Essay / De wet en het fatsoen

Hoed u voor eenieder die het woord fatsoen in de mond neemt. Hij dient ten diepste te worden gewantrouwd. Ik zal uitleggen waarom.

De geschiedenis heeft geleerd dat de menselijke soort het best gedijt bij samenwerking. Doordat wij in staat zijn complexe samenwerkingsprojecten te ondernemen met grote aantallen soortgenoten, heeft onze soort zich in een duizelingwekkend tempo meester gemaakt van onze planeet. We hadden de stenen bijl nog maar net uitgevonden en we bouwden al piramides. De tijd die verstreek tussen de eerste gecoördineerde mammoetjacht en de gecompliceerde operatie die de eerste van onze soortgenoten naar de maan bracht, is in kosmische termen een oogwenk. Onze afhankelijkheid van samenwerking heeft de samenleving als gevolg. En waar mensen samenleven, is een vorm van regulering noodzakelijk. Want wij zijn niet alleen leden van een groep, wij zijn ook individuen met een vrije wil en het kan zich voordoen dat datgene wat een individu wil, in strijd is met het groepsbelang of de belangen van een ander individu in die groep. Daarom zijn wij, vanaf het prille begin van onze zegetocht over onze planeet, ervan overtuigd geweest dat onze soort niet kan overleven zonder spelregels voor het onderlinge verkeer. Die spelregels noemen we wetten. Maar met die wetten deed zich in de loop van de geschiedenis een probleem voor. De vraag was niet of we wetten nodig hadden, maar wie ze schreef. De vraag was niet of maatschappelijk onwenselijk gedrag aan banden moest worden gelegd, maar wie bepaalt wat maatschappelijk onwenselijk gedrag is.

Aangeharkte voortuintjes

Als oplossing voor dat probleem hebben we de democratie uitgevonden. Er zijn andere oplossingen denkbaar en ook toegepast. Plato, de katholieke kerk, de islam en fascistische regimes vinden dat de wetten moeten worden geschreven door speciaal daartoe gekwalificeerde lieden, zoals filosofen, de Paus, de imam of de Führer, die de wijsheid in pacht hebben. Dergelijke oplossingen zijn een beetje uit de mode geraakt, behalve in de sport, het bedrijfsleven en de podiumkunsten. Als je de regels laat bepalen door degene die de wijsheid in pacht heeft, wordt de vraag al snel wie beslist dat diegene de wijsheid in pacht heeft. Daarom is de democratie, ondanks al haar tekortkomingen, zo gek nog niet. Omdat niemand de wijsheid in pacht heeft, heeft iedereen evenveel te vertellen.

En in een democratische rechtsstaat werkt het als volgt. Er is een wetgevende macht. Die bepaalt de spelregels en niemand anders. Die bepaalt wat maatschappelijk ongewenst gedrag is en wat niet. In Nederland wordt die wetgevende macht gevormd door onze beide parlementen. En in die parlementen hebben volksvertegenwoordigers zitting die wij door middel van verkiezingen het mandaat geven om voor een bepaalde periode onze opvattingen te verwoorden en onze belangen te behartigen. Aan dit systeem kleven talloze praktische bezwaren, maar daar gaat het nou even niet om. Het gaat om het principe. En het principe is dat de wetgevende macht en niemand anders de wetten schrijft en die wetgevende macht zijn wij zelf.

En wat betekent het als iemand in de context van dit systeem een beroep doet op het begrip fatsoen? In feite komt het erop neer dat zo iemand zegt: ‘Wat die ander aan het doen is, is weliswaar niet verboden, maar toch vind ik dat hij dat niet zou mogen doen.’ Dat kan hij natuurlijk wel zeggen, maar zo werkt het niet. Alles wat niet expliciet bij wet is verboden, is expliciet bij wet toegestaan. Ook dat is een fundament van de rechtsstaat. Iemand die zich beroept op het begrip fatsoen, beroept zich op een soort van vage, hogere notie die net zo belangrijk of misschien wel belangrijker is dan onze wetten. Maar daar doet zich onmiddellijk de vraag voor naar de legitimatie. Hadden we het met onze wetten net zo goed geregeld, hadden we een systeem bedacht waarin we zelf als collectief onze eigen wetten schrijven, en dan komt er iemand die zegt dat er ook nog zoiets is als fatsoen. Maar wie bepaalt dat? Denk je soms dat jij de wijsheid in pacht hebt? Dat bepalen we toevallig nog wel even met z’n allen hier. Als we allemaal in meerderheid zouden vinden dat bepaald gedrag ongewenst is, hadden we er wel een wet tegen uitgevaardigd. Wetten zijn democratisch gelegitimeerd en fatsoen niet. Je eigen fatsoensregels kun je naleven, maar bij gebrek aan democratische legitimatie niet opleggen aan een ander. Dat zou een vorm van fascisme zijn.

