Wijkteams moeten de zorg goedkoper, beter én dichter bij de burger organiseren. Kan dat? ‘Is Amil weer zo angstig? Ik loop straks wel even langs.’

Op een vroege ochtend in april zijn we door de hoogbouw van Utrecht Overvecht op weg naar de Vulcanusflat. De acht verdiepingen hoge kolos is berucht in de wijk. Een romanticus zou er misschien een pleisterplaats voor gevallen paradijsvogels in zien, maar een oude Utrechter die aan de overkant woont, had liever gehad dat ‘dat blok ellende’ allang gesloopt was. Vanaf zijn tuinstoel doet hij, omringd door een ruim assortiment kabouters, zijn beklag: toen de sloop niet doorging, zijn ze van overheidswege allerlei uitschot gaan dumpen in de flat.

Alcoholisten, drugsverslaafden, uitkeringstrekkers, vluchtelingen. Zien we die struik, verderop? Daarachter wonen twee zwervers, die liggen om zes uur ’s morgens te ronken op hun eigen stoep. En er wordt gedeald, dat weet hij zeker. ’s Avonds komen er allerlei vreemde gasten aanscheuren bij de Marokkaanse kapper op de begane grond, er staat voortdurend politie voor de deur. Meindert de Groot grinnikt. Hij kent de verhalen over de flat. ‘De meesten zijn nog waar ook.’

Meindert-van-het-buurtteam, zo noemen ze hem hier aan de Vulcanusdreef: een joviale verschijning van 47 jaar in sportjack, met een warrige bos grijs haar en het accent van een geboren Utrechter. Zelf groeide hij op aan de andere kant van het spoor, vanwaar je de flats van Overvecht in de verte kon zien liggen.

De acht verdiepingen hoge kolos is berucht in de wijk. Een romanticus zou er misschien een pleisterplaats voor gevallen paradijsvogels in zien

De hoogbouw, toen het toonbeeld van moderniteit, werd in de jaren zestig en zeventig uit de grond gestampt voor de gegoede middenklasse. Ooit was de Vulcanus poepchic, zegt Meindert als we in het trappenhuis een oud heertje in decent beige regenjas passeren. Hij knikt: ‘Dat is er eentje van de oude garde.’

Advertentie

Advertentie

In de ochtendzon houdt hij stil voor een deur op de galerij en drukt drie keer vergeefs op de bel. Dan laat hij zijn lange lijf zakken, duwt het klepje van de brievenbus opzij en brult: ‘Barend! Ba-rend! Waar zit je?’ Het blijft stil. ‘Schrik niet,’ zegt Meindert, ‘meestal loopt hij in zijn onderbroek.’ Geroutineerd geeft hij een ruk aan het touwtje dat uit de brievenbus hangt en loopt de flat binnen. Hij duwt een kralengordijn opzij. In de keuken heerst een chaos van plakkerig keukengerei en aangekoekte frituurpannen. Het ruikt er naar oud vet.

In de kleine woonkamer staat de televisie aan en schemert een reusachtig aquarium, maar Barend zit niet in zijn stoel. Barend is niet zo van de hygiëne, zegt Meindert terwijl hij de deur van de flat met een dreun weer achter zich dichttrekt. De thuiszorg wil niet meer langskomen omdat ze het er te vies vinden. Bovendien is een van de dames laatst aangevallen door Barends katten, toen was de maat vol.

De Vulcanusflat in Utrecht Overvecht is berucht in de wijk, een 'blok ellende'. Foto: Peter de Krom
De Vulcanusflat in Utrecht Overvecht is berucht in de wijk, een ‘blok ellende’. Foto: Peter de Krom

Nu heeft Meindert geregeld dat er morgenmiddag om één uur een clubje vrijwilligers van de kerk komt, via een man op vier hoog van de evangelische gemeente. Zij gaan de flat een grote beurt geven. De heer des huizes mag intussen gratis in bad bij een instelling voor daklozen in de buurt. ‘Barend gaat even in de revisie,’ zegt Meindert met een grijns. Maar ja, dan moet hij hem er vandaag nog wel aan helpen denken, anders gaat het hele feest niet door. Want of het nu afspraken zijn of de medicijnen voor z’n suiker: Barend vergeet het. ‘Mensen als Barend moet je af en toe even aan het leven herinneren.’

