Jorge Luis Lagarza zoekt de ogen van zijn drummer. ‘Zet je schrap,’ zeggen de zijne, vlak voor ze verstrakken tot genotzuchtige spleetjes. Zijn vingers dansen over drie verdiepingen toetsen. Hij beatboxt met de snelle synthesizerklanken mee. Hij veert op van zijn krukje wanneer de deur van het repetitielokaal openzwaait. Een klein, mollig meisje steekt met een stralende glimlach haar hoofd om de hoek. ‘Mis amores, ik heb jullie zo gemist!’ Daymé Arocena vliegt haar bandleden om de hals. Eergisteren was ze nog op tournee in Brazilië. Daarvoor veroverde ze de Blue Note in New York en een reeks andere Amerikaanse podia. Dat haar muzikanten in Cuba moesten blijven, vindt ze doodzonde, maar het was te duur, te veel bureaucratie.
Arocena grijpt de microfoon, er is geen tijd te verliezen. Morgen spelen ze in Fabrica de Arte, de hipste concertzaal van Havana. ‘Yemaya, Oshun, mi madre, yo te quiero cantar,’ zingt ze tot haar santeria-moeders, de godinnen van de zee en de rivieren. Ze dirigeert, kreunt, schreeuwt, scat vanuit haar keel. Ze heet een jazzzangeres te zijn, maar de composities van Cuba’s 23-jarige rijzende ster smaken ook naar santeria-spiritualisme, rumba en son.
Niet de juiste fysiek
‘Volgens mijn moeder begon ik te zingen nog voor ik kon praten,’ lacht Arocena, als we na de repetitie langs de elegante, aftakelende herenhuizen van de wijk Vedado lopen. Daymé was vijf toen haar ouders haar inschreven voor een zangwedstrijd in het Presidente Hotel. Ze zong ‘No me queda mas’ van de twee jaar eerder doodgeschoten Tejano-zangeres Selena Quintanilla. ‘Er rest me niets dan me verliezen in een afgrond van tranen en verdriet.’ Zware kost voor een kleuter. ‘Maar ik won de wedstrijd. Drie jaar later schreef ik me in voor de muziekschool – piano en viool – maar ik kwam niet door de toelatingsexamens. Ik had niet de juiste fysiek voor die instrumenten.’ In het Cuba van de Castro’s, waar elke peso tien keer moet worden omgedraaid, mogen alleen de meest getalenteerden aan de opleiding beginnen. Een jaar later slaagde ze wel, voor piano en koordirigentie. Toch moest ze haar carrière bijna opgeven. ‘Ik had een geknikte elleboog bij mijn geboorte en kreeg steeds meer pijn tijdens de muzieklessen, maar ik weigerde op te geven.’ Arocena denkt dat ze aan die hordes haar doorzettingsvermogen en vroege volwassenheid te danken heeft. ‘Op mijn veertiende slaagde ik met de beste cijfers van het land. Ik mocht me als enige van de school verder gaan specialiseren. Mijn teken in de santeria – Erdibre – betekent “dochter van het geluk”. Maar ik heb ervoor moeten vechten. Iedereen krijgt zijn moment in het leven, maar weinigen weten het te grijpen.’
Arocena’s moment was dat waarop haar pad dat van Gilles Peterson kruiste. De Britse BBC-presentator, dj en producer is een autoriteit in niet-westerse muziek. ‘Ik hoorde Daymé zingen tijdens mijn eerste bezoek aan Cuba,’ zegt hij. ‘Ze zat toen nog op school, maar blies me meteen omver. Ze is de meest fenomenale artieste waarmee ik ooit heb samengewerkt.’
