De uitslag van het Brexit-referendum is een overwinning van de ‘silent majority’. Democratisch of niet: de dreiging van meer referenda is een realiteit waar de Europese leiders mee zullen moeten leren leven. Een analyse.

Het Britse volk heeft besloten: Brexit. Hoe, wanneer en met welk deel van het Verenigd Koninkrijk, zal de komende tijd duidelijk worden. Als we de protesten op straat en op social media zien, lijkt nu vooral sprake te zijn van een Regrexit. Maar Brexit is juist een overwinning van de silent majority, de stille meerderheid die heeft besloten bij dit referendum van zich te laten horen. Die gaat niet de straat op, schrijft geen gepassioneerde open brieven en gebruikt geen hashtags. Het zijn die duizenden mensen die de stembussen al bijna dertig jaar de rug hadden toegekeerd en bij dit referendum hebben besloten wel te gaan stemmen om de banden met Europa door te knippen.

De Britten hadden altijd al een bijzondere positie op hun eiland. Het ‘sodemieter dan ook maar helemaal op, en snel’-sentiment dat nu klinkt vanaf het Europese continent, is begrijpelijk. De angst voor een mogelijke Brexit die de EU in haar houdgreep hield, is hiermee weg, maar daar komt een nieuwe angst voor in de plaats: nog meer referenda. Want nu zo’n referendum blijkt te kunnen slagen, volgen er mogelijk meer. De European Council on Foreign Relations, een Brusselse denktank, geeft aan dat er op dit moment maar liefst 32 referenda kunnen worden aangevraagd, door 45 nationale partijen in Europa. Vaak zijn het kleine oproer kraaiende partijen die de nationale regering onder druk willen zetten, maar na het geslaagde Brexit-referendum zou het weigeren van een verzoek om een referendum op zijn zachtst gezegd een ongemakkelijke aangelegenheid zijn. Het verwijt is nu al dat Brussel verschillende landen soevereiniteit heeft ontnomen en beslist zonder dat de bevolking wordt geraadpleegd.

Europa en referenda zijn een ongelukkige combinatie. Het is vrijwel altijd nee.

Advertentie

Advertentie

Facts don’t vote, people do

Europa en referenda zijn een ongelukkige combinatie. Het is vrijwel altijd nee. Nederland stemde in 2005 (net als Frankrijk) tegen een Europese grondwet en eerder dit jaar tegen het associatieverdag met de Oekraïne. Ook al wordt het volk geraadpleegd over specifieke Europese wetgeving of verdrag (waarbij het maar sterk de vraag is of een referendum van een enkele lidstaat daar iets aan kan veranderen), het referendum wordt gezien als een stemming voor of tegen Europa. Meer dan bij verkiezingen blijkt bij referenda dat de bevolking niet gevoelig is voor feiten. ‘Facts don’t vote, people do’, kopte de New York Times dit weekend. Dat klopt. Brexit-stemmers hebben aangegeven zich te realiseren dat er grote economische risico’s waren, maar stemden desalniettemin voor een Brexit. Hun (al dan niet door populistische politici aangewakkerde) angst voor het verliezen van hun identiteit en een niet in de hand te houden immigratiestroom woog zwaarder. De Britten hebben zich door nostalgie laten leiden en stemden voor een wereld waarin alles nog overzichtelijk, simpel en truly British was. Een fantasiewereld, kortom. Maar mensen laten zich nou eenmaal graag gijzelen door rattenvangers die ons doen geloven dat het mogelijk is daarnaar terug te keren. Die gevoelens, die hang naar een veilig overzichtelijk bestaan, de heimwee naar een tijd voor de Euro en Europa toen alles zogenaamd beter was, sluimeren ook in andere landen. Het enige wat dan nog nodig is voor een geslaagd referendum tegen Europa is een aantal politici dat zich niet door feiten en realiteitszin laat hinderen en de bevolking het laatste zetje durft te geven.

De afkeer is ook gevolg van leiders die er niet in slagen project Europa aan de man te brengen.

De problemen en angsten waar het Britse volk zich door hebben laten leiden, zijn niet uniek voor Groot-Brittannië. Ook in andere Europese landen is een verenigd Europa voor politici steeds lastiger te verdedigen door de argwaan jegens het establishment en de Brusselse instituten, de verontwaardiging over de economische gevolgen van de globalisering en de angst voor migratie en terreur. Europa is een gemakkelijk zondebok, absoluut, maar de afkeer is ook een gevolg van een generatie leiders in Europa die er niet in slaagt project Europa aan de man te brengen en het volk er niet van weet te overtuigen dat we slechter af zijn zonder.

In heel Europa grijpen eurosceptische partijen de Brexit aan om duidelijk te maken dat een nee tegen Europa mogelijk is. In Nederland loopt Wilders al warm voor de Nexit, en ook de SP wil een referendum, zij het in een mildere variant. Marine Le Pen heeft laten weten dat als zij volgend jaar als president wordt gekozen zij direct een Frexit-referendum wil organiseren. Haar Front National lanceerde direct na Brexit de slogan: ‘En nu Frankrijk!’ Ook nationalistische partijen in Zweden, Denemarken, Oostenrijk en Duitsland willen exit-referenda organiseren. In de zuidelijke Europese landen gaan er stemmen op om een referendum te organiseren tegen de in hun ogen te strenge begrotingsregels. Terwijl andere landen juist die landen uit de Euro willen gooien, omdat ze zich niet aan de regels houden. De chaos in Europa lijkt nu pas te zijn begonnen.

