Interview Steven van Eijck

Vorige week bood hij, nog vlak voor de Tweede Ka­mer­verkiezingen, aan Rita Verdonk zijn derde en laatste rapport ‘Diversiteit in het jeugdbeleid’ aan. Twee weken daarvóór toerde hij met onder anderen prinses Máxima door het land tijdens de Week van Jong NL. En deze week houdt hij de SER-lezing. Steven van Eijck, jeugd- en jongerencommissaris, is onvermoeibaar. Van kinderen in justitiële jeugdinrichtingen tot en met de minister-president, van allochtone vrijwilligers tot en met de topambtenaren van de zeven departementen die met jeugdzorg te maken hebben – ze kennen hem allemaal.

Zijn werk als commissaris zit er nu op. Drie jaar lang rondreizen, praten en onderzoeken hebben geresulteerd in meer dan honderd aanbevelingen en talloze nieuwe initiatieven die al in praktijk worden gebracht, zoals de lokale Centra voor Jeugd en Gezin. En straks, als het nieuwe kabinet is gevormd, is er dankzij het intensieve lobbywerk van Van Eijck een minister Jeugd. Welke signatuur dat kabinet ook heeft.

In zijn laatste advies buigt Van Eijck zich over een specifieke doelgroep van het jeugd­beleid: de allochtone jongeren. Zij doen het op allerlei fronten slechter dan autochtonen. Achterblijvende leerprestaties, meer schooluitval, een lager opleidingsniveau en een hogere werkloosheid zijn reden tot zorg. Ook het feit dat allochtone jongeren oververtegenwoordigd zijn bij de zwaardere vormen van jeugdzorg en in de jeugdgevangenissen is een probleem.

‘De jongeren en hun ouders worden niet op tijd bereikt, en niet op de goede manier,’ zegt Van Eijck. Dat heeft meer te maken met culturele verschillen dan met onwil, legt hij uit. ‘Marokkaanse ouders voelen zich niet veilig bij westerse hulpverleners. Ze denken dat die hun kinderen bij hen komen weghalen.’

Allochtone kinderen zijn het best geholpen met goed geïntegreerde ouders, zegt Van Eijck.

‘Waar je over na moet denken, is hoe je die ouders erbij kunt betrekken. Neem bijvoorbeeld het project allochtonen en sport, dat het kabinet heeft bedacht. Hartstikke goed. Ik heb gesproken met een allochtone jongen die ontzettend goed kan voetballen, maar niet naar een voetbalclub gaat. Waarom niet? Omdat zijn vader niet kan rijden en ook geen auto heeft. Maar dat durft hij niet aan zijn vriendjes te vertellen. Dat betekent dat je voorzieningen moet terugbrengen in de wijken waar die ouders wonen. Dan kunnen ze meedoen, en dan voelen ze zich ook verantwoordelijk.’

Hoe het wel kan, kun je zien in Den Haag, vertelt hij. ‘Daar heeft de hockeyclub die eerst buiten het centrum zat, nu samen met andere sportclubs een stuk of tien veldjes midden in de buurt, waar de ouders vanaf hun balkonnetjes op uit kijken. Ze hebben daar zelfs een Marokkaans hockeymeisjesteam. Je moet die integratie op lokaal niveau invullen, dan gaat het lopen.’

Jongeren die spijbelen en dreigen te ontsporen, kun je beetpakken met hulpverleners à la de Rotterdamse stadsmariniers. ‘Als die voor de tweede keer bij hun ouders aankloppen en er wordt niet opengedaan, gaat er een kaartje door de brievenbus met de mededeling dat de uitkering wordt ingetrokken als er volgende keer wéér niemand open doet. Op dag drie is er altijd iemand aanwezig. Dan blijkt vaak dat mensen een huurachterstand hebben, onbetaalde boetes, enzovoorts. Wat je dan kunt afspreken, is dat je ze helpt hun schulden te saneren, als zij er dan voor zorgen dat hun kinderen naar school gaan. Zo creëer je een veiligere situatie voor het kind, dat bovendien meer kansen krijgt en ook door zijn ouders wordt gestimuleerd.’

