Wij Nederlanders zijn met onze uniseks wandeljacks veel genderneutraler dan we zelf doorhebben, schrijft columnist Amarens Eggeraat, die zelf in Parijs woont.
De afgelopen maand ben ik drie keer aangesproken alsof ik een man ben. De eerste keer was in een slaperig wijnwinkeltje, waar de verkoper pas na een halve minuut opkeek van zijn telefoon en stotterend zijn excuses aanbood. De tweede keer was bij een drukke stationsbakker, waar de cassière me met een dwingend monsieur, monsieur, monsieur naar de pinautomaat probeerde te leiden en haar vergissing pas opmerkte toen ik haar verward aan bleef staren. De derde keer was gisterenochtend, toen ik een tapasrestaurant binnenvluchtte om te schuilen voor de regen. ‘Bonjour monsieur’, zei de serveerster zuchtend terwijl ik mijn sjaal uitwrong boven de deurmat, en daar liet ze het bij.
Ik vind het allesbehalve erg om voor een man aangezien te worden. Maar in Nederland gebeurt het me nooit. Ik kan wel een paar redenen bedenken waarom dat in Parijs wel gebeurt: vergeleken met de Fransen ben ik lang, ik draag een saaie donkerblauwe winterjas en mijn haar is kort (al is mijn kapper elke keer vastberaden om een plukje haar bij m’n oor te laten zitten, anders is het volgens haar teveel ‘coupe garçon’).
Je kan het zien als lompheid, als een gebrek aan het je ne sais quoi van de Fransen, maar ik zie het liever als iets waar Nederland trots op kan zijn.
Bovendien kleden Parijzenaren zich nogal geslachtsspecifiek. Toen ik hier naar een baan zocht, werd me verteld dat er in het Franse bedrijfsleven veel waarde wordt gehecht aan ‘correcte kleding’ – dus geen spijkerbroeken, lubberende truien of verwassen T-shirts. Dit belang van nette kleding lijkt zich vooral te vertalen in een subtiele tweedeling in kledingkeuze. Strak uitgesneden jasjes en gekleurde sjaaltjes voor de vrouw, witte overhemden en een donkerkleurig pak voor de man. In de doorsnee kledingwinkel is alles voor vrouwen voorzien van een extra glittertje, een bloemetje of een wulps randje kant. En als ik me ’s ochtends door metrotunnels haast, zie ik talloze vrouwen ploeteren op hakjes.
Het is alsof de Fransen met hun stijve kledingcodes dezelfde regels volgen als met hun grammatica: bijna alles heeft een mannelijke of een vrouwelijke vorm. “Maar hoe weet je dan of het een man of een vrouw is?” vragen mijn Franse leerlingen als ik ze vertel dat presenter het Engelse woord voor animatrice is.
Gaastra-genderneutraal
Vergeleken met Parijs is de heersende esthetiek in Nederland al behoorlijk genderneutraal. Kleren zijn in eerste instantie praktisch en waterdicht, geschikt voor fietstochten met tegenwind en wandelingen over drassige grond. Nederlanders hebben massaal slordig geknipt haar en een H&M-jas in een verkeerde maat. De vrouwen kunnen schoenen tot maat 43 kopen en mogen gewoon oncharmant haar hebben.
In Nederland lopen heterostellen gewoon in een identiek Human Nature-wandeljack langs de Noordzeekust. Licht voorovergebogen, de handen tevreden op de rug gevouwen, nog stilletjes nagenietend van de ANWB-korting. Je kan het zien als lompheid, als het gebrek aan de flair en het je ne sais quoi dat de Fransen zich elke ochtend aanmeten, maar ik zie het liever als iets waar Nederland trots op kan zijn.
Dat deze praktische volksgeest, waarbij efficientie belangrijker is dan uiterlijk vertoon, nu ook doordringt tot de voertaal van de overheid en het openbaar vervoer (de omroepen op stations van de NS), lijkt me dan ook niet meer dan logisch.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.