Van de Nobelprijs 2014 voor literatuur stond ik indertijd nogal te kijken, niet omdat hij werd toegekend aan iemand van wie ik nog nooit een syllabe had gelezen (zoals J.M.G. le Clézio, Mo Yan, Svetlana Alexijevitsj) maar omdat hij ging naar een schrijver die ik wel degelijk kende maar die mij ook min of meer vergeten voorkwam: Patrick Modiano. Modieus in de jaren zeventig, samen met andere queesteachtige, naar ’s mensens identiteit zoekende schrijvers als Peter Handke, Botho Strauss, bij ons Leon de Winter van voor zijn complete make-over, was Modiano voor mijn gevoel door het postmodernisme met haar ‘anything goes’-gedachte weggedrukt uit het lezerspubliek, al bleef uitgever Querido zijn werk trouw vertalen en uitgeven. Tekenend ook: tot de toekenning van de Nobelprijs was Modiano’s werk in het Engelse taalgebied nauwelijks verkrijgbaar.
Ook ik had hem opgeborgen in mijn literaire geheugen, maar toch niet definitief, want het schaduwrijke, schemerige en schimmige oeuvre van de Fransman is apart en eigen genoeg om sporen in je achter te laten, juist omdat het anders dan de meeste romans bijna alles onbeantwoord laat – zoals het leven zelf, ben ik geneigd te zeggen. ‘Hij toont net te weinig. Met andere woorden: precies genoeg,’ zei Christiaan Weijts er eens over, en dat is precies raak. Nooit kom je tevreden of gerustgesteld uit een roman van Modiano, altijd resten er onrust, vragen, onduidelijkheden.
Typisch Frans
Dat is zeker zo in misschien wel zijn beroemdste roman en die waarvoor hij (naast de Nobelprijs) zijn belangrijkste prijs kreeg, de Prix Goncourt: De straat van de donkere winkels uit 1978. Het was ook de eerste Modiano die ik las, direct met je neus in de boter, alleen al vanwege de titel. Veel van Modiano’s werk speelt zich in openbare ruimtes af, op straat, in cafés, hotels, bioscopen. Daarin doet het me trouwens denken aan het werk van Sartre, ook zo’n caféganger en straatslijper in leven en literatuur, aan dat van Julien Green en ook aan Franse striptekenaars als Moebius, Bilal en Tardi. Misschien is het wel typisch Frans, want uit eigen ervaring weet ik dat het Franse gezins- en familieleven weinig gezelligheid kent: je wordt als het ware vanzelf naar buiten gedreven, het café of het park in. Parijs, de biotoop van Modiano, is straatleven, kroegbezoek, uitgaan; zodra je er een huisdeur opentrekt om binnen te gaan, waait je een naargeestige kaalheid tegemoet. Je zou kunnen zeggen dat de Franse cultuur, maar vooral ook het werk van Patrick Modiano lijdt aan het Sans famille-syndroom, naar hét kinderboek dat iedere Fransman gelezen heeft, van Hector Malot.
Maar bij Modiano betekent die openbare ruimte niet bepaald dat alles nu zichtbaar, transparant en openbaar is – integendeel. Zoals Nathalie Sarraute de tropismen, de tussenmomenten, de groeischeuten in het bestaan beschrijft, zo beschrijft Modiano de schemerzones, de onafheden, de marges de secret.
Guy Roland uit De straat van de donkere winkels is een typische Modiano-protagonist (het woord ‘held’ is te veel aan); de man, nota bene een privédetective, is zijn geheugen kwijt en gaat op zoek naar zijn verleden, zijn identiteit. Hij komt in een labyrint van zoektochten en kennismakingen wel een eindje, maar toch heb je aan het slot helemaal niet het gevoel dat zijn leven nu is ingevuld. Integendeel: er blijft een vaag, onuitgesproken gevoel van mislukking en teleurstelling hangen. De flaptekst van mijn editie zegt: ‘Ook daar is weer de intense interesse voor de schemerige wereld uit de oorlogsjaren en vlak daarna, een periode die Modiano zelf niet bewust heeft beleefd, maar die voor hem als voorbeeld mag gelden van het soort menselijke (zelf)vervreemding dat hij in zijn romans telkens weer aan de orde stelt.’
