In de wachtkamer van het consultatiebureau in Amsterdam-Buitenveldert zitten een grootmoeder en haar twee kleinkinderen. De kinderen laten hun oma een bakje met plastic druiven, appels en sinaasappels zien. ‘Kijk oma, fruit!’ roept het jongetje. De grootmoeder glimlacht: ‘Ga jij maar fijn met de vruchten spelen.’ Het meisje ontdekt onder de stoel een weggerolde plastic peer. ‘Nog meer fruit!’ juicht ze. Dan gebeurt er iets opmerkelijks. Het gezicht van de ogenschijnlijk lieve grootmoeder verstrakt en bozig corrigeert ze: ‘VrĂșchten, je zegt vrĂșchten.’ Het komt er zo fanatiek uit dat de kinderen ervan opkijken. ‘Waarom?’ vraagt het jongetje. Een goede vraag. Waarom zegt zijn grootmoeder niet alleen ‘vrucht’ tegen een appel, maar waarschijnlijk ook ‘ijskast’ tegen een koelkast en zal ze grote weerstand voelen bij het woord ‘lusten’ in de betekenis van lekker vinden. Deze vruchten-oma heeft het bovendien nooit heet. Maar wel erg warm.

Vruchten, ijskasten en wc’s vormen de...