Peterson veert op uit zijn stoel in de Brusselse concertzaal Ancienne Belgique. Straks moet hij het podium op voor een dj-set. Over Cuba praten lijkt de juiste adrenaline in hem op te wekken. Hij ging er voor het eerst naartoe in 2008, toen Havana Cultura, het cultuurplatvorm van rumproducent Havana Club, hem vroeg zijn schouders onder een vernieuwend muziekproject te zetten. Peterson vond de toptalenten van de Cubaanse avant-garde en produceerde met hen het album Havana Cultura: New Cuba Sound. ‘Iedereen kent Buena Vista Social Club, een blockbuster en een uniek stukje muziekgeschiedenis. Maar in de niches was er zo veel fascinerend onontgonnen gebied. Je kan het muzikaal belang van Cuba niet overschatten. Het was een van de belangrijkste toegangspoorten tussen de Amerika’s, Europa en Afrika, en heeft enkele van ’s werelds beste muzikanten voortgebracht. Cubanen domineerden het New York van de jaren veertig en vijftig, toen de mambo en chachacha het overnamen van de Duke Ellingtons.’
Na New Cuba Sound bracht Peterson nog twee Havana Cultura-platen uit. In juni bracht zijn platenlabel Brownswood Recordings Nueva Era uit, het debuut van Daymé Arocena als soloartiest. Sindsdien gaat het hard voor de Cubaanse. Met Peterson heeft ze een suikeroom die via zijn SoundCloud-account 3,5 miljoen volgers bereikt. De Amerikaanse radio-omroep NPR plaatste Nueva Era bij de vijftig beste platen van het jaar, en noemt Arocena een mix van Celia Cruz en Aretha Franklin. Niet slecht voor een zangeres die een jaar geleden nog niet van haar muziek kon leven. ‘Daar heb je de internationale markt voor nodig,’ zegt ze. ‘In Cuba zegt men dat een goed muzikant een groot deel van het jaar in een vliegtuig zit.’
Eigen interpretatie
Vanzelfsprekend is dat reizen niet in het Cuba van de broers Fidel en Raúl Castro, die sinds de revolutie in 1959 het eiland regeren. Door de Amerikaanse blokkade en het embargo dat de overheid de eigen bevolking oplegt, leven de Cubanen al meer dan een halve eeuw grotendeels afgesloten van de buitenwereld. De Cubaanse overheid moet toestemming geven voordat muzikanten een visum kunnen aanvragen in hun land van bestemming. Dat is een langdurig bureaucratisch proces, waardoor artiesten vaak hun buitenlandse optredens missen. ‘Ik moest dit jaar al vier keer een visum aanvragen voor Groot-Brittannië en drie keer voor de Schengenzone. Gilles smeekt me haast om snel met een Europeaan te trouwen,’ lacht Arocena.
De wereld komt ook niet zomaar naar de Cubanen toe. Ze kunnen niet legaal buitenlandse tv- of radiozenders ontvangen en smokkelen wekelijks de paquete hun woonkamer in, een harde schijf vol middelmatige Amerikaanse films, series en muziek. Internet sijpelt pas sinds kort het land binnen en blijft voor de overgrote meerderheid van de Cubanen onbetaalbaar. Een uurtje online kost twee dollar. Acht uur surfen en je hebt er een gemiddeld maandloon doorheen gejaagd. ‘Tijdens mijn eerste buitenlandse optredens sliep ik nauwelijks. Ik bleef hele nachten wakker om muziek te downloaden. Zo doen we het allemaal,’ zegt Arocena.
Pas op haar vijftiende kwam ze voor het eerst in aanraking met jazz. ‘Een vriend had een zangeres nodig voor een big band. Hij gaf me een partituur, My Funny Valentine. Ik had het nooit gehoord en geen idee wat ik aan het zingen was. Dan kan je natuurlijk niet anders dan er je eigen interpretatie aan geven.’
Improvisatieduel
Arocena is een kind van de eenentwintigste eeuw. De harde vroege jaren negentig zijn aan haar voorbijgegaan. De Sovjet-Unie was uiteengevallen, de Russische geldkraan naar Cuba abrupt dichtgedraaid. De periodo especial, getekend door armoede, honger en een gebrek aan zowat alles, zou de zwartste bladzijde in de recente Cubaanse geschiedenis worden.
