Maakt een extra taal, of dat nou Italiaans, dialect of straattaal is, je slimmer? Taalkundige Rik Smits weet het zo net nog niet. Sorry, tweetaligen, stel het juichen nog even uit.

Pas maar op, parmantige ABN-spreker, want die vermaledijde hangjeugd met z’n straattaal staat er, net als die nauwelijks verstaanbare Drent, Tukker en Limburger, mentaal beter voor dan u. Uit allerlei onderzoek zou gebleken zijn dat niet alleen meertaligheid, maar ook van huis uit een taal plus een dialect beheersen leidt tot een beter concentratievermogen, een beter vermogen tot plannen en meer weerstand tegen de ziekte van Alzheimer.

Dat was althans de sensationele boodschap die een redacteur van het programma De kennis van nu op 27 september, via Radio1, uitstuurde op gezag van de Amerikaanse taalkundige Michael Erard – zonder hem overigens te noemen.

Het is van dat nieuws dat je altijd maar beter met een forse schep zout kunt nemen, want als mensen die naast het Nederlands ook straattaal of een dialect spreken werkelijk belangrijke psychofysiologische voordelen genieten, zou je daarvan toch positieve effecten moeten kunnen zien. Dat zulke kinderen op school bovengemiddeld presteren, bijvoorbeeld, maar dat is in elk geval nog nooit iemand opgevallen. Sociaal schiet je er al helemaal niets mee op, want waar de opzichtige polyglot Frans Timmermans met een mengeling van afgunst en bewondering bejegend wordt, is buiten het eigen subcultuurtje niemand ervan onder de indruk dat je naast het Nederlands, wallah!, ook straattaal spreekt, en heeft het dagelijks praktiseren van een dialect zelfs een flink negatief effect op je inkomen.

Vrijwel de enigen die zich op de borst kloppen vanwege het dialect dat ze van thuis meekregen, zijn dan ook politici met een regionale achterban en heemschutters. Wat ook de voordelige effecten van opgroeien met meer dan alleen één taal op je hersens zijn, blijkbaar verdwijnen ze in het niet bij die van status en groepsidentificatie.

Bovendien is het maar helemaal de vraag of de veronderstelde gunstige effecten op hersenfuncties als concentratie en planning wel bestaan. Aan de ene kant worden positieve onderzoeksresultaten gretig gepubliceerd, maar verdwijnen onderzoeken waaruit geen effect blijkt nogal eens als mislukt in de bureaula. Daardoor hebben we mogelijk een positief vertekend beeld van de invloed van talenkennis op hersenfuncties. Aan de ander kant is, zoals Erard ook meldt, een groot deel van de onderzoeken waarbij wel gunstige effecten werden gevonden te klein van omvang of te beperkt van opzet om er harde conclusies uit te kunnen afleiden.

Van meertalig opgroeien wordt trouwens nog maar kort iets goeds verwacht: nog maar drie, vier decennia geleden zagen Europese en Amerikaanse deskundigen er een groot gevaar in. De kindergeest zou, als ze aan meer dan één taal tegelijk werd blootgesteld, hopeloos in de knoop raken, met een permanente verwarring tussen de talen en allerlei psychische ellende tot gevolg. Daarom werd immigranten aangeraden om zo snel mogelijk ook binnen het gezin de taal van het nieuwe land te bezigen. Het gevolg was dat menig tweetalig opgegroeid kind er diep van overtuigd raakte dat het met een groot psychisch probleem kampte.

Wat al die deskundigen over het hoofd zagen, was dat meertaligheid in de wereld veel gewoner is dan ze dachten. Buiten hun Euro-Amerikaanse blikveld groeiden talloos veel miljoenen in niet als staat georganiseerde samenlevingen op met, bijvoorbeeld, één omgangstaal en een of meer talen voor contacten met mensen en groepen buiten de eigen familie, het eigen dorp of de eigen stam (in totaal soms wel vier of vijf) die ook nog eens in niets op elkaar hoefden te lijken. Dat gebeurde gewoon in en om het huis, dus zonder dat kinderen er formeel in onderricht werden. Iets daarvan zien we ook bij ons, waar mensen soms thuis dialect spreken, op het schoolplein een groepstaaltje, en in de klas of op het werk standaard Nederlands.
Maar in Europa, dat sinds de Vrede van Münster in 1648 steeds sterker in nationale eenheidsstaten georganiseerd raakte, was eentaligheid officieel de norm.  Dit vooral omdat minderheidstalen als het Baskisch, Catalaans, Bretons, Gaelic, Occitaans, Fries, Plattdeutsch en nog veel meer om politieke redenen genegeerd of onderdrukt werden. Ze wáren er wel en ze leefden ook: in een tijd zonder media, geregeld onderwijs en goede wegen, waarin minder dan 15 procent van de bevolking kon lezen en schrijven, spraken verreweg de meesten immers slechts één dialect van één taal. Maar al die gewone lieden spraken destijds politiek en cultureel alleen een woordje mee als ze tegen het standaardtaal sprekende centrale gezag in opstand kwamen, en dan werd er op ze geschoten.

