Kliniek voor mensen met een niet-aangeboren hersenletsel
‘Ik heb er geen plezier in. Waarom hou je mij hier vast? Ik wil weg. Ik wil niet meer eten. Ik heb er geen zin meer in. Ik wil niet langer leven.’ Zijn holle ogen kijken indringend uit een bleek gezicht. Een van zijn magere benen is ingepakt in duimendik gips. Het is op twee plaatsen gebroken toen hij – niet voor de eerste keer – van het dak sprong.
Sjef zit vastgesnoerd in zijn rolstoel om te voorkomen dat hij ineens opstaat en dan opnieuw zijn botten breekt. Hij rolt zijn rondjes door de gangen van de kliniek, langs de kleurige muurschilderingen van Twentse boerderijen en dennenbossen, en zegt de hele dag op dezelfde monotone toon dezelfde wanhopige woorden. ‘Ik ben mezelf niet meer. Als ik mijn hele leven in de groep moet wonen, dan wil ik dood.’
De afdeling Boszijde van psychiatrische kliniek Mediant in Enschede heeft, naast tachtig ambulante patiënten, tien bedden voor mensen die kampen met ernstige gevolgen van niet-aangeboren hersenletsel (afgekort: nah). Het is een nieuw initiatief: Boszijde begon in 2005 met een paar bedden. De meeste patiënten hebben een aantal weken in coma gelegen na een (verkeers)ongeval. Anderen hebben korsakov of overleefden een hartstilstand. Soms zijn ze verslaafd (geweest), aan drugs en aan drank. En allemaal kregen ze hersenletsel.
De zevenentwintigjarige Jeffrey is als jongetje van zeven geschept door een te hard rijdende auto en met zijn hoofd op de stoep terechtgekomen. Hij lag vier weken in coma en moest alles weer opnieuw leren. Dat is maar ten dele gelukt. Hij loopt mank, praat traag. Jeffrey doet inpakwerk op de interne werkplaats van de kliniek.
Berend is ruim twintig jaar geleden als jonge bouwvakker van een steiger gevallen. Acht meter naar beneden, op het beton. Hij had een gebroken middenhandsbeentje en een paar schaafwonden op zijn gezicht. Gelukkig geen dwarslaesie, dacht zijn familie. Maar Berend lag drieëneenhalve maand in coma en was daarna nog een periode subcomateus. Hij zit nu in een rolstoel. Berend is half verlamd en lijdt aan zware epilepsie-aanvallen die zijn hersenen nog verder aantasten. Door zijn spraakstoornis kan hij bijna alleen maar grommen. Zijn temperament en fysieke kracht hebben niet onder zijn hersenbeschadiging geleden. Dat levert wel eens problemen op, want zijn frustratie over zijn gebreken is groot.
Sigaretten, geld, medicijnen
Op maandagochtend bespreken ggz-verpleeghuisarts Metta de Noo, klinisch neuropsycholoog Bianca de Geus en psychiatrisch verpleegkundigen Francisca Stinissen en Marieke ten Brummelhuis hoe hun tien patiënten eraan toe zijn. De vergadering, die nog geen uur duurt, wordt om de haverklap onderbroken door patiënten die op de deur bonken. Ze vragen sigaretten, geld, medicijnen. Eigenlijk vragen ze maar één ding: aandacht. Als ze die niet krijgen, jutten ze elkaar op. Daarom gaat de deur elke keer van het slot en wordt iedereen te woord gestaan.
Toch gaat het mis.
In de kamer recht tegenover het kantoor, waar patiënten bij wijze van therapie houten doosjes en dienbladen beplakken met mozaïeksteentjes, is Berend onrustig geworden. De therapeut ter plekke waarschuwt, en Stinissen, Ten Brummelhuis en De Noo stormen naar buiten. Berend gromt en slaakt woeste kreten. De Noo en Ten Brummelhuis grijpen zijn rolstoel van achteren vast en trekken hem naar buiten, over de gang, naar de afzonderingsruimte. Stinissen rent voorop met de sleutel. Berend schopt en slaat in de lucht. Hij is sterk; de verpleegkundigen hebben blauwe plekken van de momenten waarop hij er in slaagde hen te raken.
Uren later is het gebonk tegen de deur van de cel nog steeds te horen.