Straatverbod

Met grote passen beent hij verder, de trappen af, de galerijen langs. In een benedenwoning met uitzicht op de straat loopt hij binnen bij Riet. Die zit met twee vervaarlijk schimmelende voeten naar een herhaling van Lingo te kijken. Ze heeft een nieuwe tv, vertelt ze. Of althans, die heeft ze tweedehands uit de kringloop gekregen via hoe heet-ie van vier hoog, die man van het evangelie.

‘En hoe is het nou met je zonen, Riet?’ De vrouw zucht. Haar oudste wordt door schuldeisers achterna gezeten, de jongste heeft inmiddels een straatverbod. ‘En toch, als hij wil, staat hij zo op de stoep.’ Meindert humt begrijpend, vraagt of er eigenlijk wel eens iemand van de thuiszorg voor haar voeten komt. ‘Ben jij gek,’ zegt Riet. ‘Dat doe ik liever zelf. Je kent me zo onderhand toch, Meindert?’

Even verderop begint Johan uitbundig te zwaaien zodra hij Meindert in het vizier krijgt. ‘De deur is open hoor,’ schreeuwt hij harder dan nodig. In de kamer hangt een walm van drank en zware shag, hier en daar slingeren lege medicijndoosjes. Op een bed in de hoek ligt verstopt onder een donkere sprei een man zacht te snurken. Ik heb een logé, giechelt Johan. Het is een vriend van hem, hij heeft hem vanochtend om zes uur gevonden op de stoep. ‘Hij was een beetje beneveld.’ Meindert glimlacht, geeft Johan een hand. ‘Rustig aan, hè? En zorg goed voor je vriend.’

‘Mensen als Barend moet je af en toe even aan het leven herinneren’

Wie hem bezig ziet, zou in Meindert nauwelijks een hulpverlener vermoeden. Eerder een goede kennis die even aanwipt en intussen langs z’n neus weg vraagt hoe het nou met de eenzaamheid, de schulden en de katten staat. Dat kan, legt Meindert uit, omdat hij van zijn huidige baas goden-zij-gedankt geen uren hoeft te schrijven of ellenlange verslagen.

Een verademing

Intussen weet hij door al die bezoekjes wel precies hoe het met iedereen gaat, wie er professionele hulp nodig heeft en welke bewoners hij bijvoorbeeld eerst eens met elkaar of het vrijwilligerswerk in contact kan brengen.

Een verademing, vindt hij het. Heel zijn werkzame leven in de zorg werd op zeker moment verziekt door, vergeef hem de krachttermen, al die achterlijke klotesystemen van registratie, indicatie, kortom: bureaucratie. Een paar uur eerder is hij zijn werkdag begonnen in een kaal kantoortje een paar kilometer verderop. In een flat aan de Faustdreef heeft het ‘Buurtteam Overvecht Spoorzoom’ haar hoofdkwartier, aan een formica tafel schenkt Meindert koffie uit een thermoskan.

Toen hij hoorde dat de gemeente ging experimenteren met een nieuwe aanpak voor laagdrempelige zorg in de buurt die beloofde de hemeltergende administratie- en protocolleerdrift uit te bannen en hulpverleners meer vrijheid te geven, besloot hij direct te solliciteren. Tweeëneenhalf jaar geleden ging Meindert met negen collega’s van start in een van de eerste twee buurtteams in Utrecht.

Hoogbouw in Utrecht Overvecht, ooit het toonbeeld van moderniteit en bedoeld voor de gegoede middenklasse. Nu wonen er zogeheten 'kwetsbare Utrechters'. Foto: Peter de KromHoogbouw in Utrecht Overvecht, ooit het toonbeeld van moderniteit en bedoeld voor de gegoede middenklasse. Nu wonen er zogeheten ‘kwetsbare Utrechters’. Foto: Peter de Krom

Inmiddels worden er in de hele stad, net als in de rest van Nederland, in rap tempo soortgelijke buurtteams opgetuigd. In het kader van de grootscheepse decentralisatieoperatie van het kabinet komen namelijk grote delen van de zorg onder verantwoordelijkheid van de gemeenten. Laten we wel wezen, zegt Meindert terwijl hij zijn Eastpak-rugzak over een schouder slingert en op pad gaat door de hoogbouw. ‘Uiteindelijk is het natuurlijk één grote bezuinigingsoperatie.’

De gemeente maakt daar zelf overigens geen geheim van. Met de buurtteams wil het stadsbestuur ‘betere zorg gaan leveren voor minder geld’, zo staat het monter in de beleidsplannen. En wel door de ondersteuning dichter bij haar inwoners te organiseren en een einde te maken aan de bureaucratie en de versnippering over tig organisaties in de zorg.