In zogeheten prep camps, opvoedkampen waarin criminele jongeren op militaristische wijze gedrild worden, ziet hij helemaal niets.

‘Politici die daarvoor pleiten, geven blijk van een politieke stoerheid die onterecht is. Want het werkt niet, integendeel. Zo’n kind komt na dat kamp weer in precies dezelfde omgeving terug, die is niet veranderd. Maar dat kind heeft inmiddels wel geleerd hoe je groepsdruk en een strakke hiërarchie kunt gebruiken om je zaakjes goed te regelen. En dat willen we niet.’

De jeugdcommissaris pleit voor gemengde scholen, en voor banen.

‘De scheiding tussen witte en zwarte scholen vind ik echt een probleem. De wethouder Jeugd moet daar afspraken over maken met de schoolbesturen en de ouders. De segregatie die nu aan de gang is, moet gekeerd worden.’

Die stelregel geldt voor alle maatschappelijke domeinen: we moeten met gemengde groepen leren, wonen, werken en recreëren, omdat we een gemengde samenleving zíjn, vindt Van Eijck.

‘Die diversiteit in je bedrijf halen, is ook een kwestie van welbegrepen eigenbelang. Anders maak je producten die bij een deel van je doelgroep niet aanslaan, en laat je een potentiële afzetmarkt lopen. Ja, dat geldt ook voor journalisten.’

Zelf heeft Van Eijck als lid van de Economic Development Board (die bruggen slaat tussen het Rotterdamse bedrijfsleven en het gemeentebestuur) samen met Rotterdam Airport vijfentwintig Marokkaanse jongeren binnengehaald die echt klem zaten. ‘Een licht crimineel verleden strekte tot aanbeveling,’ grinnikt hij. ‘Die jongens kregen een opleiding van vijf weken, ’s ochtends om acht uur aanwezig, ’s avonds om zeven uur weg. Ze kwamen, en hoe. Fantastisch! Ze gingen daarna allemaal op de luchthaven werken. Dat ís wat hoor, als je daar met die omeletten staat te zwaaien en je haalt een grote Boeing binnen die alleen naar jóú luistert. Dat geeft een kick. Nu hebben drieëntwintig van de vijfentwintig een baan, en doen twee een vervolgopleiding.’

In zijn volgende project zette hij vijftig ontspoorde Antillianen aan het werk. ‘Achtenveertig hebben de eindstreep gehaald. Je ziet ze groeien, zich anders kleden. Ze gaan rechtop lopen, ze zijn trots op zichzelf.’

Een ander voorbeeld. ‘Ik was vorig jaar met prinses Máxima bij een bijeenkomst van de commissie PaVEM, die vrouwen uit etnische minderheden een steuntje in de rug moest geven. Er werd een convenant ondertekend, daarna was er feest. Er waren allemaal bobo’s, met wie Máxima in gesprek was, en ik praatte met Antilliaanse en Surinaamse vrouwen die bezig waren met een opleiding. Zij loopt naar me toe en zegt: “Dat is toch raar, jij staat hier en ik daar, en die vrouwen met wie jij praat, zoeken allemaal een baan of een stage, dus ik ga die andere mensen even halen.” Ze komt terug met die bobo’s en zorgt er ter plekke voor dat er tien stageplekken geregeld worden. Dáár gaat het om, om zulke betrokkenheid. Als iedereen dat nou eens op een kleinschalige manier doet, achter de schermen, als we dat nou eens vasthouden!’

Je moet niet inzoomen op wat niet kan, je moet inzoomen op wat wél kan, zegt Van Eijck. ‘Je moet uitgaan van de kracht van jongeren.’ Natuurlijk zijn er nog veel problemen, maar er zijn ook successen.

‘Autochtonen zouden daarvan kunnen meegenieten. Maar positief nieuws is geen nieuws, hè?’