Daarnaast bestaat het risico dat Europese nationale leiders het referendum kunnen gebruiken als pressiemiddel om bepaalde uitzonderingen los te krijgen. Dat is ex-premier David Cameron immers ook gelukt. Hij eiste van de EU een vergaande speciale status, omdat er anders een Brexit zou dreigen. In februari van dit jaar ging de EU door de knieën en stond ze Groot Brittannië een aantal concessies toe waardoor een light-lidmaatschap van de Europese Unie werd gecreëerd. De EU is daarin erg ver gegaan (bijvoorbeeld: Groot-Brittannië hoefde nooit bij de Euro, maar mocht toch beslissen over Euro-beleid) en de Brexit kwam er uiteindelijk toch. Maar belangrijker: het heeft een precedent geschept dat een lidstaat bepaalde regels naast zich neer kan leggen of kan heronderhandelen. Het is niet ondenkbaar dat regeringen die de begrotingsregels van de EU te streng vinden, kunnen vragen om een versoepeling, omdat ze zich anders ‘genoodzaakt voelen’ het volk te raadplegen in een referendum.

Laffe politiek

De politici die oproepen tot een referendum verschuilen zich achter het argument dat een politicus er uiteindelijk altijd goed aan doet zijn volk te raadplegen. Een referendum is weliswaar de puurste vorm van democratie, maar het staat haaks op het andere democratische principe van volksvertegenwoordiging, waarbij wij eens in de zoveel tijd onze leiders kiezen die de beslissingen voor ons nemen. Omdat we van ze verwachten dat zij de expertise en middelen hebben om die voor ons te nemen. Of banaler: omdat dat hun taak is en je Angela Merkel ook niet zou vragen om je gootsteen te repareren. Een referendum is eerder een laffe vorm van politiek waarbij politici zich achter hun volk verschuilen omdat ze zelf de taaiste knopen niet durven door te hakken.

Juist door het simplistische voor-tegen-karakter van een referendum leidt het, anders dan bij reguliere verkiezingen, tot een hysterische besluitvorming.

Partijen die niet de meerderheid hebben gekregen bij de verkiezingen kunnen verkiezingen op deze manier omzeilen (ze hoeven ze in ieder geval niet af te wachten), en het is de vraag of dat eerlijk is. Immers; als de Nederlandse bevolking een Nexit had gewild dan hadden onze anti-Europa-partijen nu een regering gevormd. Juist door het simplistische voor-tegen-karakter van een referendum leidt het, anders dan bij reguliere verkiezingen, tot een hysterische besluitvorming waarbij in die ‘tegenstem’ allerlei sentimenten van algehele onvrede kunnen worden geuit. En dat is gevaarlijk, maar vooral moeilijk te sturen door partijen die wel met ratio en feiten kiezers proberen te overtuigen van het nut van zoiets ongrijpbaars als een verenigd Europa. Daarnaast is in het geval van Europa een referendum helemaal niet democratisch. Bij nationale referenda kan een marginale meerderheid in één land Europese wetgeving voor de gehele EU blokkeren. Zo waren het uiteindelijk 100.000 Ieren die het verdrag van Lissabon blokkeerden, terwijl de Europese Unie 500 miljoen inwoners heeft. Ook hier waren de argumenten om tegen te stemmen oneigenlijk: de nee-campagne ging grotendeels over abortus, terwijl daar met geen woord over werd gerept in het hele verdrag.

Democratisch of niet, de dreiging van meer referenda is een realiteit waar de Europese leiders mee zullen moeten leren leven. Enerzijds is de Brexit en het lozen van een lidstaat dat altijd halfslachtig in de Europese Unie heeft gestaan een uitgelezen kans om de Europese Unie te hervormen en verder te verenigen. Anderzijds is de roep om ‘minder Europa’ onder de nationale bevolkingen nog nooit zo sterk geweest. Een duivels dilemma. Als de stof is neergedwarreld en het hoongelach om die stomme Britten aan de ene kant, en het geroep om exits van de populistische partijen aan de andere kant enigszins is verstomd, zullen de Europese leiders moeten kijken wat er over blijft. Ze zullen moeten beoordelen hoe serieus de risico’s van nieuwe referenda zijn.

De partijen die nu om het hardst roepen dat hun land de volgende ‘exit’ zal zijn, hebben weliswaar geen meerderheid en het is dan ook absoluut niet gezegd dat die exit-referenda succesvol zullen zijn, maar het blijft een gok. Want die onberekenbare, moeilijk te bereiken ‘silent majority’ die de Brexit heeft gekozen, bestaat ook elders, en het is mogelijk dat ook in andere Europese landen mensen massaal staan te popelen om gehoor te kunnen geven aan hun haat tegen Brussel, Europa en de Euro. Het is te hopen dat de leiders die nu de koers voor het Europa van morgen moeten bepalen zich niet laten gijzelen door de angst voor nog meer referenda, door de angst voor het onvoorspelbare volk.