De nieuwe buurtteams moeten het eerste aanspreekpunt worden voor alle huishoudens waar sprake is van complexe problematiek: als er bijvoorbeeld niet alleen schulden maar ook medische klachten spelen. Daarom wordt er nauw samengewerkt met de huisartsenpraktijken in de wijk. De hulpverleners in de buurtteams zijn afkomstig van verschillende Utrechtse instellingen als het maatschappelijk werk, de ouderen- of de verslavingszorg.

De nieuwe buurtteams moeten het eerste aanspreekpunt worden voor alle huishoudens waar sprake is van complexe problematiek

Ze worden geacht te veranderen in ‘generalisten’ die uiteenlopende problemen de baas kunnen, of op z’n minst kunnen herkennen. En uiteraard moeten ze, o toverformule van de nieuwe tijd, burgers vooral en voortdurend op hun eigen kracht aanspreken. Activeren, heet het in de folders van de gemeente Utrecht. Of: de burger in zijn kracht zetten. Ook wel: een beroep doen op zijn eigen kracht én draagkracht.

Stapels met nota’s zijn er inmiddels over verschenen, en niet alleen in Utrecht. In heel Nederland gonst het van de nieuwe zelfredzaamheid. ‘Van iedereen die dat kan, wordt gevraagd verantwoordelijkheid te nemen voor zijn of haar eigen leven en omgeving,’ sprak niemand minder dan koning Willem-Alexander vorig jaar op Prinsjesdag. Nederland was immers hard op weg te veranderen van een klassieke verzorgingsstaat in een participatiesamenleving.

Met die missie trekt Meindert de Groot de wijk in: Utrecht Overvecht, ooit aangelegd met idealen van goede burgerzin. De buurt kreeg bloemperken en brede trottoirs, de straten werden tot ‘dreven’ gedoopt en vernoemd naar grootse rivieren en mythische figuren. Maar in de decennia die volgden, sloeg ergens tussen de Rubicon- en de Ikarosdreef het verval toe.

Multiproblematiek

Overvecht werd een achterstandswijk waar achter de voordeuren onevenredig veel ‘multiproblematiek’ huist: giftige cocktails van financiële problemen, psychiatrische klachten en eenzaamheid.Hij passeert lage rijtjeshuizen, de luxaflexen dicht, de tuintjes betegeld. Vervolgt zijn weg langs de flats, soms wel tien verdiepingen hoog, de gevels vergeven van de schotelantennes, waar veel Turken, Marokkanen, Ghanezen en Somaliërs wonen.

Uiteraard moeten ze, o toverformule van de nieuwe tijd, burgers vooral en voortdurend op hun eigen kracht aanspreken

Ze leven er naast, hoe zegt hij dat nu eens netjes, grote groepen autochtone Nederlanders uit de lagere sociale klassen. Intussen rinkelt onophoudelijk zijn telefoon. ‘Is Amil weer zo angstig? Verdomme, dan heeft hij zijn medicijnen niet genomen. Ik loop straks wel even langs.’ De Groot kent Overvecht als zijn broekzak. Tien jaar geleden kwam hij er als woonbegeleider al aan huis bij zware alcoholisten. Nu doet hij in feite hetzelfde: hij komt overal over de vloer. Maar de manier waarop hij zijn ‘klanten’ benaderd, is totaal anders.

De vraag luidt steeds: waarbij hebben de zogeheten ‘kwetsbare Utrechters’ ondersteuning nodig, maar vooral: wat kunnen ze zelf, met hulp van hun eigen sociale contacten of een paar vrijwilligers doen? Raketwetenschap kun je het onmogelijk noemen, maar dat ze de vraag überhaupt stellen, betekent volgens Meindert een reusachtige omslag. ‘Wat kunt u zelf? Aan die vraag was niemand meer gewend. De burgers niet, de hulpverleners al helemaal niet.’

Leo-met-de-hanenkam

In het winkelcentrum staat Leo-met-de-hanenkam in zijn witte motorjack te posten naast de ingang van de Aldi. De oude kraker verwelkomt hem met een stevige klap op de schouder. ‘Meindert, jongen, hoe is het nou!’ Leo wacht op Els, ze gaan samen boodschappen doen.

