Poëzie / Maandboek poëzie
Het huis van de Nederlandse poëzie telt vele woningen: anekdotische poëzie, lyrische gedichten, slam-poëzie, hermetisch werk, haiku, romantisch-realistische verzen, classicistische poëzie, concrete poëzie, you name it, het is er allemaal. En het is er nog een ware oecumene bovendien. Anything goes, althans op de vele poëtische podia van Nederland. De waterscheiding die tot een jaar of twintig geleden nog duidelijk zichtbaar was tussen ernstige, verknoopte poëzie en lichte, min of meer anekdotische poëzie, is allang vervluchtigd.
Komrij zette in 1979 bij de eerste druk van zijn befaamde bloemlezing 1000 en enige gedichten de partijen nog op scherp: ‘Het accent ligt, om een indruk te geven, hier meer op het vakmanschap, de smaak en het volwassen gezicht dan op het stamelen, de vulgaire sentimenten en het simpeldom. Meer op de satire, de maskerade, de afstandelijkheid dan op de dodelijke ernst, de eenduidigheid en het volle leven.’ Dichters van het experiment, van de gesloten poëzie wisten daarmee wel hoe laat het was: ze kwamen er niet in.
Dat is allemaal geschiedenis. Onder invloed van wat heet de postmoderne tijdgeest zijn de polen naar elkaar toe gedreven. En het meest verrassende is misschien wel dat de wederzijdse toenadering ook een nieuw type dichters heeft voortgebracht dat zich van de oude tegenstellingen niks aantrekt: zo gaan bij dichters als K. Michel anekdotische elementen samen met filosofische diepgang, schrijft Tonnus Oosterhoff behalve heel ingewikkelde, ondoordringbare gedichten even zo vrolijke ultra-praterige verzen en is Anne Vegter misschien soms wel een onbegrijpelijke dichteres maar in zekere zin ook een vrolijk danstype. Allemaal dichters van na de grote verzoendagen.
Toch zijn niet alle bolwerken helemaal geslecht. Op een festival als Poetry International wordt bijvoorbeeld de slam-poëzie nog altijd niet in de Grote Zaal afgewikkeld en vooral bij de uitdeling van de jaarlijkse poëzieprijzen bespeur je nog sporen van de oude bipolaire geest. Komrijs emancipatiepoging inzake de lichte, ‘open’ poëzie heeft daar weinig indruk gemaakt. De poëtische Oscars gaan naar dichters met een zekere ernst of verknooptheid.
Dat geldt ook voor de VSB-prijs, de grootste poëzieprijs van Nederland. Wie de lange lijst genomineerden van de afgelopen jaren bestudeert, ziet dat daar bijna stelselmatig een bepaald soort dichters aan ontbreekt; mensen als Driek van Wissen, nota bene onze Dichter des Vaderlands, maar ook een veelgelezen dichteres als Anna Enquist komen niet aan de beurt, en slam-dichters heb ik er ook nog nooit gezien. Het toegankelijke publieksvers ligt er slecht in de markt, zeg maar.
Ook dit jaar vertoont de keuze van de jury (die overigens ieder jaar van samenstelling wisselt, dus van gestuurde voorkeuren is geen sprake – al moet gezegd dat ook de juryleden veelal ernstige poëzielezers zijn) een voorkeur voor anekdotiekmijdende verzen, waarin het talige een grotere rol speelt dan het mededeelzame.
In feite was 2007 een erg mager poëziejaar. Grote dichters hielden zich koest en er waren ook weinig uitschieters van relatief onbekenden en jongelingen. Je zou denken dat de VSB-jury dat had kunnen uitdrukken in bijvoorbeeld een geringer aantal genomineerden dan de gebruikelijke vijf, maar dat signaal wilde ze kennelijk niet afgeven. Men perste er dus toch maar weer vijf uit, te weten: Jan Baeke met Groter dan de feiten, Christine D’haen met Innisfree, Jacques Hamelink met De Dame van de Tapisserie, Leonard Nolens met Bres, en Anne Vegter met Spamfighter.