Rapper Telmary Díaz maakte het wel van dichtbij mee. Ze stond in die donkere jaren aan de wieg van de Cubaanse hiphop. ‘Er waren geen kranten want er was geen papier om ze op te drukken. Ik rapte over de actualiteit en de culturele agenda in de clandestiene undergroundscene. Rappers waren rond de eeuwwisseling de echte journalisten van het land. Met humor en dubbele bodems klaagden ze de wantoestanden aan.’ Met enkele andere muzikanten vormde Díaz de hiphopformatie Free Hole Negro. ‘We hadden geen geld voor een dj of apparatuur, dus speelden we met live muzikanten. Zo wisten we de Cubaanse roots in de uit Amerika geïmporteerde hiphop te integreren.’
Turning threats into opportunities, het is de kracht van een generatie muzikanten die klaarstaat om met een uniek geluid de wereld te veroveren. Arocena wist niet hoe Fitzgerald en Holiday klonken, dus gaf ze vanuit haar rumba-achtergrond jazz een eigen geluid. Cubaanse producers die urban genres als hiphop, reggae en elektronische muziek maken, hebben geen toegang tot de sample banks die een producer in Montreal ter beschikking heeft, noch de internetconnectie waarmee hij die in een muisklik met een collega in Moskou kan delen. Dus nemen ze hun eigen sounds op in studio’s in Havana en in de uithoeken van het eiland, waar vergeten genres als de changüi, kiriba en nengon nog springlevend zijn.
Voor Díaz werd het een obsessie. Ze groef steeds dieper in de Cubaanse roots. ‘Ik zocht een manier van improviseren die eigen is aan onze cultuur. Dat leidde me naar het repentismo van de guajiros, de boeren op het platteland. Ze voeren een improvisatieduel uit van gezongen poëzie, waarin de ene telkens moet beginnen met de laatste zin van de ander.’

Ook in de Afro-Cubaanse religie santeria vond ze een manier van rappen. ‘Santeros bidden in het Yoruba tot de doden en de goden. Dat heet moyubbar. Die improvisatietechniek is de leidraad geworden van mijn tweede plaat, Libre.’
‘Santeria zit diep ingeworteld in de Cubaanse folklore. Het is de basis van alle muziek,’ zegt ook Arocena. Haar composities zijn doordrenkt van opzwepende batá-drums, claves en religieus eerbetoon. Optreden doet ze altijd in het wit, de santeriakleur. Arocena woont al haar leven lang in Diez de Octubre, een volkswijk in Havana waar de Afro-Cubaanse rumbabeat met de paplepel wordt ingegoten.
Ze laat me kennismaken met haar santeriamoeders. Yemaya en Oshun wonen in potten met prinselijke kroontjes en hebben een plaats gekregen naast de piano. ‘Ze begeleiden me in mijn leven. Santeria komt voor uit het katholicisme, maar heeft een veel persoonlijkere benadering. Elke orisha heeft zijn eigen waarden.’
Dichtgespijkerde deuren
Om de Cubaanse muziek echt te begrijpen, moet ik naar Matanzas, zegt Arocena, waar ’s lands diepste muzikale roots liggen. Matanzas, honderd kilometer ten oosten van Havana, is een ander Cuba: trager, gezapiger, de portemonnees nog leger en de ruïnes bouwvalliger. Het ooit zo trotse Sauto Theater staat al vijf jaar met de deuren dichtgespijkerd te verkommeren. Mannen vissen in de vervuilde riviermonding om hun kinderen vanavond meer dan bonen met rijst voor te kunnen zetten.