Sinds een paar weken zetten ze met een paar bewoners een gezamenlijke lunch op touw, en Leo zit in het organiserend comité. Bovendien is hij een van de drijvende krachten achter de crea-instuifmiddag in de flat, zegt Leo niet zonder trots. Vanmiddag op het programma: rummikub en borduren, we zijn van harte welkom. Leo is een van Meinderts twintig klanten in de grote flat aan de Vulcanusdreef. Hij was tijdenlang dakloos, logeerde af en aan bij vrienden uit de kraak, totdat hij via de hulpverlening een plaats in de flat kreeg toegewezen.

Gezamenlijke lunch, georganiseerd door de bewoners. Meindert (links) probeert de mensen als touwtjes aan elkaar te knopen opdat er iets van een social vangnet ontstaat. Foto: Peter de KromGezamenlijke lunch, georganiseerd door de bewoners. Meindert (links) probeert de mensen als touwtjes aan elkaar te knopen opdat er iets van een social vangnet ontstaat. Foto: Peter de Krom

‘Heerlijk, zo’n eigen woninkie,’ zegt Leo. Een paar maanden geleden heeft het buurtteam de zorg voor Leo overgenomen van een andere zorginstelling in de flat, die mensen met psychiatrische en verslavingsproblemen helpt om ‘zelfstandig te wonen en te leven’. Maar al gauw merkte Meindert: zoveel hulp heeft Leo bij het leven niet nodig.

‘Ik ben met hem opgetrokken, heb hier en daar eens een bakkie met hem gedaan. Dan voel je: die gozer leidt misschien geen standaard bestaan, maar in zijn bovenkamer heeft hij de zaken heel best op een rijtje. Daarnaast wil hij dolgraag iets voor een ander doen.’ En dus stuurde hij Leo op de koffie bij Els, een oudere vrouw op de tweede, die bij Meindert had aangegeven graag wat meer onder de mensen te willen zijn.

Schrik niet van zijn hanenkam, had Meindert nog gezegd. Ze was natuurlijk toch geschrokken. Maar inmiddels kunnen Leo en Els het prima vinden en doen ze elke woensdag de boodschappen voor de bewonerslunch. Zo probeert hij in de Vulcanusflat de mensen als touwtjes aan elkaar te knopen: opdat er iets van een sociaal vangnet ontstaat voor wie dat op eigen kracht niet meteen heeft. ‘In feite heb ik Leo hoogstpersoonlijk geactiveerd,’ grinnikt Meindert.

Het bizarre indicatiecircus

Voorheen maakten zo’n drieduizend Utrechters als Leo aanspraak op wat in de stad ‘ambulante begeleiding’ heet: individuele hulp, vaak aan huis, van een zorginstelling die gespecialiseerd is in één bepaalde doelgroep, veelal betaald uit de landelijke Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, de AWBZ. Maar vanaf 2015 wordt een deel van die AWBZ-zorg mét een forse bezuiniging overgeheveld naar de gemeenten.

Wat kunt u zelf? Aan die vraag was niemand meer gewend

Vijfentachtig procent van alle ambulante begeleiding in Utrecht komt dan terecht op het bordje van de buurtteams in de stad. Daarbij gaat het om de meest uiteenlopende problematiek: mensen met een verstandelijke beperking, met verslavings- of financiële malaise maar bijvoorbeeld ook om slachtoffers van huiselijk geweld. Zeker, zegt Meindert, dat gaat nog een heel karwei worden. Maar hij gelooft absoluut dat het stukken efficiënter kan.

Van de ruim driehonderd huishoudens in de Vulcanus lopen er zo’n tachtig bij de hulpverlening, schat Meindert. Voor de twintig klanten in de flat die hij nu onder zijn hoede heeft, waren vroeger alleen al acht verschillende clubs voor ambulante woonbegeleiding betrokken. En dan heeft hij alle thuiszorgorganisaties, sociale makelaars, welzijnswerkers, intensieve thuisbegeleiders en de ‘bemoeizorg voor zorgwekkende zorgmijders’ die er rondlopen nog even buiten beschouwing gelaten.

‘Zo veel organisaties op zo’n klein gebied, dat is natuurlijk waanzin.’ Op het bankje in het winkelcentrum laat hij een pauze vallen. Nou moet hij oppassen dat hij niet te hard van leer trekt, want het zijn wel zijn collega-hulpverleners en die werken zich op hun manier ook het schompes. Nee, het ziekmakende systeem, het bizarre indicatiecircus dat in de zorg ontstaan is, dát is de grote boosdoener.