Niet-aangeboren hersenletsel heeft vele gezichten. Een cva (herseninfarct of hersenbloeding), een klap op het hoofd, een ongeluk met hoofdletsel, een hersentumor of juist de bestralingen om die te verwijderen, medicijnen, drank, aids – ze kunnen allemaal hersenbeschadigingen veroorzaken. In sommige gevallen kunnen andere, gezonde delen van de hersenen bepaalde functies (deels) overnemen, maar vaak is het over en uit. De aangerichte schade kan niet meer ongedaan gemaakt worden.
De patiënten zelf hebben meestal niet in de gaten dat ze veranderd zijn en zich grillig gedragen. De ánderen, die doen ineens raar tegen hén. Dat ze driftiger en emotioneler zijn dan voorheen, zien ze niet.
De patiënten van Boszijde hebben een flinke tik gehad. Intellectueel en geestelijk, maar ook lichamelijk. Hun psychiatrische ziektebeelden gaan gepaard met somatische aandoeningen. Er zijn er maar een paar die gewoon kunnen lopen. De rest zit in een rolstoel of loopt mank. Ze kunnen zich in de regel moeilijk concentreren, hebben een slecht geheugen, missen het vermogen nieuwe dingen aan te leren, hebben problemen met plannen en overzien de consequenties van hun handelen vaak niet.
‘Deze somato-psychiatrische patiënten kunnen eigenlijk nergens terecht,’ zegt De Noo, die anderhalf jaar geleden het initiatief nam om tien bedden voor deze patiëntgroep te reserveren. ‘Mensen die lichamelijk heel slecht zijn, worden vaak in een verpleegtehuis geplaatst. Omdat het in dit geval vaak om relatief jonge mensen gaat, is dat geen succes. Daar zitten ze dan, als dertiger of veertiger, tussen de tachtigplussers. Bovendien zijn de verzorgenden daar niet ingesteld op mensen met ernstige gedragsstoornissen.’
Maar ook een gewone psychiatrische afdeling is niet geschikt. De Noo: ‘Deze patiënten komen op een gesloten afdeling terecht, waar mensen verblijven die een heel ander type gedragsstoornissen hebben dan mensen met nah. Daar komt bij dat een nah-patiënt niet in een dagbehandeling past. Zo iemand kan zich maar kort concentreren en is erg snel moe – op onze afdeling gaan bijna alle patiënten ’s middags naar bed om te slapen. Anders houden ze het niet vol.’
Op één na hebben alle tien een rechterlijke machtiging, wat betekent dat ze op last van de rechter zijn opgenomen, en dat de kliniek periodiek aan de rechter verantwoording moet afleggen over de gevolgde behandelmethode. ‘Welk onderzoek is er gedaan? Wat is er gedaan om iemand te motiveren? Op zulke vragen moet je een antwoord hebben,’ zegt neuropsycholoog De Geus. Ook het principe van ‘bevoogdende autonomie’ hangt hiermee samen: ‘Wij hebben de regie, dat kan niet anders. Als je het aan de mensen zelf zou overlaten, gebeurde er helemaal niets. Door hun hersenletsel zijn ze al passief, en omdat ze niet kunnen onderkennen dat ze hulp nodig hebben, zijn ze echte zorgmijders. Als je niets doet, komen ze op straat terecht of liggen ze thuis te vervuilen,’ zegt De Noo.
Urinecontroles
Voor de wat lichtere gevallen, zoals Jeffrey, lijkt het alsof een vorm van begeleid wonen soelaas zou kunnen bieden. Maar ook dat werkt niet. ‘Begeleid wonen biedt ze te weinig structuur, en ze kunnen gemakkelijk weglopen. Bovendien liggen zulke panden midden in de stad en trekken deze kwetsbare mensen onmiddellijk fout volk aan. Lui die van hen profiteren door ze geld uit de zak te kloppen of, in het geval van meisjes, te prostitueren,’ zegt De Noo. Een van haar patiënten heeft zich tijdens het begeleid wonen geprostitueerd om wiet te kunnen kopen en werd toen een paar keer verkracht.
De Noo: ‘Daar komt bij dat ze heel makkelijk aan drugs en drank kunnen komen, middelen die hun problemen alleen maar verergeren. Onze kliniek ligt buiten de stad, maar wel op openbaar terrein, en helaas wordt ook hier gedeald. We kunnen het nog een béétje beheersen door onverwacht urinecontroles te doen, en mensen achter de deur te houden als ze positief zijn. Maar het lijkt soms wel of die dealers kunnen rúíken wie ze moeten hebben! Ze slijten hun spul zelfs via de slaapkamerramen.’