Droog
Jan Baeke (1956) is in het dagelijks leven werkzaam in het Amsterdamse Filmmuseum en dat merk je. Groter dan de feiten is een filmische bundel, vol taferelen en sequenties die bij elkaar één lang verhaal vormen. Geen Hollywood, eerder nouvelle vague, zou ik zeggen. De hoofdpersonen, een stelletje, bevinden zich in de provincie waar alles in verhevigde mate op hen af lijkt te komen. Het is een strijd(je) van verstandige overwegingen tegen overweldigende, enigszins droomachtige ervaringen (een enorme kanarie, angstaanjagende honden), die de protagonisten passief en observerend ondergaan. Droge zinnetjes als ‘De minuten zitten er min of meer op’ en ‘Buiten is te zien hoe iedereen zich pratend in leven houdt’ tekenen scherp de vreemde, onthechte atmosfeer. Baekes gedicht heeft iets kafkaesks maar vooral doet het me denken aan het proza (niet de poëzie) van Kees Ouwens. Het lijkt erop of de dichter ons opzettelijk weinig grip wil geven, onze urbane geopinieerdheid met natuurkrachten onder druk wil zetten: De aanraking van een hand. / Handen die als dieren zonder schaamte / zonder herinnering te voorschijn komen. // Is dit de manier / om meningen te mijden / en kleine dunne wanen van het hoofd.
Lelijk
Wat de jury ertoe gebracht heeft Innisfree van Christine D’haen (1923) te nomineren, is mij een volstrekt raadsel. Dit is op en top gekunstelde en gezochte poëzie van een dichteres die met haar rug ostentatief naar de maatschappij staat. Op zich niks op tegen, oecumene immers, maar bij dat alles bevat Innisfree (een verwijzing naar een Yeats-gedicht en een Iers eilandje) vooral lelijke gedichten. Het is weliswaar wat je zou kunnen noemen multiculturele poëzie, want ze heeft zich in allusies en citaten meester gemaakt van alle mogelijke tradities en culturen, maar zo elitair, zo demonstratief belezen dat de eventuele diepere strekking geheel kopje onder is gegaan.
Het archaïserende taalgebruik, het doelbewuste obscurantisme is nadrukkelijk out of key, bedoeld als verzet tegen de moderne tijd en zijn poëtische gebruiken. Maar per saldo laat het vooral een verwaten, narcistische indruk achter: Verboden lust en liefde was / voor wie als kind zich aan de wand kan zien / op bruin portret, gekleed naar oude stijl. / In dikte tronend hief zij ’t laatste glas. / De Vlaamse Noordzee doodt. ‘Ma fille, Christine!’
Klassieke dichtkunst op z’n naargeestigst, met een flink notenapparaat dat ons niet alleen wil bijlichten maar vooral inpeperen wat we allemaal hebben verkwanseld. Terecht, zo te zien.
Schitterend
Jacques Hamelink (1939) trekt in De Dame van de Tapisserie al evenzeer ongebruikelijke en in onbruik geraakte taal- en beeldregisters open. Ook bij hem duistere toespelingen, citaten, merkwaardige eigen vondsten, maar alles schitterend en spetterend, zonder didactisch oogmerk. Dit is als het ware historiserende weefselkunst, die vooral een feest van woorden wil zijn, waarop Hadewych, Bayeux maar ook Kosovo te gast zijn. Hamelink is een taalvirtuoos, die woorden als ‘truthola-herderin’ rustig afwisselt met het ouderwetse ‘dodeine’. Boeiend, spannend allemaal, echt wat je noemt verlekkerde kunst, maar toch vooral buitenkant.
Ik ben er eerlijk gezegd nooit van overtuigd geraakt dat de schrijver van intrigerend proza als Het plantaardig bewind en Ranonkel met het schrijven van poëzie de juiste keuze heeft gemaakt en deze bundel bevestigt die twijfel. Barok is het intussen zeker: Godnonde hoenderplumen, verstuif je. Ik wil in mijn oge je stof hebben. Krakelend schoonmaakwuif, verstokstijf. Zusenzo is des smids tekeergang.
Een ander dichter doet het zo niet, het is heel erg Hamelink, maar er ontbreekt ook iets aan, noem het diepgang, beschouwelijkheid. Dat maakt dat het geen grote kunst is.