Hij weet dondersgoed hoe het werkt, hij heeft er jaren aan mee moeten doen. Hoe dat gaat? Als hulpverlener wordt je geacht voor je klanten een indicatie voor AWBZ-zorg aan te vragen. Zo komt er namelijk geld in het laatje bij de zorgaanbieder waarvoor je werkt. ‘Voor iemand als Leo krijg je rustig tot het jaar 2026 een indicatie voor een of twee uur zorg per week. Vervolgens ga je daar als hulpverlener elke week langs.

‘Zo worden mensen natuurlijk nooit op hun eigen kracht aangesproken.’

Er is lang niet altijd iets te doen, dus wat gebeurt er? Je zit regelmatig gewoon koffie te drinken. En zodra er een brief van de deurwaarder komt, weet je niet hoe snel je die uit de handen van je klant moet grissen omdat je dolblij bent dat je iets kúnt doen.’ Tja, zegt Meindert. ‘Zo worden mensen natuurlijk nooit op hun eigen kracht aangesproken.’

Niet meteen in de helphouding

Tien uur. Meindert houdt inloopspreekuur in de Vulcanusflat. Buurmannen Rinus en Chris komen hogelijk ontstemd het kantoortje binnen gestommeld. Uit de binnenzak van zijn jas haalt Rinus een verfomfaaide brief, met een klap legt hij hem voor Meindert op tafel. Ze willen zijn rijbewijs innemen. Toe maar, zegt Meindert, terwijl hij wat meer achterover gaat zitten.

Er volgt een ingewikkeld relaas over kwijtgeraakte kentekenpapieren en een verkeersboete die eigenlijk door een vage kennis is veroorzaakt. Buurman Chris zwijgt als het graf. Rinus mokt dat hij zo’n boete door al z’n schulden niet in één keer kan neertellen, dan gaat hij nog liever een nachtje zitten. Of hij moet weer wat gaan hosselen, zegt hij met een duistere blik.

Joh, adviseert Meindert, doe het nou maar op de gewone manier. ‘Hebben jullie dat nummer bovenaan de brief al gebeld? Misschien kun je vragen of je in termijnen mag betalen. Als het niet lukt, bellen we maandag samen, maar ik ga er niet tussen zitten.’ Resoluut schuift hij de brief weer terug naar Rinus en Chris. ‘Afgesproken? Ik zou zeggen: aan de slag, mannen!’ Hij heeft het moeten leren, zegt Meindert: niet meteen in de helphouding te schieten.

‘Vroeger kruide ik alle problemen zo het huis uit om de boel eens even fijn te gaan oplossen. Maar uiteindelijk bewijs je je klanten een grotere dienst als je ophoudt met dat gepamper.’ Als mensen zelf niks willen beginnen, zegt hij net zo makkelijk dat ze in de stront kunnen zakken. Zegt hij: prima, dan kom ik toch gewoon niet?

Meindert houdt een inloopspreekuur in de Vulcanusflat. Foto: Peter de KromMeindert houdt een inloopspreekuur in de Vulcanusflat. Foto: Peter de Krom

‘Natuurlijk moet je wel weten tegen wie je dat zegt, maar je neemt mensen nu eenmaal het meest serieus als je ze als je gelijke behandelt.’ Volgende klant. Joop, breedgeschouderd, staat naar eigen zeggen stijf van de stress. Deurwaarders, gromt hij. Vorige week heeft hij er eentje bijna over het balkon gekiept. Zei die vent dat hij met de politie zou terugkomen. Al kwam je met een jachtgeweer, had Joop hem achterna geroepen. En dat ze de volgende keer ook op de zevende konden afspreken. ‘Eén zetje, en je ligt voor dood.’

Had hij niet moeten doen, weet hij ook wel, maar ze blijven maar aan z’n deur komen en ja: ‘Dan wordt Popeye boos.’ Van een kale kip is immers niets te plukken. Vervelend hoor, zegt Meindert, hij heeft Joop al weken geleden aangemeld bij het Voorkom Huisuitzettingsproject van de gemeente. Trouwens wel hartstikke goed dat Joop die man niet echt een klap verkocht heeft, dan waren ze nog verder van huis.

Intussen belt hij met de gemeente, hoe het nou kan dat die deurwaarders maar blijven komen. ‘Hallo, hier Meindert van het buurtteam, waarom zitten ze Joop nog steeds achterna?’