In de baai van Matanzas meerden in de negentiende eeuw ontelbare slavenschepen uit West-Afrika aan. Om hun door de kolonisatoren verboden Yoruba-geloof te kunnen belijden, verbonden ze hun orishas aan katholieke heiligen. De god Chango werd Sint-Barbara. Daaruit ontstond de santeria. Religieuze feesten vierden de slaven met wat ze hadden: enkele trommels en hun stem. De rumba was geboren.
Het werd beschouwd als getrommel van Untermenschen, ook na de slavernij. ‘Het was de muziek van zwarten, armen, hoeren en dronkenlappen,’ herinnert Francisco ‘Minini’ Zamora zich. In 1957 richtte hij de ondertussen legendarische Grupo Afrocuba de Matanzas op. ‘De Cubaanse revolutie heeft het een plaats gegeven in ons nationaal erfgoed.’ Dat de spontane rumba ondertussen uit de straten is verdwenen, vindt Minini niet erg. ‘Rumba is doorgedrongen tot de culturele agenda en zal daarom blijven bestaan.’
Het is kwart over zes, de hitte neemt langzaam af. De hoogbejaarde Minini en zijn echtgenote heisen zich van hun stoelen en slenteren naar het piepkleine cultureel centrum Nelson Barrera, waar om vier uur hun optreden had moeten beginnen. Kranig helpen ze elkaar de straat over, elk met een biertje in de hand. Tussen afbladderende gevels heft Minini zijn rauwe Yoruba-gezangen aan. Daar zijn ze weer, Yemaya en de rest van de godenbende. Conga’s en cajons klimmen de hoogte in, ontploffen, om dan gecontroleerd weer de ritmisch tikkende claves te vinden. Ze trommelen provocatief, hypnotiserend en compromisloos. Maar een volkstoeloop blijft uit. Een paar dozijn buurtbewoners wagen zich aan een danspas of twee. In Matanzas brokkelt de rumba af zoals het Sauto Theater, en een restauratie lijkt niet op komst.
Cultuurtempel
Groot is het contrast met hippe hoofdstedelijke wijken als Vedado en Miramar, die ’s avonds bruisen. Theaters en muziektempels die in de jaren vijftig rijke Amerikanen bedienden, werden door de Castro’s genationaliseerd en teruggegeven aan het volk. Luxe hoefden de Cubanen nooit te verwachten van de revolutie, maar muziek is hier een basisbehoefte. Concerten zijn bijna gratis. En zelfs tijdens de periodo especial bleef de nationale platenmaatschappij Egrem albums uitbrengen. Sinds Raúl Castro de communistische teugels viert en privé-initiatief beperkt toestaat, geven onafhankelijke muziekcafés en clubs nog meer ruimte aan artiesten en hun publiek. ‘Er zijn nu veel meer plekken om op te treden dan vroeger. Iedereen voelt dat de mogelijkheden groeien. Maar soms moeten de deuren van nieuwe hotspots ook heel snel weer dicht,’ zegt Arocena, terwijl we ’s avonds door de uitgaansbuurten van het stadscentrum lopen. Op drukke plekken schakelt ze consequent over van Spaans naar Engels omdat ze vreest dat de politie haar anders zal arresteren voor jineterismo, aanpappen met westerlingen voor geld of een enkeltje buitenland. Zelfs de gerespecteerde stadshistoricus Eusebio Leal Spengler werd opgepakt wegens verdenking van illegaal toeristen ronselen toen hij met buitenlandse gasten door de stad wandelde.
Toch ontspant de vuist van het regime. In de nieuwe cultuurtempel Fabrica de Arte lacht het kunstenaarsduo Meira en Toirac om ‘de mirakels van Fidel’, de vele beloftes van de grote leider die nooit zijn vervuld. Fabrica de Arte (F.A.C.) is een van de nieuwe iconen van de culturele revival. Het complex van concertzalen, expositieruimtes en loungeterrassen doet niet onder voor de hipste kraakpanden van Berlijn. Gisteren stonden er hiphopbands, vanavond trakteert Daymé Arocena het publiek. Ze was nerveus, zei ze vooraf. ‘De mensen in Fabrica komen om te dansen, niet om stilletjes naar jazz te luisteren.’ Maar van zenuwen is weinig te merken. ‘Don’t unplug my body,’ schreeuwt ze, zwierend met haar massieve heupen. Ze scat virtuoos, minutenlang, tot ze helemaal uit zichzelf lijkt te treden.