In principe kunnen de patiënten naar buiten. Om te wandelen, te vissen, of naar de soos te gaan. De kliniek is geen gevangenis, ook al kan niet iedereen eruit. De veiligheid van andere patiënten mag niet in gevaar komen, en dat geldt ook voor de patiënt in kwestie. Zo mag Berend niet meer op stap nadat hij een aantal keren door personeel met rolstoel en al uit de sloot is gevist waar hij steeds in reed als hij naar buiten ging.
Drugs- en drankgebruik is geen reden om iemand op te sluiten. Zo kan het gebeuren dat een patiënt, dat wordt tenminste vermoed, zijn flessen drank ergens begraaft in het park rondom de kliniek. Een man die al vanaf zijn vijftiende alcoholist is, in een roes een ernstige val maakte, en daarna in coma raakte. Korsakov met hersenletsel, en een agressieve dronk. ‘We zouden hem eens een keer moeten volgen,’ denkt Ten Brummelhuis. Maar daar is geen tijd en geen personeel voor. Vooralsnog zijn onverwachte alcoholcontroles de enige manier om erachter te komen of hij inderdaad stiekem drinkt.
Voortdurend alert
De Noo wil haar tien bedden graag uitbreiden met een verblijfsafdeling, zodat ze haar patiënten niet per definitie na een jaar buiten hoeft te zetten. Maar wie gaat dat betalen? Boszijde kampt nu al met structurele onderbezetting. ‘Twee verpleegkundigen op tien patiënten is echt veel te weinig,’ zegt Stinissen. ‘Je moet voortdurend alert zijn, conflicten tussen mensen voorkomen, in de gaten hebben wanneer iemand dreigt door te draaien. We hebben geen tijd om iets extra’s te doen voor iemand.’ Eén op één zou ideaal zijn, vindt ze. Een van haar collega’s vertelt dat hij na zes dagen dienst wel eens bijna huilend naar huis is gegaan. ‘Dan ben ik he-le-maal op. Dat is veel te lang.’
De uitzendkrachten die soms worden ingehuurd als andere afdelingen niemand ‘te leen’ hebben, verlichten de werkdruk nauwelijks. Stinissen: ‘Je moet de patiënten goed kennen om te kunnen anticiperen op hun gedrag. Een uitzendkracht kan met praktische dingen meehelpen, maar in feite draai je in zo’n situatie de afdeling op je eentje. Er is geen standaardaanpak. Je hebt vooral veel ervaring en improvisatietalent nodig.’
Verschillende keren per dag klimmen de verpleegkundigen door het raam van het kantoor naar de witte plastic stoeltjes buiten. De glazen pot die op het gras staat, zit barstensvol peuken.
Aandoenlijk
Kees voelt zich veilig in de kliniek. Maar niet altijd. Soms sneuvelt er een ruitje, en hij gooit wel eens een bestekla naar iemands hoofd. Kees krijgt nog steeds opdrachten van zijn stemmen en slikt een waslijst aan medicatie om zijn wanen in toom te houden. Televisie kijkt hij weinig, de radio staat maar af en toe aan. ‘Te veel prikkels, Kees?’ Hij knikt. ‘Dat zeg jij héél goed.’
‘“Kijk Francisca, ze hebben me recht in mijn hart gestoken met een spuit morfine. Ik ga nu dood,” zei hij laatst. Een poos geleden waarschuwde hij me dat ik onmiddellijk naar huis moest gaan. Er zouden bommen en granaten op de kliniek vallen, en hij wilde niet dat die mij zouden treffen,’ zegt Stinissen, die vertelt dat Kees haar ook een keer ten huwelijk heeft gevraagd. ‘Op zijn knieën. Dat vond ik heel aandoenlijk. Toen hij hier net was, dacht hij dat ik Lucille Werner was, van Lingo. Dan zei hij ook: “Ben jij het, Lucille?”’
Kees is Libanon-veteraan. ‘Eind jaren zeventig, begin jaren tachtig heeft hij daar de meest verschrikkelijke dingen gezien. Verminkte lichamen onder ingestorte gebouwen, krijsende kinderen in de puinhopen. Hij heeft over lijken gelopen, toen was hij begin twintig. Toen hij terugkwam, was hij helemaal de weg kwijt. Hij is een jaar behandeld in een psychiatrische kliniek,’ vertelt zijn bewindvoerder, Bert Dekker. ‘Kees leed aan paranoïde psychoses. Daar had hij vóór die oorlog geen last van.’
