De eerste helft van de jaren tachtig staat in het teken van ‘no nonsense’ en van ‘no future’. Er breekt een economische crisis uit die ingrijpender is dan de crisis van 2008. Het nationaal inkomen daalt in één jaar met vier procent, de staatsschuld stijgt naar zestig procent van het nationaal inkomen, het overheidstekort komt uit op meer dan zes procent en wat het meest ingrijpend is: het aantal werklozen loopt op tot boven de zeshonderdduizend. ‘No future’ is de term waarmee de stemming onder de jeugd wordt getypeerd, naar een nummer van de Sex Pistols uit 1977. Wie omstreeks 1980 van school komt of afstudeert, heeft een kwade kans om aan werk te komen, terwijl op werkloosheidsuitkeringen en andere voorzieningen voor jongeren wordt bezuinigd. In het programma Tijdverschijnselen van de VPRO-televisie getuigen ze van hun gebrek aan vertrouwen in de toekomst, hun verbittering, hun cynisme en hun gedachten aan zelfdoding. Op 4 november 1982 treedt het eerste kabinet-Lubbers aan, dat ‘no nonsense’ tot zijn motto maakt: om de stagnatie te bestrijden moet drastisch gesaneerd worden, door bezuinigingen, privatisering en het beknotten van salarissen en uitkeringen.
Slogans als ‘no nonsense’ en ‘no future’ vertegenwoordigen niet de wereld waarin Vrij Nederland zich kiplekker voelt.
Het verzet tegen de heersende orde verhardt, zoals blijkt bij de inhuldiging van koningin Beatrix op woensdag 30 april 1980 in Amsterdam, die onder het motto ‘Geen woning, geen kroning’ uitloopt op harde confrontaties tussen krakers en de politie. ‘Het komt maar zelden voor dat vijftien redacteuren van Vrij Nederland elkaar midden in Amsterdam huilend begroeten,’ schrijft VN een week later. Die tranen zijn het gevolg van traangas. Het weekblad is op grote sterkte uitgerukt om vanaf verschillende locaties de kroningsdag te verslaan. Hoofdredacteur Rinus Ferdinandusse ziet de rellen als een blijk van de veranderende tijdgeest: ‘Vroeger was het een hang naar ongebondenheid en bewust pesten. Tegenwoordig is het een keiharde uiting van pure ontevredenheid, van agressie, van opgekropte ellende en woede.’

Twee jaar eerder heeft Vrij Nederland onder leiding van Ferdinandusse met 117.165 exemplaren de hoogste oplage bereikt, mede dankzij het kritisch volgen van het kabinet Den Uyl, maar daarna gaat het gestaag bergafwaarts. Vrij Nederland wordt steeds meer ‘het verzetsblad dat mijn vader las’. Het lezersbestand veroudert, de klachten nemen toe: het blad is te dik om het in één week te lezen, de artikelen zijn te lang, de inhoud is ‘voorspelbaar’ en ‘niet relativerend genoeg geschreven’. Heeft de redactie zich, zoals oud-redacteur Gerard Mulder zegt, gekoesterd in het ‘zelfgenoegzame gevoel van eigen voortreffelijkheid’? ‘Al vóór 1980 waren er signalen dat het niet goed ging,’ zegt ook Max van Weezel, ‘maar VN heeft die in zijn arrogantie genegeerd.’
In werkelijkheid is, in weerwil van de observaties van Mulder en Van Weezel, de zelfkritiek bij VN nooit verstomd. In 1972 signaleert Ferdinandusse dat VN een periode van tien jaar ‘voorlopen’ afsluit en op het punt staat het bereikte te ‘consolideren’. Het moet daarom ‘de belofte dat VN een goed weekblad is beter waarmaken’.
Twee jaar later giet Martin van Amerongen zijn twijfels over het blad in een lange lijst vragen, waaronder: Waarom zijn wij nooit spraakmakend in Den Haag? Waarom valt er om die krant zo zelden meer te lachen? Worden we elders in de journalistiek nog zo gehaat resp. bewonderd en benijd als vroeger? Aarzelt Rinus niet te veel bij confrontatie met problemen? Houden wij te weinig van elkaar? Houden wij te veel van elkaar? Zijn wij nog wel links genoeg?