Formulier zus, formulier zo

En daar begint het participatiebouwwerk toch enige scheurtjes te vertonen. Want hoe optimistisch Meindert ook is over de zelfredzaamheid van zijn klanten, bijna negentig procent worstelt vóór alles met hardnekkige schuldenproblematiek en die laat zich nauwelijks op eigen kracht regelen. ‘Je moet het eigenlijk wel van je klanten overnemen, dus daar gaat je filosofie.’

De bureaucratie in de zorg is erg, maar bij de schuldhulpverlening weet je helemaal niet wat je meemaakt. Formulier zus, formulier zo. Terwijl zijn klanten vaak niet eens weten hoe ze een DigiD moeten aanvragen. En dan is het ook nog eens crisis, dus op het moment zijn de buurtteamwerkers vooral heel veel tijd kwijt aan het verzamelen van de benodigde papieren voor de gemeente.

Negentig procent worstelt vóór alles met hardnekkige schuldenproblematiek

Daarbij komt: de financiële rompslomp gaat veel hulpverleners zelf ook boven de pet. ‘Ziektekosten, complexe belastingvraagstukken: je hebt er bijkans een half jaar extra opleiding voor nodig. Vervolgens krijg je als buurtteam weer alle frustratie van de gemeente over je heen, omdat wij met onze beperkte kennis de boel niet goed hebben aangeleverd.’ Nee, verzucht Meindert, het is nog niet eenvoudig om ‘generalist’ te zijn. Daar wordt door de beleidsmakers volgens hem veel te licht over gedacht.

Want nog even los van alle inhoudelijke kennis die dat vereist, heeft lang niet iedere hulpverlener het in huis om zo direct met de klant om te springen, om zomaar bij iedereen op de stoep te staan. De medewerkers die in de pilotfase voor de buurtteams gesolliciteerd hebben, gelden als de ‘verander-geneigde voorhoede’, zo gonst het in Utrecht. Maar ook voor de verzamelde buurt-avantgarde blijkt het nog niet eenvoudig om de klassieke hulpverlenersreflex te onderdrukken.

Tijdens het woensdagse overleg, waar de buurtteamwerkers met elkaar casuïstiek bespreken, komt een van de vrouwelijke collega’s op de proppen met een oude man in de buurt die ‘verdieping’ zoekt. Ze heeft hem al twee keer via het vrijwilligerswerk een ‘maatje’ bezorgd, maar die contacten vindt hij niet verrijkend genoeg. En tja, ze wil hem eigenlijk niet in de steek laten zolang er nog een hulpvraag op tafel ligt. Wat te doen?

Er ontspint zich een levendige discussie (‘Je moet hem toch een stukje ondersteunen in zijn eigen vraagverdieping?’ ‘Hoe kun je hem zó begeleiden dat hij meer beloftevolle contacten krijgt?’). Meindert ziet het twee minuten aan voordat hij uitroept: ‘Jongens, zijn we de boel nou niet verschrikkelijk aan het problematiseren? Ik zou tegen die kerel zeggen: zoek een vriend, schrijf je in op een datingsite. We zijn hier geen relatieadviesbureau.’ Hohoho, roept de teamleider op haar beurt. ‘Nu zijn we weer veel te veel aan het veroordelen.’

Eén groot gekonkel

In Utrecht zijn inmiddels zes buurtteams aan het werk. De pilot met de twee teams in Overvecht en Ondiep is begin dit jaar uitgebreid naar onder meer Zuilen, Kanaleneiland-Zuid en Leidsche Rijn. Vanaf januari moeten er ongeveer twintig teams operabel zijn, zo wil de gemeente. In 2015, als de AWBZ-zorg wordt overgeheveld naar de nieuwe Wet Maatschappelijke Ondersteuning die de gemeenten gaan uitvoeren en ook de hele jeugdzorg onder hun verantwoordelijkheid komt, zouden alle Utrechters bij zo’n team terecht moeten kunnen.

Lang niet iedere hulpverlener heeft het in huis om zomaar bij iedereen op de stoep te staan

Achter één buurtteam gaan in de stad overigens twee teams schuil: behalve het sociale wijkteam komt er in iedere buurt een apart team voor ‘Jeugd en Gezin’. De gemeente spreekt in haar nota’s consequent over ‘één voordeur voor zorg, waarachter twee teams actief zijn’ – en wel om het voor de burgers niet al te ingewikkeld te maken. De bedoeling is dat beide teams ‘in samenhang’ gaan opereren, maar voorlopig zijn ze in Overvecht nog vooral bezig hun eigen sores op orde te krijgen. Het is immers een niet geringe operatie.