Ook Amerika streefde lang naar eentaligheid. In dat immigratieland was het Engels het symbool bij uitstek van geslaagde Amerikanisering – tot ver na de tweede Wereldoorlog hielden alleen marginale religieuze en etnische groepen vast aan het Duits, Italiaans of Spaans van ’thuis’. In Holland en Zeeland in Michigan zul je bijvoorbeeld vergeefs naar iemand zoeken die ook maar een woord Nederlands spreekt.

Echte tweetaligen vergissen zich niet, die gooien nooit per ongeluk een stukje Swahili door hun Zweeds.

Meertaligheid stond dus lang ook om politieke redenen in een kwade reuk, als bedreiging van de nationale eenheid. Maar langzaamaan kwamen taalkundigen en psychologen, dankzij meer kennis van de niet-westerse wereld, betere technieken en theoretische vooruitgang in hun vak, tot de ontdekking dat hersenen helemaal geen bezwaar hebben tegen het leren van meer talen tegelijk. Dat ze die talen wonderlijk genoeg moeiteloos uit elkaar lijken te houden: echte tweetaligen vergissen zich niet, die gooien nooit per ongeluk een stukje Swahili door hun Zweeds. Dat doen anderhalftaligen, mensen die een van twee talen niet volledig hebben leren beheersen of door te weinig gebruik hebben laten verroesten.

Eigenlijk ligt het alleen maar voor de hand dat voor het opgroeien met een standaardtaal plus een dialect precies hetzelfde geldt: het verschil tussen een taal en een dialect is slechts gradueel en standaardtaal is domweg het palet van dialectvarianten dat de maatschappelijke, politieke en culturele elite bezigt – Standaard Nederlands mag best een zachte G, een Gooise R of een Haags tintje hebben, maar het echte Hagenees hoort er niet bij. Feitelijk is de enige interessante vraag dus of het effect van het leren van twee talen of dialecten op de hersens groter wordt naarmate de verschillen ertussen groter zijn: Leids klinkt apart, maar wijkt qua woordenschat en grammatica niet noemenswaardig af van standaard Nederlands. Limburgs verschilt al sterker, Vlaams nog meer, en tussen Nederlands en Chinees of Turks zijn maar weinig overeenkomsten meer aan te wijzen. Maar of dat zo is weet niemand.

Standaard Nederlands mag best een zachte G, een Gooise R of een Haags tintje hebben, maar het echte Hagenees hoort er niet bij.

Wat wel als een paal boven water staat, is dat mensen die alleen maar een niet-standaard dialect spreken of het Nederlands slecht beheersen, ernstig in het nadeel zijn en in veel opzichten maatschappelijk worden buitengesloten. Bennie Jolink is met zijn sappige Achterhoeks de karikaturale uitzondering die de regel bevestigt, omdat hij van zijn boerse Normaal-heid zijn fort wist te maken.

Die maatschappelijke uitsluiting is ook wat zorgen baart met betrekking tot het straattaalvolk. Straattaal is geen dialect maar een pidgin, een amalgaam van brokken van verschillende talen dat gebruikt wordt binnen een groep mensen die het zonder gemeenschappelijke taal moet stellen. Het probleem met straattaal is dat het in sommige omgevingen niet functioneert als middel om met anderen in contact te komen, maar als jargon dat de groep gesloten houdt. Dat kan ertoe bijdragen dat de groepsleden met hun rug naar de samenleving komen staan en hun maatschappelijke kansen worden gesloopt.

Blijft er dan helemaal geen goed nieuws over? Toch wel. Meertaligheid lijkt inderdaad een flink vertragend effect te hebben op de ontwikkeling van de ziekte van Alzheimer. De periode tussen een vroege diagnose en het optreden van serieuze symptomen kan bij meertalige ouderen tot wel vijf jaar langer duren. En het mooiste nieuws is dat niet alleen geboren tweetaligen ervan profiteren, maar dat ook het leren van een nieuwe taal op latere leeftijd nog effect heeft. Het is net als bij stoppen met roken: beter laat dan nooit. Dus kom op, schrijf je in voor die cursus Italiaans.