De Letse Mara Skujeniece zag in haar ouders geen geliefden. Drie jaar geleden las Mara de brieven die de twee elkaar schreven. Hij in het strafkamp, zij alleen thuis. Tussen de regels door vond ze de liefde.

Toen Mara Skujeniece zeven jaar oud was, leefde ze in twee werelden. Het was 1980 en Letland was ingelijfd bij de Sovjet-Unie. Op school droeg Mara een Sovjet- schooluniform, inclusief opgespelde Lenin-ster. Ze kreeg Russische taalles en leerde over de geweldige rijkdom van het communistische gedachtegoed. Thuis was er weinig interesse voor de dingen die Mara op school leerde. Haar ouders waren te druk met het ontvangen van gasten uit alle hoeken van de Sovjet-Unie. In hun zelfgebouwde huis in een voorstad van Riga zat het avond na avond bomvol met dichters, schrijvers en denkers uit de hele Sovjet-Unie. Waar al deze intellectuelen en kunstenaars precies over praatten en hoe deze mensen elkaar kenden, wist Mara niet. ‘Iedereen was op zijn hoede. We werden altijd in de gaten gehouden, de telefoon werd afgeluisterd en tussen de gasten zaten regelmatig informanten. Iets aan een kind uitleggen was wel het laatste wat je deed in die tijd.’

Mara kan zich niet herinneren dat haar ouders, dichter en vertaler Knuts Skujenieks en dendroloog Inta Skujeniece, lief voor elkaar waren of affectie toonden. ‘Ze leefden langs elkaar heen; mijn moeder sloofde zich de hele dag uit om iedereen te verzorgen, mijn vader was vaak weg naar literaire lezingen, waar hij werd overladen met aandacht van vreemde vrouwen. Ik weet niet alles, maar een tijdje heb ik met mijn moeder op het platteland gewoond omdat mijn vader een andere vrouw had.’

Binnen het gezin werd er niet gesproken over gevoelens, en al helemaal niet over het verleden. Af en toe stuitte Mara op iets geheimzinnigs. Zo vond ze een doos met honderden brieven, met op de enveloppes een vreemd Russisch adres. Toen ze 16 was, las Mara een interview met haar beroemde vader in een obscuur literair tijdschrift. Hij praatte over zijn ‘jaren in het strafkamp’. ‘Dat was een enorme klap voor mij. Strafkamp? Mijn vader? Maar er heerste zo’n zwijgcultuur, niet alleen bij ons thuis, in heel Letland. Ik durfde er met niemand over te praten.’ Ook na de onafhankelijkheid van Letland en lang nadat Mara naar Nederland verhuisde om te studeren en werken, bleef de terreur van het Sovjet-Unie onbesproken in het gezin Skujenieks.

Tot haar verbazing noemden haar ouders elkaar steevast krokodil of kro-kro.

Totdat drie jaar geleden een bundel uitkwam van alle brieven die vader Knuts en moeder Inta aan elkaar schreven in de periode van het strafkamp. Mara: ‘Mijn moeder vertelde droogjes aan de telefoon dat er een boek was uitgekomen, ze zou me een exemplaar sturen. Dat is typisch voor mijn ouders, over pijnlijke herinneringen kom ik alleen te weten via gedichten en interviews, en nu via een bundel verzamelde brieven.’ De bundel werd opgestuurd naar Amsterdam, en Mara begon voorzichtig met lezen. Tot haar verbazing noemden haar ouders elkaar steevast krokodil of kro-kro, koosnaampjes die later waren verdwenen uit het echtelijke vocabulaire.

‘Milo Krodilien (lief krokodillenvrouwtje), De omstandigheden waarin ik mij bevind, kunnen mensen breken of harden, een derde weg is er niet. En je kunt er gerust op zijn dat ik aan het harden ben. Ik ben niet van plan te breken. Ik moet zo sterk zijn dat ik in mijn leven na dit kamp geen boosheid en geen bitterheid met mij meetors. Ook wil ik leren om nog meer van mensen te houden dan ik nu al doe.’

In de bundel staan de feiten over het kampverleden van vader Knuts. Hij werd op 17 april 1962 gearresteerd op verdenking van het verspreiden van anti-Sovjet propaganda en veroordeeld tot zeven jaar strafkamp in de Russische regio Mordovië. Soms hield Knuts het gevangenisregime nauwelijks vol. ‘Sinds eergisteren ben ik in het ziekenhuis,’ schrijft hij in 1964. ‘Dit was niet de beste tijd, maar het is niet anders. Ik moet constateren dat als het zo doorgaat, ik binnenkort in de gewichtscategorie ‘vlieg’ zit. Ik weeg 58 kilo.’
Maar vaak zijn de brieven levenslustig, ironisch. Zoals deze opsomming van Knuts; bevelen aan zijn jonge vrouw:

‘Lieve krokodil,
a) Groet iedereen namens mij, ik noem geen namen, want dan zou ik mensen beledigen die ik vergeet; b) Schrijf! ; c) Wees een braaf meisje!; d) Luister naar weerberichten op de radio!; e) Vermijd geen artsen; f) Rook niet te veel, anders maak je mij jaloers; g) Alle voorgenoemde punten niet vergeten! Vooral die c!’

Veel zwaarder

Mara’s moeder werkte in de Academische Botanische Tuin. Ze wilde graag de wetenschap in, maar elke promotie was onmogelijk nu haar echtgenoot een staatsvijand was. Mensen roddelden achter haar rug. ’s Nachts typte ze lange, soms wanhopige brieven aan Knuts.

‘Op het werk gaat alles prima. Het belangrijkste is dat ik jou zo mis. Ik begin genoeg te krijgen van alleen maar gedichten en brieven, en ik vraag me af: hoe lang kan een helft van een mens leven zonder haar wederhelft.’

De ouders van Mara mogen elkaar één keer per jaar zien. Ze krijgen dan een kamertje waar ze zich terug kunnen trekken. Na een van deze jaarlijkse bezoeken denkt Inta even dat ze zwanger is. Knuts schrijft: ‘De waarheid is dat ik egocentrisch ben. Maar het is ook waar dat ik meer van je houd dan wie dan ook. En misschien kan de komst van nieuw leven, van een kind dat evenveel geliefd wordt door ons beiden, al het ijs breken dat zich in de loop van deze jaren heeft opgestapeld.’

Een zwangerschap blijft uit en Inta begint zich steeds meer zorgen te maken over een leven na het kamp: ‘Het leven zal veel zwaarder zijn dan het tot nu was. Nu dragen we elk onze eigen last. Het kan blijken dat we straks de lasten niet gezamenlijk kunnen dragen, dat we ons kruis ieder een andere kant op slepen.’

Mara: ‘Mijn vader is nooit verbitterd geraakt of boos, precies zoals hij zichzelf had voorgenomen. Toen hij terugkwam omarmde hij het leven en genoot hij van alle aandacht die hij kreeg in het ondergrondse circuit als held en als dichter. Hij had in het kamp dissidente vrienden uit de hele Sovjet-Unie gemaakt. Dat waren de mensen die steeds langskwamen. Mijn moeder had het moeilijker. Niemand had oog voor haar lijden, terwijl zij ook zeven jaar heeft geofferd. Mijn ouders zijn nu bijna tachtig en leven nog altijd langs elkaar in hun zelfgebouwde huis.’