Non-fictie / Nadenken over schaduwen
Het is altijd leuk om aan kinderen te vragen wat een schaduw is. De antwoorden zijn vaak doordacht en fout tegelijk. ‘De schaduw is van de nacht gemaakt.’ ‘Een schaduw is donker omdat er botten inzitten.’ Of: ‘Je kunt de schaduw van iemand afpakken door er met een paraplu op te prikken.’
De bovenstaande antwoorden zijn van kinderen tussen de vijf en tien jaar oud, in de jaren zestig opgeschreven door de psycholoog Jean Piaget. Uit de manier waarop kinderen naar schaduwen kijken, probeerde Piaget inzicht te krijgen in de manier waarop mensen kennis verwerven. Schaduwen zijn mooi studiemateriaal, omdat kinderen de neiging hebben ze te zien als ‘dingen’, maar ook snel in de gaten krijgen dat ze zich anders gedragen dan ‘gewone dingen’. Schaduwen lopen over het plafond, verdwijnen in het niets of bewegen onwaarschijnlijk snel.
Pas als kinderen een jaar of negen zijn, krijgen ze een aardig idee van wat een schaduw eigenlijk is. Dat je er licht voor nodig hebt, en dat er iets is dat dat licht blokkeert. De schaduwen krijgen een ‘plek’ en vanaf dat moment denken de meeste mensen niet meer zo vaak over schaduwen. Tenzij ze filosoof worden. In het boek Seeing Dark Things gaat Roy Sorensen door waar de meeste kinderen ruim voor hun puberteit mee stoppen: nadenken over schaduwen. Roy Sorensen heeft zich het afgelopen decennium suf gepeinsd over schaduwen.
Metafysische amfibieën’
In 1999 voltooide hij het artikel ‘Seeing Intersecting Eclipses’. Sorensen schreef daarin over een denkbeeldige planeet met twee manen, een grote en een kleine maan, waarbij de grote verder van de planeet verwijderd was, zodanig dat de manen er vanaf de grond even groot uitzagen. ‘Stel,’ zo schreef Sorensen, ‘dat er een dubbele zonsverduistering is waarbij de twee manen in één lijn staan en het licht van de zon tegenhouden. De manen overlappen elkaar precies. Zien we dan de schaduw van de grote verre maan, of van de kleine maan die dichtbij staat?’ Sorensen beargumenteerde vervolgens dat we de schaduw van de verre maan zien. Die blokkeert immers het licht. Op dezelfde manier beargumenteerde hij dat we bij een zonsverduistering de achterkant van de maan zien.
‘Seeing Intersecting Eclipses’ werd gepubliceerd in The Journal of Philosophy en door het bestuur van Philosopher’s Annual verkozen tot een van de beste filosofische artikelen van dat jaar. Het artikel vormt de basis van de eerste twee hoofdstukken van het boek Seeing Dark Things, waarin Sorensen verder denkt over schaduwen en ze probeert te gebruiken als gereedschap om een filosofisch probleem aan te pakken: het probleem van ‘afwezigheden’ als gaten, stilten en het einde van de regenboog. Zoals biologen fruitvliegjes gebruiken om inzicht te krijgen in de genetica, zo ziet Sorensen schaduwen als mooie filosofische proefdieren: ‘metafysische amfibieën’ die met één been op de ‘vaste grond van het gezond verstand’ staan en met het andere been in de ’troebele wateren van het niet-zijn’.
Het doel is om afwezigheden een mooie plaats te geven in de zogeheten causale perceptietheorieën, die beweren dat alles wat je ziet een ‘oorzaak’ heeft. Je ziet een appel in het gras omdat fotonen van de zon als stuiterballetjes van de appel afketsen en in een oog vallen. Iets dat niet inwerkt op de lichtgevoelige cellen van je netvlies zal je niet zien. Een lichtstraal die niet recht op je ogen gericht is, zie je alleen als het licht wordt verstrooid door rook of een wolk. Denk aan de ‘evangelische’ foto’s van zonnestralen door een wolk.
Zwart is een kleur
Dit klinkt natuurlijk logisch, maar heeft wel als consequentie dat je de letters die je nu leest, niet ziet. Je ziet het wit rond de letters, maar niet de letters. De letters absorberen het licht. Je leest de gaatjes in het licht. En gaatjes zijn afwezigheden. Dat wij denken dat we de letters zien, heeft te maken met een aangeboren primitieve kinderlijke manier van denken. Analytisch denkvermogen tilt ons hier bovenuit. Dat is ongeveer wat de meeste filosofen zeggen.