Dekker is een gepensioneerde burger die bij Defensie met getraumatiseerde veteranen te maken had. Hij is gespecialiseerd in psychische trauma’s en doet nog altijd zijn werk. Dekker is Kees nooit uit het oog verloren. ‘Na een jaar heeft die kliniek hem ontslagen, ze kwamen daar niet verder met hem. Kees kwam niet van zijn wanen af. Bovendien kreeg hij, toen hij vierentwintig jaar was, acute leukemie. Die werd met de ene na de andere chemokuur behandeld. Tijdens een van die behandelingen kreeg hij een hartstilstand. Hij is gereanimeerd, en toen bleek dat er te veel vocht in zijn hersenen zat. Er werd een drain in zijn hoofd geplaatst. Die doet nu geen dienst meer, maar hij zit er nog wel. De hartstilstand had een zuurstoftekort in zijn hersenen veroorzaakt. Nettoresultaat: de leukemie was genezen, maar Kees heeft sindsdien wel epilepsie. En die wanen zijn ook gebleven.’
Psychotisch en epileptisch vertrok Kees weer naar zijn thuis, een caravan tegenover de woning van zijn ouders, midden in de polder. Dekker: ‘Daar heeft hij een paar keer geprobeerd zelfmoord te plegen. Toevallig brak zijn moeder zijn val toen ze de schuur in liep waar hij van de zolder sprong. En hij is een keer vlak voor een trein weggetrokken.’
Kees werd opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis en zat afwisselend in de separeercel en op proefverlof thuis. Dekker: ‘Dat heeft jaren geduurd, ze kwamen geen stap verder. Hij had in die periode een portiekflat waar hij tijdens zijn proefverlof zat. Dat werd een soort vuilstort. Hij ging zijn urine en ontlasting in potten en pannen bewaren, want die mocht hij van zijn stemmen niet weggooien omdat ze “besmet” waren. Dat veroorzaakte natuurlijk een enorme stank en trok veel ongedierte aan: duizenden vlooien, tientallen ratten. ’s Ochtends heel vroeg kroop hij in gevechtstenue langs de gevel, want de vijand ging aanvallen.’
De buren pikten het niet. De rechter durfde de drempel niet eens over, en verstrekte een rechterlijke machtiging voor dwangopname. Dekker: ‘In 2004 heeft hij de boel in de fik gestoken. Die middag reden er militaire voertuigen langs zijn huis en vlogen er straaljagers over. In zijn beleving kon hij de vijand verjagen door brand te stichten, en dat heeft hij toen gedaan.’
Toen de politie Dekker vroeg waar ze Kees konden vinden, aarzelde hij geen moment: ‘Op weg naar de gevangenis. Want daar is hij voor zijn gevoel veilig.’ Dekker had gelijk.
Kees kwam in weer een andere psychiatrische inrichting terecht en werd daarna geobserveerd door het Pieter Baan Centrum, dat tbs adviseerde. Omdat er voor de tbs-kliniek een wachtlijst was, werd hij tot er plaats was ‘geparkeerd’ in de Bijlmerbajes. ‘Daar ging het helemaal mis,’ vertelt Dekker. ‘Hij stripte zijn cel, vervuilde de boel, ging in zichzelf snijden met het plastic bestek en sloeg met zijn hoofd tegen de muur.’ Via een forensisch psychiatrische kliniek kwam hij juni vorig jaar bij Mediant terecht. ‘Zijn geest is helemaal kapot,’ zegt Dekker, die zich zorgen maakt over Kees’ toekomst. ‘Mevrouw De Noo probeert of hij hier kan blijven, ook al moet hij hier eigenlijk weg. Het is de eerste plek waar hij de juiste medicatie krijgt en een liefdevolle behandeling. En hij voelt zich hier veilig.’ Een betere plek dan Boszijde is er niet voor Kees, denkt Dekker. Maar toch: ‘Ik denk dat dit geen leven is.’
De volgende middag komt Kees binnenlopen, in de huiskamer van de afdeling. Hij heeft lekker geslapen en gaat goedgehumeurd aan de grote tafel zitten. Terwijl hij zijn grote ronde ogen wagenwijd openspert, schuift hij een stukje naar voren op zijn stoel, wijst dan achter zich en zegt grinnikend: ‘Ik heb een hele cyclus achter de rug, kijk maar!’
