Dus ik denk bij me eigen: lekker tussen de sloopwerkzaamheden door effe een robbertje fleppen voor deze linkmiegel. Sjouw ik na het schaften m’n afgepeigerde lijf twee grachies verder, daar zitten ze, de knetterendste etalagemodelletjes van de stad, geloof mij nou maar. Het gevalletje waar ik m’n ogies op had laten vallen was me een kunststukkie van heb ik jou daar. Skippyballen van hier tot Tokio, muil als een opengesnejen broodje waar je zo je saucijs tussenin ken prakken. Dus ik naar binnen. Een prijs zo krankmeier dat je er een maand van ken vreten, maar dan heb je ook wat. Broek op m’n schoenen en gaan met die banaan.
Dacht ik. Sta ik daar een partij te verpozen, gebeuren doet er geen ruk, effe kijken: dat koppie half verdwenen onder die dikke pens van me, maar actie ho maar.
Ik zeg: ‘Wat heb ik nou in m’n praktijk?’
Zegt dat feestnummer – ik zwéér ’t je: ‘U bent mijn eerste klant, meneer.’
Dus ik zeg: ‘Luister mop, als jij die stugge tamp van mij niet gauw in je mooie muiltje douwt, heb ik zo m’n prakkende twijfels of dat muiltje morgen nog steeds zo mooi is, voel je waar ik heen wil?’
Dus dat mokkel schrikt zich de graftakke en knikt gedweetjes met dat koppie, grote blauwe kijkers waar de angstschijt uit gedropen komt, en ja hoor, ze pakt die heipaal van me beet met d’r knuissie en stopt ’m in d’r mond met zo’n smoelwerk erbij van: kolere wat is die kroket heet. Zamme amme reet lazeren, ik zat goed: ruig op die huig surfen richting horizon, wat jij, chef? Uitzichie om je klauwen bij af te likken, ik gluur zo in ’t reetje tussen die twee gigajetsers.
‘Voorzichtig met die tandjes, Tante Toos, m’n slurfie moet nog langer mee dan vandaag.’
Op dát eigenste ogenblik – je gelooft ’t niet – ontploft er buiten op de gracht een woonboot. Heb ik later pas gesnopen van horen zeggen. Gevalletje gaslek. Kolere, dat heb ik weer. Hoe dan ook een dreun alsof er een opgevoerde atoombom uit mekaar spatte.
Hap!
Het volgende moment lig ik daar op de grond te krijsen als slachtvee. Die malle temeier gaf ondertussen geen draad sjoege. Spuugt zo m’n stompie uit, jast het in m’n krijsende smoel, en zegt: ‘Hier, nat houden. Ik bel de ambulance.’
Lig je dan, met de goeie helft van je bloedeigen snikkel in je muil.
M’n baas kwam me nog opzoeken in het ziekenhuis. ‘Typisch iets voor jou weer,’ zegt die lamlijer. Bossie bloemen had-ie bij zich en een rukblaadje. ‘Ken je daar nog mee uit de voeten?’
‘Nu effe niet, chef, maar over een paar wekies moet het allemaal weer pico bello overeind kommen.’
Want ze hadden ’m d’r dus nog aan kennen naaien, dus dat liep weer sissertjesis af voor deze gezellige bijgoochem. Het rukkerigste van de hele kwestie is alleen dat de zwellichaampies ’t niet meer helemaal naar behoren doen. Krijg je dus in geval van fleptrek een harde stam met een slappe kaboutermuts erbovenop. Zit je dan met je geknakte soepstengel, ik ben er mooi klaar mee, dat mag je gerust geloven.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.