Om maar iets te noemen: in Utrecht moeten duizenden klanten door de bestaande zorginstellingen worden overgedragen aan de buurtteams. Dat ging de eerste maanden niet zonder slag of stoot, klinkt het onder de buurtteamwerkers. Die klanten betekenen immers geld, banen. De organisaties zijn als de dood voor hun positie, er wordt gefluisterd dat wel veertig procent van de hulpverleners er uit zou moeten. En hoezo zou het buurtteam het ineens allemaal beter kunnen?

‘We zijn hier als een satelliet in de wijk geland, dat leidt tot veel wrevel,’ klinkt het in het hoofdkwartier aan de Faustdreef. En: ‘Het is één groot gekonkel, vergis je niet.’ Er zijn de verhalen van zorginstellingen die expres eerst alleen de lastigste klanten afdragen. Die tegen de mensen zeggen: als het buurtteam u van ons overneemt, hebt u nergens meer recht op. Een ander heeft gehoord dat sommige instellingen juist zoveel mogelijk cliënten tegelijkertijd in de buurtteams zouden dumpen, in de hoop dat ze de teams zullen ‘opblazen’.

Meindert op de galerij van de Vulcanusflat. Als er niet op zijn bellen wordt gereageerd, roept hij door de brievenbus of laat hij zichzelf binnen. Foto: Peter de Krom Meindert op de galerij van de Vulcanusflat. Als er niet op zijn bellen wordt gereageerd, roept hij door de brievenbus of laat hij zichzelf binnen. Foto: Peter de Krom

Alle kinnesinne maakt hun werk er niet eenvoudiger op. Bovendien zijn ze er niet gerust op dat er aan alle bureaucratie werkelijk een einde komt. Er zijn geruchten dat het uren schrijven weer terugkomt omdat de gemeente en de zorgorganisaties toch wel erg graag willen weten waar de medewerkers nou eigenlijk mee bezig zijn en hoeveel hulp ze precies aan wie verlenen.

Volgens Toke Tom, directeur Maatschappelijke Ontwikkeling bij de gemeente Utrecht en verantwoordelijk voor de ‘zachte landing van alle transities’, is van een terugkeer naar het oude regime van indicatie en registratie absoluut geen sprake. Bovendien wordt volgens Tom ‘steeds uiterst zorgvuldig afgewogen’ welke taken en klanten er precies naar de buurtteams over kunnen, en is er ‘nog niets in beton gegoten.’ Er zou sprake zijn van een ‘stapsgewijze aanpak’ en een ‘warme overdracht’. En dat gerucht van die veertig procent ontslagen? ‘Er zullen wel mensen uit moeten, maar van dat getal is mij niets bekend.’

Volgens Tom wordt er bezuinigd op de AWBZ-zorg vanuit het Rijk, maar doet dat niets af aan de veertien-en-een-half miljoen die de gemeente Utrecht voor de buurtteams heeft uitgetrokken. Ze benadrukt dat de stad nog bezig is een nieuwe uitvoeringsorganisatie voor het hele project aan te stellen. ‘Die krijgt subsidie om het allemaal te gaan regelen en de buurtteams op een goede manier te laten werken, en zal ook de gesprekken met de zorginstellingen gaan voeren over de overdracht van cliënten en de rol die is weggelegd voor hun personeel.’

In Utrecht moeten duizenden klanten door de bestaande zorginstellingen worden overgedragen aan de buurtteams

Daarmee moet overigens niet de indruk ontstaan dat de gemeente haar handen van het project aftrekt. ‘Wij hebben het voortouw genomen in deze vernieuwing en blijven betrokken als actieve opdrachtgever, maar de uitvoering willen we aan de vakmensen overlaten. Tja, ook wij moeten leren loslaten.’

Participatiedinges

Boven de Rummikubstenen aan de Vulcanusdreef hebben Leo, Els en Barend er een hard hoofd in. In die hele ‘participatiedinges’, zegt Els. Op de televisie gaat het steeds over de bezuinigingen in de zorg, en dat de buurvrouw nu je achterste moet komen wassen. ‘Ze zouden die bejaardenhuizen open moeten laten, dan kunnen ze je tenminste opbergen.’