Iedereen aan tafel lacht.
Woeste man
‘De’ nah-patiënt bestaat niet. Terwijl de een met ondersteuning nog thuis kan wonen, is de ander volledig aangewezen op verpleegkundige zorg en ondersteuning van familie of vrienden.
Jeanette, de schoonzus van oud-bouwvakker Berend, zegt na ruim een uur praten: ‘Een paar weken geleden was hij bij ons thuis, we hadden een barbecue. Hij verslikte zich op een bepaald moment en liep helemaal paars aan. Dan denk je: nee, niet hier! En tegelijkertijd denk je ook: ga maar. Dit is geen menswaardig bestaan, waarom moet je dat verlengen? Berend kan nog steeds niet accepteren dat hij is zoals hij nu is; hij weet nog heel goed hoe hij was vóór het ongeluk. En hij heeft geen inzicht in zijn ziektebeeld. Hij denkt dat een operatie aan zijn hersenen ervoor kan zorgen dat hij weer kan lopen. Maar “de dokter wil dat niet doen,” zegt hij.’
Jeanette kent Berend al sinds de tijd dat hij een klein jongetje was. Ze heeft zijn huwelijk meegemaakt, de geboorte van zijn zoon, zijn scheiding, zijn zelfmoordpogingen. Berends vrouw kon enkele jaren na het ongeluk de situatie niet meer aan, en hij kwam in een verpleeghuis terecht. ‘Daar draaide hij helemaal door. Hij is dwars door een ruit gegaan, deelde klappen uit. Iedereen was bang van die woeste man.’ Zes jaar geleden kwam hij bij Mediant terecht, een jaar geleden op de afdeling Boszijde.
Heeft Berend nog zin in zijn leven? ‘Nee,’ zegt ze heel beslist. ‘Hij rijdt niet voor niks hier het water in, met zijn rolstoel. Niemand wil dit leven. Maar of hij dood wil, is weer een andere vraag. Hij zegt van wel, maar als je daar eenmaal met hem over gaat doorpraten, vindt hij het leven ook wel weer prachtig. Hij kan ontzettend genieten als hij bij ons thuis is, dat vindt hij heerlijk. Huiselijkheid, warmte, dat mist hij hier. Hij hoort hier niet thuis, in een psychiatrische kliniek, maar waar moet hij naartoe? Door die voortdurende epileptische aanvallen gaan zijn hersenen steeds verder achteruit.’ Ze moet even haar neus snuiten. ‘Zijn leven wordt steeds zwaarder, dat draag ik met me mee. Wij gaan na het bezoek weer weg, naar ons eigen huis, maar hij moet hier blijven.’
In de gang van de kliniek lopen we na ons gesprek letterlijk tegen Berend op. Hij begint te stralen wanneer hij Jeanette ziet en geeft haar een dikke kus midden op haar voorhoofd. Het anders norse gezicht glimlacht nu van oor tot oor. Zelfs het onbekende bezoek krijgt spontaan een hand en een brede lach.
Drie hengels
Jeffrey – colbertje, hoog opgeschoren haar, in elk oor een grote oorring – weet dat hij makkelijk beïnvloedbaar is. Daarom wil hij ook terug naar Almelo, waar zijn familie en kennissen wonen. ‘Ik ben gaan gebruiken in Enschede, toen was ik vierentwintig jaar. Naar die woonvorm wil ik niet terug. Ik heb nog geen beeld van mijn toekomst, maar ik wil hier wel weg. Hier stop je met leven, en ik wil graag vooruit. Nu kom ik geen stap verder.’
Op zijn kamer staan een rode sporttas propvol lege colaflessen, een elektrische gitaar, een computer (‘om dvd’s op te kijken’), stapels videobanden en drie hengels. Hij heeft geluk dat het bed aan de andere kant van het gordijn leeg is; Jeffrey heeft, voor zo lang het duurt, een kamer voor zichzelf. Maar toch: ‘Ik vind het hier niet leuk. Je zit vierentwintig uur per dag met andere mensen opgescheept en je kunt alleen naar buiten met een tijdafspraak. Dat wil ik niet, ik wil vrij zijn in de dingen die ik doe.’
Inge, Jeffreys moeder, heeft gezien dat die vrijheid hem opbrak. ‘Hij rookte op een bepaald moment meer dan tien stickies per dag toen hij in het Enschedese begeleid wonen-project zat.’