Maar in 1970 verscheen het artikel ‘Holes’ van het filosofenechtpaar David en Stephanie Lewis, een dialoog tussen Argle en Bargle. Argle weigert aanvankelijk om gaten te erkennen en wil alleen maar over vormen praten. Een donut is een geperforeerd broodje en niet een gat met een broodje eromheen. Maar Bargle weet Argle er uiteindelijk van te overtuigen dat gaten echt iets zijn.
Geïnspireerd door het artikel schreven Achille Varzi en Roberto Casati in 1994 het boek Holes and Other Superficialities (The MIT Press). Ze besloten ‘weerstand te bieden’ aan de neiging gaten te elimineren en vroegen zich af hoe een ‘gezond verstand’-theorie van gaten eruit zou zien. Wat kan je allemaal zeggen als je gewoon doet of gaten iets zijn? Hun boek laat zien dat er veel situaties zijn waarin het lastig is om gaten te negeren, zoals bij tunnels. Varzi en Casati stelden uiteindelijk voor om gaten als ‘immateriële lichamen’ te beschouwen, opgebouwd uit lege ruimte.
Sorensen gaat op deze weg verder. Hij stelt voor om de afwezigheden ook als waar te nemen entiteiten op te vatten. Schaduwen, gaten en stilten doen iets. Zwart is een kleur. Je ziet de letters die je leest. Er is een verschil tussen blind zijn en niks zien in het donker. Je kunt zien dat je niks ziet.
Sorensen pleit er zelfs voor om te zeggen dat de schaduw van een draaiende bol ook draait. Het is wonderlijk te lezen hoe verschillende filosofen hun hersenen hebben laten kraken op draaiende schaduwen. Het is voor de hand liggend om te zeggen dat schaduwen niet bewegen. Wat zou er moeten bewegen? Maar toch: de schaduw van een draaiende ellips ziet eruit als een draaiende ellips. Het antwoord van de gemiddelde filosoof is dat de schaduw langzaam van vorm verandert, zo dat het net lijkt of de schaduw ronddraait. Maar hoe zit het dan als de ellips in een rechte lijn gaat bewegen? Een schaduw kan zich toch niet voortbewegen door langzaam van vorm te veranderen? Sorensen vindt dat als een voorwerp beweegt, dat dan de schaduw van dat voorwerp ook mag bewegen. En hij legt stap voor stap uit waarom.
Deuropeningen
Natuurkundigen krijgen de kriebels bij dit gegoochel met bewegende afwezigheden. Ze zijn al langer bekend met wijsneuzen die beweren dat schaduwen sneller dan het licht kunnen gaan.
En die wijsneuzen hebben nog gelijk ook. Denk aan een heel sterke zaklantaarn met een sticker erop. Als je de zaklantaarn op de maan richt en heel snel heen en weer beweegt, vliegt de schaduw van de sticker nog veel sneller over op het oppervlak van de maan. In principe kan de schaduw zich sneller voortbewegen dan het licht. Maar niks mag toch sneller dan het licht van Einstein? ‘Dat klopt,’ zegt een natuurkundige dan. Een schaduw is namelijk niets. Het is het ontbreken van licht. Er is dus inderdaad ‘niets’ dat sneller dan het licht gaat.
Sorensen bepleit om schaduwen wel te behandelen als ‘iets’. Vooral mensen uit de wereld van de kunstmatige intelligentie reageren enthousiast op het werk van de gaten- en schaduwenfilosofen. Zij zien wel wat in de opwaardering van ‘afwezigheden’, want het is verdomd handig om ervan uit te gaan dat schaduwen ‘dingen’ zijn. Schaduwen helpen ons om de locatie van voorwerpen te bepalen. Als je uit een foto de schaduwen weghaalt, lijkt het of de mensen zweven. Een robot die zijn weg moet vinden in een onbekende omgeving heeft veel baat bij het juist interpreteren van schaduwen en gaten als deuropeningen. En ook bouwers van computerspelletjes willen niet, zoals natuurkundigen, weten hoe licht beweegt, maar hoe schaduwen bewegen.
En of dat nu metafysische waanzin is of niet: Seeing Dark Things is een verfrissend boek. Sorensen is als een superintelligent kind dat met behulp van schaduwen de wereld op zijn kop zet. Na het lezen van zijn boek zijn schaduwen andere afwezigheden dan daarvoor.
Roy Sorensen, ‘Seeing Dark Things’, Oxford University Press, 310 pagina’s, € 45,80
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.