Het is bijna steeds halfduister in zijn tientallen romans. Mensen doen halfslachtige dingen, gesprekken leveren niks op. De mens is niet klein of groot maar iets halfs.
Louki heet eigenlijk Jacqueline
Wie over Modiano’s werk leest, wordt telkens weer naar ’s mans biografie gestuurd, die hij trouwens in zijn roman Een stamboek uit 2005 min of meer onverhuld opvoert: Italiaans-joodse vader die schimmige zaakjes deed in de oorlog, een Vlaamse moeder, actrice, bij wier ouders hij zijn vroege jeugd doorbracht, een vroeggestorven broertje. ‘Voor Rudy, voor mijn vader’ is de opdracht in De straat van de donkere winkels, voor de schimmige instanties in zijn leven dus. Intrigerend, zo’n schrijver met een obsessie of misschien zelfs trauma dat zijn hele werk doorgloeit, zoals de Holocaust bij Celan en het vadercomplex bij Kafka. Het geeft de dolende lezer op een paradoxale wijze houvast; in tegenstelling tot de personages van Modiano weet je namelijk precies waar je bij hem aan toe bent, elke roman opnieuw, namelijk: schimmigheid, moeite om dingen te onthouden. ‘Het is waar, ik herinner mij de romans van Modiano nauwelijks. Of ik haal ze door elkaar. Ik zou al zijn boeken opnieuw moeten lezen,’ schrijft Bernlef in zijn postume roman Onbewaakt ogenblik. Hij zal de enige niet zijn. Vaststaat dat niets vaststaat.
Het begin van De straat met de donkere winkeltjes (1978) kan niet modianesker: ‘Ik ben niets. Niets dan een lichte gestalte, die avond, op het terras van een café.’ Je verwacht deze man van ‘niets’ in het vervolg beter te leren kennen, maar nee hoor, eigenlijk weet je aan het eind nauwelijks meer dan aan het begin. Dat is de kunst van Modiano: hij weet je met zijn gedempte, donkere toon bezig te houden met vrijwel niets, geen plot, geen oplossing, er wordt wat geschuifeld, je kijkt door een kier en ziet en hoort iets net niet. Het is bijna steeds halfduister in zijn tientallen romans. Mensen doen halfslachtige dingen, gesprekken leveren niks op. Bij Modiano is de mens niet klein of groot maar iets halfs.
Ook in In het café van de verloren jeugd uit 2006 speelt een speurtocht naar identiteit een belangrijke rol. Wie is de geheimzinnige cafébezoekster Louki, die meedoet maar van wie niemand iets weet? We krijgen een soort speurder te horen, een minnaar, Louki zelf, maar ook hier weer aan het eind geen oplossing, geen opgehelderde identiteit, integendeel: Louki springt om onverklaarbare redenen uit het raam. Alsof Modiano wil zeggen: details, motieven, bekentenissen, het verklaart allemaal niets. Of om het maar eens zwaarwichtig te zeggen: de mens is onkenbaar. Zelfs een naam of registratie levert niets op: Louki heet eigenlijk Jacqueline en is in een ander leven de vrouw van een nette man, haar minnaar Roland heet ook eigenlijk anders, de speurende ik heeft niet eens een naam; dit is een wereld van anoniemen, pseudoniemen en schuilnamen, niemand is wie hij lijkt, zelfs een clochard blijkt een vermomde speurneus.
Zo is het ook met de hoofdpersonen, bijna onveranderlijk ik-figuren; ze doen denken aan Modiano zelf, de biografische details lijken overeen te stemmen, maar zijn ze het ook? In de ene roman heet hij Caisley (een achternaam die trouwens ook weer in een ander boek opduikt), in de andere Roland, weer elders is Roland zijn voornaam, of Jean of Guy: hij is het en hij is het niet en dat stemt wel overeen met de gemiddelde status van Modiano’s personages. In de zojuist vertaalde vroege roman Een jeugd (1981) wordt er over de protagonisten, zwervend door Parijs, gezegd: ‘Ze waren niet meer dan geïriseerde zeepbellen in de kleuren van deze stad: grijs en zwart.’