Jeffrey is na zijn ongeluk nooit meer de oude geworden. Hij volgde speciaal onderwijs en ging daarna bij een sociale werkplaats werken. ‘Toen is hij in het uitgaansleven met drugs in aanraking gekomen. Dat ging al snel fout. Hij dronk er ook behoorlijk bij. Jeffrey kan moeilijk nee zeggen, hij weet ook niet wat wel en niet goed voor hem is. En ja, kwetsbare mensen trekken bepaalde types aan, hè.’ Het maakt haar ‘laaiend’ dat er op het terrein van de kliniek niet strenger gecontroleerd wordt op drugs dealen. ‘De beveiliging hier zit gewoon anderhalf uur koffie te drinken!’
Zelfstandig wonen zit er voor hem gewoon niet in, zegt ze. ‘Dan gaat het weer mis. Hij moet naar een woonvorm waar hij zich niet aan gemeenschappelijke dingen kan onttrekken, zoals gezamenlijk eten. Anders vereenzaamt hij en gaat hij weer gebruiken.’
Ze zucht. ‘Ik kom elke week. Als het een keer minder met hem is, kom ik thuis en jank ik even, dan kan ik het loslaten. Dat moet je jezelf aanleren. Hij is hier veel opener en socialer geworden. Vroeger kreeg ik er geen woord uit, nu kan hij zich uiten. Ik ben blij als hij straks in Almelo in een goede woonvorm zit, een paar vrienden heeft en die troep niet gebruikt. En ik me niet zo’n zorgen hoef te maken over later, als ik dood ben. Want wie gaat er dan naar hem omkijken?’
Warmer en huiselijker
Omdat Boszijde een kliniek is en geen instelling, mogen de patiënten in principe niet langer dan een jaar blijven. Voor iedereen wordt daarom naar een vervolgsetting gezocht.
Jeffrey gaat waarschijnlijk naar het begeleid wonen-project in Almelo waar hij graag naartoe wil. Sjef komt misschien op de gesloten afdeling van een verpleeghuis voor demente bejaarden terecht. Kees wacht hetzelfde lot als De Noo er niet in slaagt hem te houden. Jeanette hoopte dat haar zwager Berend op een soort woonboerderij terecht kon, ‘waar het wat warmer en huiselijker is dan hier’. De Losserhof, waar hij over een paar weken naartoe gaat, heeft in elk geval een wijngaard en een kinderboerderij. ‘Daar krijgt hij ook een eigen kamer, met zijn eigen spulletjes.’
Buiten op de gang draait Sjef zijn rondjes. ‘Ik ben een slechte vader,’ zegt hij bedrukt. ‘Ik ga op een verkeerde manier met mijn kinderen om. Daar heb ik heel veel spijt van. Mag ik ze bellen?’ Het is zijn refrein voor de rest van de dag. De telefoon krijgt hij niet.
Nah in cijfers
Hoeveel mensen in Nederland slachtoffer zijn van niet-aangeboren hersenletsel is moeilijk te zeggen, omdat het om heel veel en heel verschillend letsel gaat.
Volgens de Hersenstichting Nederland lijden bijna zes miljoen Nederlanders aan een hersenaandoening. Het grootste deel van hen heeft last van migraine (2,5 miljoen) en angststoornissen (1,8 miljoen). Wat niet-aangeboren hersenletsel betreft, gaat het om ruim dertigduizend mensen die een cva (herseninfarct of beroerte) hebben gehad, bijna vijfentwintigduizend mensen met traumatisch hersenletsel (dus als gevolg van een [verkeers]ongeluk), ruim vijfduizend mensen met een hersentumor, en tussen de duizend en drieduizend mensen die in coma hebben gelegen. Ook krap een half miljoen verslaafden heeft hersenletsel opgelopen als gevolg van hun drugs- en/of drankgebruik. Bovendien zullen van de bijna honderdduizend mensen die lijden aan epilepsie en de ruim eenentwintigduizend die psychotisch zijn, een aanzienlijk aantal hun ziekte te wijten hebben aan nah.
Het Nederlands Centrum Hersenletsel schat dat jaarlijks in totaal ongeveer honderdduizend Nederlanders te maken krijgen met hersenletsel als gevolg van een ongeluk, een tumor, een hartstilstand, een cva of een operatie.
Vanwege de privacy van betrokkenen zijn de namen van patiënten veranderd en de achternamen van familieleden weggelaten. Meer informatie onder meer op www.hersenletsel.nl
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.