Hoed u daarom voor eenieder die het woord fatsoen in de mond neemt. Hij moet ten zeerste worden gewantrouwd. Weet je nog hoe we allemaal hebben gebulderd van het lachen om Balkenende met zijn potsierlijke appèl aan fatsoen? Feilloos prikten we dat door. Zijn notie van fatsoen was gebaseerd op zijn provinciale achtergrond in Zeeland waar de jaren vijftig nooit daadwerkelijk zijn vervlogen en waar de samenleving draait om aangeharkte voortuintjes en de beleefdheid om je hoed af te nemen voor de veldwachter en meneer pastoor. Op grond van welke democratische legitimatie dacht hij dat muffe knusse wereldbeeldje te kunnen opleggen aan ons, de kosmopolitische vrije geesten van de toekomstgerichte metropolen in het westen des lands? Geschaterd hebben we. En terecht.

Provocerend journalistje

Maar nu zitten we opnieuw over fatsoen te discussiëren omdat de intellectuele gewichtheffer Andreas Kinneging het provocerende journalistje Rutger Castricum heeft bedreigd omdat hij het onfatsoenlijk vond dat die bij hem thuis aanbelde om verhaal te halen bij Kinnegings partner, Naema Tahir, die er in haar column in Buitenhof voor had gepleit om Rutger Castricum als journalist de toegang tot het Binnenhof te ontzeggen omdat hij als provocateur onfatsoenlijke vragen meent te moeten stellen aan eerbiedwaardige politici zoals Job Cohen, die daarmee niet kon omgaan en mede daardoor ten val is gekomen, wat Rutger Castricum bij monde van Felix Rottenberg en Frénk van der Linden op het verwijt kwam te staan dat hij als provocerend journalistje onfatsoenlijk opereert. En nu lachen we niet meer. We zijn een beetje in de war. Want welke ruimdenkende intellectueel wil het nu voor Rutger Castricum opnemen als de pleitbezorgers van fatsoen zo veel intellectuele zwaargewichten hebben opgesteld?

Het feit blijft dat we wetten hebben, dat er niets in de wet staat geschreven wat het provocerende journalistje expliciet verbiedt te doen wat hij doet en dat dat derhalve expliciet bij wet is toegestaan, terwijl het pleidooi van Naema Tahir om hem met een beroep op fatsoen de toegang tot de wandelgangen van ons parlement te ontzeggen, elke rechtsgrond ontbeert en dat het optreden van Kinneging bij wet strafbaar is gesteld. Wat nou fatsoen?

En als politici Castricums vragen onfatsoenlijk vinden, hoeven ze toch niet te antwoorden? Ze kunnen hem ook negeren. Dat ze dat niet doen, komt doordat ze denken dat het belangrijk is om te scoren in populaire media. Maar daarmee is het dus hun eigen schuld en dan moeten ze niet zeuren als de populaire media een beetje al te populair gaan doen. En als de kijkers thuis Castricums optreden onfatsoenlijk vinden, dan kijken ze toch niet naar zijn programma? Wat is nou eigenlijk het probleem?

En als we het nu toch hebben over journalisten en politici, dan moet worden gezegd dat fatsoen als norm voor de omgang tussen juist precies die twee beroepsgroepen misplaatst is en zelfs gevaarlijk. Journalisten moeten de machthebbers op hun huid zitten. Elke goede journalist is strontvervelend voor een politicus. Een journalist die door politici aardig wordt gevonden, doet zijn werk niet goed. En natuurlijk doen politici dan een beroep op fatsoen. Dat haalt je de koekoek. Zij willen het liefst terug naar de tijden dat de knipmessende reporter zich beperkte tot het respectvol fluisteren van ‘ja, excellentie, nee inderdaad, excellentie, dank u wel, excellentie.’ Een machthebber die fatsoen eist van de journalisten die hem dag en nacht op zijn huid zitten omdat hij nu eenmaal een machthebber is, is een machthebber die liever gewoon rustig in alle stilte de macht heeft zonder dat daar bij voortduring vervelende vragen over worden gesteld.