En in 1979 stelt de hoofdredacteur de vraag aan de orde van de toekomst van weekbladen. Ferdinandusse ziet het gevaar van de dagbladen waarin nu ook columns, dagboeken en lichte rubriekjes welig tieren en de honoraria verhoogd worden, terwijl ‘de Volkskrant intern een policy verkondigt om steeds meer een “weekblad” te maken’. Er is volgens hem maar één antwoord: ‘Goede journalistiek.’ Maar, vraagt hij zich af, heeft VN ‘nog een politiek gezicht’? En is het geen teken van ‘zwakte’ dat het wekelijks ‘de aloude humorrubrieken en aloude tekenaars’ publiceert? Kortom: ‘Heeft het weekblad nog zin?’


Boodschappenjongen
Het is verleidelijk de omslag in de politieke stemming in Nederland begin jaren tachtig te verbinden met de ‘verzuring’ in de redactie van Vrij Nederland en het blijkbare onvermogen van de hoofdredacteur om de teamgeest te herstellen. ‘Ik vond het eerst een rare verzameling freaks daar met curieuze liefhebberijen, die juist daardoor een mooi weekblad maakten,’ vertelt Max van Weezel. ‘Maar op de redactievergadering merkte ik: het is een wapenstilstand tussen clans. Ik hoorde bij de Joop van Tijn-clan, met het hoogst irritante gedrag van vleugeladjudanten die Joop in alles bijvielen. Dan had je de Gerard van Westerloo/Tessel Pollmann-stroming, met veel vrouwen die Gerard adoreerden en naar de ogen zagen. Daarnaast de clan van einzelgängers als Martin van Amerongen, Igor Cornelissen en Gerard Mulder. De schok was dat het drie gesloten kampen waren, zonder onderlinge gedachtewisseling. Altijd kon je voorspellen hoe iedereen zou reageren.’
Ferdinandusse zweeft er tamelijk machteloos boven. Het is de prijs van het succes: hij is in 1969 begonnen als teamleider van tien collega’s, elf jaar later zijn het er dertig. En nog altijd noemt hij zichzelf ‘een soort boodschappenjongen’: ‘Wanneer de bureaus elke maandag bevlekt zijn met bier, moet ik de corveedienst instellen.’ Soms kuiert Ferdinandusse over de redactie, een beetje loerend, niemand aansprekend, dan trekt hij zich weer terug in dat kantoor met uitzicht over twee grachten. ‘Je kon altijd bij hem binnenlopen,’ zegt Ursula den Tex, ‘al keek hij je dan soms wezenloos aan.’ ‘Hij zat in zijn kamer en liet alles aan zich voorbijrollen,’ herinnert Carel Peeters zich. ‘En dan zag je als het ware hoe hij in het komende nummer een zwart gat ontwaarde dat gevuld moest worden met iets wat meer evenwicht in de krant bracht.’ Ferdinandusse bestuurt de redactie behoedzaam. ‘Hij gaf nooit opdrachten maar legde ongemerkt een knipsel of een brief van een lezer op je bureau: kijk maar,’ zegt Rudie van Meurs. ‘Zo heeft hij onderhuids veel in beweging gezet, want hij had een goede neus voor nieuws.’ ‘Als je met een idee kwam dat hij goed vond, ging hij je op van alles wijzen, heel erg meedenkend en geïnteresseerd,’ zegt Hans Smits. ‘En hij zei nooit achteraf dat hij het een klotestuk vond.’
Redactievergaderingen leidt Ferdinandusse zonder veel te spreken. ‘Hij gaf schijnbaar passief leiding,’ zegt Gerard Mulder, ‘hij kwam zelden met eigen ideeën, maar probeerde ideeën die hem aanstonden te steunen zonder conflicten te krijgen. Bij ideeën die hem niet bevielen, straalde hij een onverschilligheid of droefenis uit die je raakte en een onbehaaglijk gevoel gaf.’
Iedereen moest worden zoals Joop, ik ook.