Opgerolde pyjamajas
Het geldt niet alleen voor hun buitenkant, anoniem in de grote stad, maar ook voor hun innerlijk, ze dolen maar wat rond, op zoek naar huis en houvast. In Het café van de verloren jeugd wordt het haast als een levensmotto geformuleerd: ‘In dit leven, dat soms veel weg heeft van een braakliggend terrein zonder wegwijzers, zou je tussen alle vluchtlijnen en verborgen horizonnen een paar aanknopingspunten willen vinden en een soort kadaster opstellen, om niet langer het gevoel te hebben dat je stuurloos rondzwerft.’
Modiano doet helemaal nogal schamper over het menselijk contact in de geürbaniseerde wereld. In Uit verre vergetelheid – dit keer wandelen we door Londen – lees ik: ‘’s Zomers, in de grote steden, komen mensen die elkaar allang uit het oog verloren hebben of elkaar niet kennen elkaar op een terras tegen en zien elkaar dan weer niet meer. En niets is echt belangrijk.’
Tegenover deze opmerkelijk illusieloze houding staan de scherpe details, die in alle romans van Modiano je oog treffen, of het nu een tot een bolletje opgerolde pyjamajas in een slaapkamer is of het atmosferisch geschilderde interieur van een bar: ‘Met hout betimmerde muren, half schemerlicht. Foto’s van paarden en ruiters. Stijgbeugels. Rijzwepen, de geur van leer.’ Het lijkt wel of de mens maar een detail is in die wereld van voorwerpen en verschijnselen en ook of het noteren van die details een soort levensvoorwaarde is: ‘je bent jong en je schenkt geen aandacht aan bepaalde details die later waardevol zouden zijn geweest,’ merkt de hoofdpersoon in Het circus komt voorbij (1992) op.
Engelenerotiek
Meest opvallend aan Modiano’s universum is wel de topografische precisie waarmee hij de zwerftochten van zijn hoofdpersonen beschrijft. Wie er een kaart van Parijs bij pakt, kan ze letterlijk volgen: ‘We reden over de pont de la Concorde naar de rechteroever. De kaden waren aan die kant nog verlatener. Na de parkjes van het Trocadéro gepasseerd te hebben stopten we op de hoek van de rue de l’Alboni, onder het metroviaduct’ (Het circus komt voorbij), ‘Een paar honderd meter naar het Neuvotel. Ze passeerden de bioscoop Le Drakkar, beneden langs de weg, alvorens de brug over de Vire over te steken’ (Een jeugd), ‘De auto was een eindje verderop in de rue Cujas geparkeerd, daar waar je langs het trottoir traptreden en ijzeren leuningen hebt’ (Uit verre vergetelheid). Kijken de personages uit een raam, dan zien ze in de verte als een soort archimedische punten in hun verder ankerloze bestaan de Seine, of de Eiffeltoren. Die precisie verschaft natuurlijk authenticiteit aan de beschreven gebeurtenissen, maar het heeft ook iets hallucinerends: schimmige mensen in zo’n uitgesproken wereld.
Bernlef die zoals gezegd in Onbewaakt ogenblik over Modiano peinst, vat het als volgt samen: ‘Je zou met een boek van Modiano in de hand de omgeving waarin het verhaal zich afspeelt van a tot z kunnen nalopen. Deze “scherpte” in de beschrijving van de entourage contrasteert met het vluchtige karakter van zijn verhalen. De personages – die hij in een interview eens vergeleek met “stoompluimpjes” – hebben wel een naam, maar slechts een globaal uiterlijk.’ Over hun innerlijk komen wij weinig tot niets te weten. Zij blijven raadselachtig. Ook in hun diepere gevoelens. Als in Een jeugd de jonge Odile door een liftgever wordt verkracht, krijgen we alleen de uiterlijke feiten te horen, bijna absurd in hun klinische weergave: ‘“Wacht… ik moet mijn voorzorgsmaatregelen nemen…” Hij hield op een paar centimeter een half opgerold condoom voor haar gezicht. “Vindt u dat niet vervelend? Ik ben bang voor ziektes.” Hij klemde haar steeds steviger vast en zij probeerde zich los te rukken. Het lukte hem om haar plat op de bank te leggen en hij drukte met zijn hele gewicht op haar. “Het duurt niet lang… Niet bewegen…”’
Alsof het om een doktersbezoek gaat. Even onaangedaan als de dader lijkt het slachtoffer als je na afloop van de verkrachtingsscène leest: ‘Uiteindelijk was dat allemaal volstrekt onbelangrijk. Ze zou er niet eens met Bellune over spreken.’