Striemend fluitconcert

Er zit nog een ander aspect aan de verhouding tussen de geschreven wetten van het wetboek en de ongeschreven wetten van het fatsoen en dat kan het beste worden geïllustreerd aan de hand van een parallel met de wereld van de sport. Daar bestaan spelregels, maar los daarvan bestaat er ook zoiets als sportiviteit. Dat je als voetballer de bal over de zijlijn speelt als je ziet dat een tegenstander zich heeft geblesseerd. En dat je, zodra het spel weer wordt hervat, de bal terugkrijgt van de tegenstander. Er is niets in de spelregels wat tot dit gedrag verplicht. Als je het na zou laten, zou de scheidsrechter niet ingrijpen. En toch houdt iedereen zich aan deze ongeschreven regels van sportiviteit. Dat lijkt iets moois en dat is het ook. Maar als je goed nadenkt, is er meer aan de hand. Want waarom haalt geen enkele voetballer het in zijn hoofd om de bal gewoon lekker in de ploeg te houden wanneer het spel wordt hervat nadat de tegenstander de bal expres over de lijn heeft geschoten? Omdat het hem zou komen te staan op een striemend fluitconcert. Sportiviteit is geen vrijwillige uiting van goedmoedigheid, maar wordt afgedwongen door de druk van een publiek dat sportiviteit eist.

Precies zo is het ook met fatsoen. Wie zich fatsoenlijk gedraagt, lijkt op vrijwillige basis uiting te geven aan een goedaardig karakter en respect voor de medemens. En vaak is dat ook zo. Maar er is ook een keerzijde die we niet moeten onderschatten. Want even zo vaak wordt zogenaamd fatsoenlijk gedrag afgedwongen onder druk van de algemeen heersende opvatting van wat fatsoenlijk gedrag is. Dat kan de opvatting van de maatschappij als geheel zijn of ook van de klasse of groep waarvan iemand deel wil uitmaken. Vertoon van fatsoen is gallery play voor een eretribune met gelijkgestemden.

En omdat elke groep conformistisch gedrag eist en afwijkend gedrag afkeurt, is fatsoen een conservatieve notie. Wie een beroep doet op fatsoen, doet dat nooit als oproep om alles nu eindelijk eens helemaal anders te gaan doen. Een beroep op fatsoen is altijd een afkeurende reactie op afwijkend en vernieuwend gedrag en een appèl om alles zo te doen zoals we dat altijd al hebben gedaan en in hemelsnaam niets te veranderen. En daarmee kan fatsoen eenvoudig een middel worden om individuen te onderdrukken. De voorbeelden in de geschiedenis zijn legio. Millennialang mochten vrouwen allerlei dingen niet die mannen wel mochten omdat dat onfatsoenlijk werd gevonden. In veel landen is dat nog steeds zo. Vrijwel elke grote wetenschappelijke, artistieke of maatschappelijke revolutie kwam tot stand in weerwil van fatsoensnormen die haar de kop wilden indrukken en evenzovele pogingen tot vernieuwing zijn met een beroep op fatsoen daadwerkelijk gefnuikt. Ook individuen die alleen maar zichzelf willen zijn, worden door fatsoen onderdrukt. Vraag maar aan al die ex-gereformeerde provinciegenoten van Balkenende hoezeer zij hebben geleden onder de druk van de fatsoensnormen van de groep waarvan zij deel uitmaakten. Het komt zelfs voor dat er in naam van het fatsoen geweld wordt ingezet. Ik las laatst in de krant dat jongeren in Bagdad worden mishandeld of zelfs gestenigd omdat zij zich te modern kleden.

Waar de wetten de vrijheden van ieder individu garanderen, is fatsoen een repressief middel dat wordt ingezet om individuen die naar de smaak van de groep te veel gebruik maken van die vrijheden terug te fluiten.

Dit alles gezegd zijnde, moet ik natuurlijk toegeven dat fatsoen iets prachtigs is. Ik doe zelf mijn uiterste best om te leven volgens mijn eigen fatsoensnormen en ik vind het bijzonder aangenaam als de mensen met wie ik verkeer zich in mijn ogen fatsoenlijk gedragen. En fatsoen bevordert wel degelijk de sociale cohesie. Het is als decorum, wat oorspronkelijk ‘sier’ betekent. Fatsoen is sierlijk gedrag dat, evenzeer als al het andere om ons heen dat is verfraaid, bijdraagt aan het plezier dat wij eraan beleven om in deze wereld te vertoeven. Maar sierlijkheid, schoonheid en wellevendheid kun je niet afdwingen bij een ander.

Eigenlijk is het net zoiets als liefde. Het vermogen om van een ander mens te houden is een van de mooiste eigenschappen van de mens. Maar liefde kun je niet opleggen aan iemand anders. Liefde afdwingen is iets misdadigs. Precies zo is het met fatsoen. Wie zichzelf fatsoensnormen oplegt, is een goed mens, maar wie die normen wil opleggen aan een ander, moet met het grootst mogelijke wantrouwen worden bejegend.