Ferdinandusse is een ‘ware courantier’ en meer gespitst op ‘nieuws’ dan veel van zijn redacteuren. Hij beseft dat hij de oude garde niet naar dat model kan kneden en dat er meer ‘jonge dravers’ moeten komen. Als Gerard Mulder in dienst treedt, staat naast Ferdinandusses woning een dubbele etage leeg. Martin van Amerongen, die beroerd woont, was er graag voor in aanmerking gekomen, maar tot diens woede gunt Ferdinandusse de tip aan de jonge nieuwkomer. Mulder heeft alleen aan hem opgebiecht dat hij negen maanden bij De Telegraaf heeft gewerkt en de hoofdredacteur ziet daarom in hem vermoedelijk een potentiële ‘newsgetter’. Aan het eind van de dag vraagt hij hem vaak of hij een lift naar huis wil. Mulder herinnert zich hoe Ferdinandusse dan ‘met zachte stem vlijmscherp alle redacteuren begon te fileren en af te branden, behalve Joop van Tijn’. ‘Ik begreep: hier zit een bedoeling achter. Iedereen moest worden zoals Joop, ik ook. Toen ben ik opgehouden mee te rijden.’
Een blad is als een boom
De verkochte oplage van VN blijft dalen en passeert in 1983 de honderdduizend in neerwaartse richting; ze zal in 1985 nog 97.132 exemplaren per week bedragen. Ondertussen daalt ook de advertentiebezetting, vooral de ‘zachte’ sociaal-culturele sector zoekt geen personeel meer, waar voorheen in VN op grote schaal om geworven werd. De redactionele kosten gaan knellen en de directie onderstreept dat ‘de continuïteit in het uitgeven van bladen voorop hoort te staan’, je hoort achter die woorden de noodzaak van ‘bezuiniging’ opdoemen. Maar daar is Ferdinandusse het glad mee oneens. Volgens hem is VN ‘een blad waar altijd geld bij moet’, want: ‘Een blad is als een boom, het groeit vanzelf.’
Hij wil de moed erin houden en neemt in 1982 het initiatief tot een Werkgroep 200.000. Zes redacteuren werken mee aan het eindrapport waarin gesteld wordt dat VN ‘makkelijk 200.000 abonnees haalt’, mits de ‘beletselen’ worden weggenomen die lezers van NRC Handelsblad en de Volkskrant ervan weerhouden zich te abonneren: de ‘moeilijke toegankelijkheid’, de ‘zware traditie’ en het politieke overwicht. Het lijkt een hovaardige veronderstelling. Want het probleem is juist dat de lezers van NRC en de Volkskrant in die tijd in het weekeinde bij hun dagblad gratis een steeds volwaardiger weekblad gepresenteerd krijgen.
In september 1983 stuurt Ferdinandusse de redactie een ‘hard’ marktonderzoeksrapport toe waaruit blijkt dat de ‘opzeggeneigdheid’ bij abonnees ‘gestadig’ toeneemt, wat mede voortkomt uit een stijgende ‘bezuinigingstendentie’. Eén op de zes lezers acht het blad ‘enigszins uit vorm’: ‘drammerig, opgeklopt’, zelfs ‘Telegraaf-achtig’. Een op de drie signaleert dat de weekendbijlagen van kranten ‘steeds meer op weekbladen lijken’. Rampzalige vooruitzichten, maar de hoofdredacteur laat het bij: ‘Misschien aanleiding om eens op terug te komen?’
De neergang in de buitenwereld houdt gelijke tred met de verzuring in de binnenwereld van Vrij Nederland. Al in 1980 schrijft Igor Cornelissen aan de redactie dat ‘het uiterst boeiende, eerlijke en stimulerende handwerk’ van een VN-journalist is ‘verworden tot een alleen maar uitputtende slachting’: ‘Een verpeste werkatmosfeer, bezorgde, gespannen, grauwe, zure, ontevreden gezichten, slaande deuren, langdurige schrijfkrampen, collega’s die zich woedend terugtrekken’ en anderen die ter redactievergadering gaan in ‘angst en beven voor de botte bijl, de achterklap en de roddel’.