Modiano’s werk is caleidoscopisch, al zijn boeken grijpen in elkaar, ze zijn bezield van één thema: hoe het verleden te doorgronden.
Wie, geprikkeld door het gerucht van Franse ‘olala’-erotiek Modiano’s werk betreedt, komt van een koude kermis thuis. Zijn haast lichaamloze en dadenloze personages geven ook inzake de liefde niet thuis. In In het café van de verloren jeugd hebben Louki en Roland een relatie, maar we krijgen er nauwelijks iets van te zien of te horen. ‘En toen, op een keer, is ze ’s nachts toch in de Rue d’Argentine gebleven,’ te weten de woning van Roland. En als ze een ruimte zoeken om samen te wonen: ‘Een eenpersoonsbed, maar niet te smal voor ons.’ Geeft wannabe-zangeresje Odile in Een jeugd zich in een poging hogerop te komen in deze wereld aan een platenbaas (omhoog neuken heet dat bij ons), dan lezen we: ‘Ze hoefde alleen maar niet te bewegen en, zoals een uitdrukking van Bellune luidde die ze wel mooi vond, op te gaan in het decor.’ Meer horen we er niet over. Het is voor de voyeur die iedere lezer ook is een ware tantaluskwelling, deze engelenerotiek. Je vraagt je geregeld af of de stellen in Modiano’s romans het wel echt doen, of ze niet gewoon stil en maagdelijk naast elkaar op bed liggen.
Kind van het toeval
De vraag is wat de lezer eigenlijk moet met Modiano’s werk, zo wazig en onbeslist, zo zonder kleur en drama. Het is door Jan en alleman in verband gebracht met de Tweede Wereldoorlog, waarvan Modiano, pal na de oorlog geboren, zelf het product is. ‘Kind van het toeval’ noemt hij zichzelf in de roman Aardige jongens (1982). Zijn eerste roman De plaats van de ster (1968) gaat erover (joodse sjacheraar doet in duistere zaakjes; vader Modiano die zichzelf erin herkende, probeerde alle exemplaren op te kopen), Dora Bruder (1996) ook, maar het merendeel van zijn romans speelt zich erna af, in de jaren vijftig en zestig, in existentialistisch Parijs, overal intellectuelen en kunstenaars op de been, maar bij Modiano ontbreekt de dynamiek van die stroming geheel en al. Je zou het er zelfs een cynisch of minstens sceptisch commentaar op kunnen noemen: jazeker, de mens is verantwoordelijk voor zijn eigen lot, maar in Modiano’s romans komt daar weinig van terecht. Het is dit deficit dat Modiano genadeloos in beeld brengt, keer op keer. Hoe je ook delft in het verleden, probeert door te dringen tot de kern van het leven, het lukt niet. Dat maakt Modiano een donkere, zwaarmoedige schrijver. Zelfs Sartre op z’n somberst, in Walging, lijkt er een vrolijke Frans bij.
Het verleden te doorgronden
Modiano’s werk is caleidoscopisch, al zijn boeken grijpen in elkaar, ze zijn bezield van één thema: hoe het verleden te doorgronden. De jury van de Nobelprijs had het over ‘de kunst van het geheugen waarmee hij het meest ongrijpbare menselijk lot heeft opgeroepen en de leefwereld van de bezetting heeft ontdekt.’ Mooie woorden, maar ik denk dat Modiano gelezen wordt niet om wat hij oproept maar om wat hij allemaal niet oproept, om zijn kunst duisternis duisternis te laten zijn, en desillusie desillusie. Hij is de schrijver van het ultieme gebrek aan effectbejag, van de plotloosheid, van de non-gebeurtenissen. Niet fijn, ook niet voorbeeldig of verheffend, wel fascinerend in zijn monochrome en monotone melancholie. Modiano zet de mens in al zijn vergeefsheid neer, zoals de afgewezen zangeres Odile in Een jeugd: ‘Haar droom is in rook opgegaan. Het is haar niet gelukt zich te laten horen, haar stem is er niet in geslaagd boven de mist en het lawaai uit te stijgen, zoals de stem van de zangeres van wie ze het verhaal had gelezen. Ze heeft geen moed meer.’
Patrick Modiano, Een jeugd, vertaald door Edu Borger, Querido, 208 p., € 13,99
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.