Met het buurtteam en Meindert zal het allemaal wel loslopen, denkt Leo, die bedoelen het hartstikke goed. Maar het grondpersoneel: dat deugt niet. De overheid, Den Haag. Daar roepen ze veel te gemakkelijk dat de mensen vanzelf wel naar elkaar omkijken, als je de steun er onderuit trekt. ‘Kijk naar de Vulcanus: de meesten zijn bang van mekaar, draaien de deur liever twee keer op slot dan dat ze een vreemde binnenlaten.’

Bovendien heeft lang niet iedereen het organisatorische talent om de kar van de participatie te trekken, meent Barend. ‘We zitten hier in de flat met een zeer gevarieerde doelgroep. Niet iedereen heeft behoefte aan mekaar, of aan sjoelen of linedance.’ Op de crea-instuifmiddag zijn ze vandaag met z’n zevenen. Het vaste cluppie, zegt Leo. In het begin was hij nog in de weer gegaan met papier om te aquarellen, maar uiteindelijk bleken de meesten liever een spelletje te doen.

Niet iedereen heeft het organisatorische talent om de kar van de participatie te trekken

Vrijwilligster Netty is er vanmiddag bij ‘om de boel in goede banen te leiden’. Ze is begin dertig, na een paar jaar kinderopvang draaide ze de ziektewet in. Met alle plezier knipt ze vandaag de flyers voor het crea-programma op maat, maar ze hoopt wel dat ze gauw weer een échte baan vindt. ‘Het wrange is: ze zijn blij dat ik help de mensen hier te activeren. Maar ja, op een dag moet ik op mijn beurt ook weer geactiveerd worden.’

In zijn kantoortje op de derde is Meindert intussen ‘gemengd optimistisch’. Natuurlijk, er komt ongelooflijk veel op de buurtteams af. Behalve de woonbegeleiding van mensen met allerlei uiteenlopende klachten worden ze inmiddels ook geacht zich over de vele bijstandsontvangers in hun postcodegebied te ontfermen: wie van de langdurige uitkeringstrekkers kan er nog betaald werk doen, of zich op z’n minst als vrijwilliger nuttig maken?

In potentie gaat het om een enorme groep, die de beleidsmakers tot de caseload van de buurtteams kunnen gaan rekenen. In Overvecht hadden ze de afgelopen jaren de tijd om de boel rustig op te bouwen, maar de nieuwe buurtteams elders in de stad krijgen volgens Meindert meteen driehonderd klanten op hun dak. ‘De kans is groot dat hulpverleners dan maar weer op hun oude routines gaan varen. Als je in één keer vol zit, kun je het gewoonweg nauwelijks anders doen.’

Hoe het mogelijk is dat hij in z’n eentje het werk van acht specialistische hulpverleners doet? Ja, daar wordt hij door de collegae in Utrecht ook voortdurend op aangesproken. ‘De kritiek is dat wij onze cliënten te weinig aandacht zouden geven, dat we te licht over de zware gevallen zouden denken. Nou, dat geloof ik niet. Als ik m’n kop leeg maak en me voor de volle honderd procent concentreer, kan ik in tien minuten zien hoe het met iemand gaat.

‘Op een dag moet ik op mijn beurt ook weer geactiveerd worden’

Soms is intensieve hulp nodig, maar voor de meeste van mijn klanten geldt dat je met af en toe een praatje de vinger voldoende aan de pols houdt. Het gaat er om dat je er bent, voor de mensen in de wijk.’ Toch maakt ook Meindert zich zorgen. De gemeente schat dat zo’n vijftien procent van de Utrechters zwaardere, gespecialiseerde zorg nodig heeft. Voor hen blijft er een aantal organisaties dat ‘intensieve begeleiding’ biedt.

Maar wie maakt er precies aanspraak op welke zorg? Dat moet allemaal nog worden uitgezocht en daar zit een risico. Laat hij z’n eigen broer als voorbeeld nemen. Die is schizofreen, rand-psychotisch, moet op tijd z’n medicatie nemen en er is iemand nodig die af en toe controleert of hij niet te veel zuipt. ‘Als hij geen intensieve thuisbegeleiding meer krijgt en je bouwt er niet een heel solide netwerk van familie, vrienden en vrijwilligers omheen, kan zoiets heel vlug fout gaan. Hoe veel ik ook in zelfredzaamheid geloof, er is een categorie die het absoluut lastig gaat krijgen.’

Omwille van hun privacy zijn de namen van de cliënten van het buurtteam in het stuk gefingeerd.