Eenzaam
De bundel Bres van Leonard Nolens (1947) was jarenlang een work in progress, dat dan nu eindelijk lijkt te zijn afgerond. Het is een lyrisch epos geworden over Nolens’ eigen generatie en dus komen we er nadrukkelijk de naoorlogse jaren in tegen: mei ’68, socialistische dromen, de multiculturele samenleving. Maar Nolens is verre van een sociaal dichter, hij is vooral een eenzaam en individualistisch dichter. Een van zijn verzen begint met de regel ‘Wij waren toen met velen zoals ik’ en die wrijving tussen ‘wij’ en ‘ik’ is een centraal thema. Uit een menigte linkse straatvechters groeit de bohémien die zich vervolgens ontpopt als de eenkennige kunstenaar.
In schier eindeloze litanieën bezingt Nolens deze gang van zaken: ‘Wij waren weinigen’, ‘Wij waren sommigen’, ‘Wij waren enkelen’, ‘Wij waren anderen’. Per saldo gaat het in Bres om de grote levensvragen van deze, zo te zien ook al weer verloren generatie van zestigers, hoe dicht je de bres tussen jezelf en je omgeving: Wij konden niet omgaan met ons / Wij konden niet omgaan met mij.
In Bres klinkt de stem van Nolens op volle sterkte, niet bang voor grote woorden en luide verkondigingen maar tegelijkertijd ikgericht, mensenschuw. Deze dichter zal zo te zien niet opeens heel anders gaan klinken. Het is indrukwekkend, hamerend soms, en je moet er maar tegen kunnen, deze ‘geen zoetekoeksdozeke’-poëzie van de kleine mens met de megafoon.
Humoristisch
Dan Spamfighter van Anne Vegter (1958). Die bundel onderscheidt zich van de vier andere bundels door enerzijds de ongekunsteldheid, anderzijds de humoristische toets. Vegter is al jarenlang een van de wonderlijkste maar ook een van de origineelste dichters van Nederland. Deze derde bundel is misschien een fractie minder springerig dan de twee vorige, met iets meer bezinning, maar al met al sta je er toch nog steeds van te kijken. ‘Kunst is bijvangst’ heet het ergens, bijvangst namelijk van een dagelijks huishouden van Jan Steen met man, kinderen, vrienden.
Citeren uit dit werk kun je eigenlijk niet zonder schade. Alleen een héél gedicht geeft de gekke transformaties en kronkelingen weer, zoals ‘Zonder titel’: Model gezeten voor de naaktklas soms? / Ik! Terwijl de beste exemplaren keken. / De venusspotters haal je er zo uit. / Jazeker heb ik het van jou geleerd / en van wie heb jij het trouwens? / Aan wat heelal toe na zo’n avond; / de sterren hebben het zelfs boven / voor het zeggen. Nou jij weer.
Spamfighter vecht tegen het dagelijkse vuil dat ons bedreigt met gejubel, gegrijns en soms een klein snikje. Pure emoties en grillen, maar wel helemaal van taal.
Taligheid is het sleutelwoord van al deze bundels, geschreven door dichters die zich bewust zijn van hun materiaal. Anekdotiek, psychologie, laat staan boodschappelijkheid werd door deze jury zo te zien niet gewaardeerd. Ook performance-poëzie blijkt nog niet aan de beurt. Opmerkelijk is dat alle genomineerde dichters middelbaar of ouder zijn, gelouterd in hun stiel, uitgegeven bij toonaangevende uitgevers (liefst vier maal Querido, één maal De Bezige Bij). En dat terwijl in voorgaande jaren soms debutanten werden genomineerd en jonge dichters (Mustafa Stitou, Mark Boog) zelfs wonnen. Zulk veelbelovend jong spul was er dit jaar kennelijk niet bij. Gelukkig denkt de poëzie, anders dan jury’s van literaire prijzen, niet in jaren. Eén mager en eenzijdig jaar, zoals 2007, slaat haar niet uit het lood.
Als het aan mij ligt, gaat de prijs trouwens naar de jongste, grappigste en ongrijpbaarste poëet in het gezelschap, Anne Vegter met Spamfighter, maar ik denk eerlijk gezegd dat het Bres van Leonard Nolens wordt, de bundel met op het oog de meeste urgentie.
Jan Baeke, ‘Groter dan de feiten’, De Bezige Bij, 93 p., € 16,50.
Christine D’haen, ‘Innisfree’, Querido, 44 p., € 16,95. Jacques Hamelink,
‘De Dame van de Tapisserie’, Querido, 144 p., € 17,95. Leonard Nolens, ‘Bres’, Querido, 104 p., € 16,95. Anne Vegter, ‘Spamfighter’, Querido, 40 p., € 16,95
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.