Dat F.A.C. de nieuwste hotspot is, weten ze ondertussen ook voorbij de landsgrenzen. Morgen komt Mick Jagger op bezoek. Volgende week krijgt Katy Perry een rondleiding. Sinds de VS en Cuba eind 2014 aankondigden dat ze hun relatie zouden normaliseren, vallen Amerikaanse sterren haast over elkaar heen om het ongeëxploiteerde lapje grond in de achtertuin te verkennen. Stevie Wonder plant een concert. Sting maakt er een erezaak van om nog voor de Rolling Stones in Havana op te treden.
Cultureel waren de diplomatieke ijskappen al langer aan het smelten. Cubaanse muzikanten worden uitgenodigd om in de VS op te treden en les te geven. Arocena’s debuut Nueva Era gaat nergens zo vaak over de toonbank als bij de grote buur.
Het verbaast Arocena niet. ‘Overal in de VS heb ik het gevoel dat ik in Cuba ben, maar dan vijftig jaar later. Net zoals een Amerikaan is een Cubaan altijd zeker van zijn zaak, ook als hij zich vergist. Er zijn landen, zoals Venezuela en Nicaragua, die door conflict of misère in lethargie verzeild zijn geraakt. Cubanen zijn vechters. Ik denk niet dat veel volkeren zo lang met de blokkade om hadden kunnen gaan.’
Het blijft ‘Daymé’
Nu de communistisch-kapitalistische muur afbrokkelt, ruiken ook grote platenmaatschappijen hun kans. Sony tekende een overeenkomst met het nationale label Egrem en zal onder andere de volgende cd van de legendarische groep Los Van Van releasen. ‘Egrem heeft veel belangrijk historisch materiaal aan Sony verkocht. Ik ben heel benieuwd naar wat daarmee gaat gebeuren,’ zegt Eme Alfonso, zangeres en programmator in Fabrica.
Veel Cubaanse muzikanten dromen van een contract bij een groot label, maar zijn beducht voor de prijs die ze daarvoor moeten betalen. ‘De Amerikaanse muziekindustrie is erg agressief. Ze kunnen je muziek voor iets verkopen dat het niet is, zolang het maar in hun hokje past,’ zegt Alfonso. De afgelopen twee jaar woonde ze in Barcelona: ze was op tournee en wilde zich de visumrompslomp besparen. In mei keerde ze terug om een nieuwe plaat op te nemen. ‘Cubaanse muziek kan ik alleen hier maken. Onze generatie neemt het beste van Cuba en trekt daarmee de wereld in.’
Zes weken na onze laatste ontmoeting staat Arocena op het podium in Brugge. Ze weet dat Belgen zitten en luisteren tijdens een jazzconcert en speelt intiemer, geeft zich bloot, creëert een band met het publiek. Ze klinkt net iets anders in het stijve Westen, maar toch helemaal als zichzelf. Met scattende keelgeluiden, compromisloos rumbagetrommel en veel lovende woorden voor Oshun en Yemaya. Het blijft ‘Daymé’, zoals ze zelf zegt. Een ander etiket weigert ze op haar muziek te plakken.
Van Arocena mogen Cuba’s poorten openvliegen. ‘Nee, ik zie liever geen McDonald’s in Havana. En ja, Cubanen zullen ook vaker op buitenlandse muziek dansen. Maar ze zullen dansen, zingen en praten als Cubanen. Onze roots zijn te sterk om verloren te gaan.’
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.