn nu drie weken gestopt met roken. Ze zien er blakend uit en liggen ’s ochtends vroeg in het zwembad om de plots verkregen extra energie borstcrawlend kwijt te raken. Ze slapen korter, praten meer, proeven hun eten met grote ogen. Verliefdheid is er niets bij. Het is fantastisch hen zo te zien. Toch knaagt er iets. Ook de dingen waarbij iedereen ‘gefeliciteerd!’ roept, bevatten een keerzijde. Daarom klinkt It’s my party and I cry if I want to totaal logisch.

Ik heb afgesproken met vriend H.. We knuffelen elkaar gedag, mijn neus belandt daarbij in zijn krullen en hij vraagt: ‘Sorry, stink ik naar rook?’ Ik had niets gemerkt, maar H. vertelt. Hij komt net van het aan-huis-kantoor van een vakgenoot. ‘We spraken elkaar een uur en hij pafte wel zeven sigaretten.’ Hij bekende dat hij zich nu afvroeg of hij wel met de man moet samenwerken. ‘Het zag er zo gestrest uit.’ Bovendien hield die man geen rekening met hem. Ja, het was zijn eigen huis en kantoor, maar iedereen weet toch dat meeroken superslecht is? Ik zei H. dat hij belachelijk conservatief klonk.

Ze zeggen dat je neus bepaalt op wie je valt. De neus kan wellicht ook dienen als ethisch kompas. Maar het stoorde mij dat H. het idee had dat hem iets was aangedaan. Hij riep: ‘Het is bewezen ongezond!’

We belandden in een kibbelende discussie. Deels vond ik dat H. geen verantwoordelijkheid had genomen: als hij het gedrag van de man zo vervelend vond, had hij er iets van moeten zeggen. De vrucht van een terechtwijzing is dat de wereld van de beschimpte breder wordt: door te horen wat een ander vervelend vindt, zie je nieuwe aspecten en details die voor jou helemaal niet zichtbaar en belangrijk zijn. Deels was het kinderlijke rebellie van mijn kant. Ik vind roken vies, maar als iedereen dat vindt, wordt het ineens een retorische kunst om anderen ervan te overtuigen dat sigaretten naar bloemetjes ruiken.

Toch denk ik dat het wel degelijk belangrijk is om het schermende belang van ‘gezondheid’ te blijven bevragen. Met name wanneer een goede gezondheid bedoeld is om een ‘beter’ leven te leiden, terwijl de aard van dit ‘beter’ niet kritisch wordt bevraagd.
Er is iets aan meeroken wat mij zint. En het is niet het roken zelf. Dus is ’t het ‘mee’. Je creëert verbinding door anderen lastig te vallen.

Met het aannemen van stellige regels verdwijnt de anticiperende en actieve bemoeienis.

Ik kijk uit over een stadsplein. Een moeder of dienstdoend verzorger staat bij haar bakfiets te roken, het kind dreint. Verderop een geparkeerde vrachtwagen. De chauffeur zwaait vrolijk vanaf de zakkende laadklep, de aandacht van het kind verschuift, het huilen stopt. Op de truck staat: distribution solutions. Een ander afleiden is een deugdzame daad. En afleiding ligt dicht op ergernis. Gelukkig maar, want de imperfecties en frustraties die naar voren komen in het contact met een ander zijn motiverender dan de tekortkomingen die je zelf kunt bedenken. Daarom stoorde ik mij aan de regels die vorige week in Vrij Nederland bij het stuk over xtc-gebruik onder jongeren stonden: ouders, doe dit wel en dit niet. Met het aannemen van stellige regels verdwijnt de anticiperende en actieve bemoeienis.

Vlak voordat het topmodel het feest echt verliet, even nadat hij mij op de wang gedag kuste, besloot ik een frisse kans te verdienen. Op een stuk papier schreef ik mijn nummer en ook ‘Eigenlijk rook ik niet’. Het papiertje vouwde ik klein, toen drukte ik hem de hand. Hij nam het aan, waarschijnlijk omdat hij dacht dat het een envelopje cocaïne was. Alleen daarom al kan ik niet tegen drugsgebruik zijn.