De stemming escaleert als eindelijk, ruim vier jaar na het vertrek van adjunct-hoofdredacteur Paul de Hen, zijn opvolger moet worden aangewezen. De ‘eindeloze ruzies’ daarover beu, stelt Jeroen Terlingen zich kandidaat. Hij ‘kan met iedereen goed door één deur’, dus misschien is hij wel de aangewezen figuur om ‘de tegenstellingen te overbruggen’. Ferdinandusse heeft weliswaar ‘geen bezwaar’, maar stelt zich niet openlijk achter hem op. ‘Zijn nek uitsteken was niet zijn sterkste kant,’ zegt Terlingen met een formidabel understatement. Tijdens de beslissende redactievergadering steunt een ruime meerderheid zijn benoeming, maar niet de vereiste tweederde meerderheid. Hij komt één stem tekort. Ferdinandusse ziet daarop zijn kans schoon en stelt Joop van Tijn kandidaat. Frits Abrahams veroordeelt dit als een ‘machiavellistische’ gang van zaken en noemt de gegadigde ‘ongeschikt’: deze heeft namelijk te vaak ‘zijn plichten verzaakt’ en ‘zijn bijbanen altijd belangrijker gevonden’ dan VN. Hij vindt geen gehoor. Het is dan dat Frits Barend zou hebben uitgeroepen: ‘Als het zo moet, spring ik nog liever uit het raam.’ Waarop Van Tijn hem toevoegt: ‘Kom maar hier, dan help ik je een handje.’ Het tekent de sfeer. Lang waren de sportredacteuren dikke maatjes met Van Tijn, die ze meetroonden naar het stadion, maar ze hebben de buik vol van zijn opportunisme. Bij gebrek aan alternatieven wordt Van Tijn in juni 1985 verkozen tot ‘waarnemend hoofdredacteur’. Hij zal, meldt VN, stoppen met zijn werk voor het televisieprogramma Het Capitool en het radioprogramma Welingelichte Kringen, maar aan het laatste werkt hij nog tien jaar mee, totdat het programma wordt opgeheven.

Medeplichtig
In augustus 1986 zijn de vooruitzichten van VN zo deplorabel dat de directie een bezuiniging van zeven ton moet afkondigen. Er zullen redacteuren ontslagen moeten worden, en zo begint een dramatische episode. Een redactie die in goede tijden het aanstellingsbeleid voor haar eigen rekening neemt, moet in slechte tijden ook het ontslagbeleid voeren. Het is de keerzijde van de democratisering.
Maar Doeschka Meijsing verklaart prompt: ‘Over mij wordt niet gestemd.’
‘Je werd medeplichtig gemaakt aan het ontslag van collega’s,’ zegt documentalist Martin Koomen. ‘We moesten beurtelings bij Ferdinandusse komen en vertellen hoe jij de oplossing en je eigen toekomst zag. Maar ik dacht: ik ben hier de man die alleen maar de kranten knipt, ik moet niet te hoog van de toren blazen, dus ik deed daar niet aan mee.’ Na deze consultatieronde worden in overleg met de redactiecommissie Gerard Mulder, Jeroen Terlingen, Jan Stoof en Doeschka Meijsing voorgedragen voor ontslag. Ook hiervoor is een tweederde meerderheid vereist. Maar Doeschka Meijsing verklaart prompt: ‘Over mij wordt niet gestemd.’ Ze gaat naar huis, trekt de stekker uit de telefoon, doet de gordijnen dicht en blijft dagenlang in bed, waarmee ze volgens de hoofdredactie als het ware zelf ontslag genomen heeft.
En hoezo staat Terlingen op dit omineuze lijstje? Hij is pas ruim een jaar geleden bijna verkozen tot adjunct-hoofdredacteur! Geëmotioneerd spreekt hij in de redactievergadering zijn verbijstering uit over deze snelle ommekeer in waardering voor hem en dat blijkt voldoende om het tij alsnog te zijnen gunste te doen keren. Maar het ontslag van de andere twee wordt door de redactievergadering bevestigd.
De drie ontslagenen voegen zich in de uittocht bij Vrij Nederland van halverwege de jaren tachtig die een hele optocht wordt: Martin van Amerongen wordt hoofdredacteur van De Groene Amsterdammer. Lex Runderkamp en Feike Salverda schrijven hun vertrek naar de VPRO toe aan ‘het falen van de hoofdredactie’. Frans Peeters gaat naar Het Parool en Frits Abrahams naar Elsevier, terwijl het duo Barend & Van Dorp wordt ingelijfd door Nieuwe Revu.
Hij wordt depressief en krijgt nachtmerries, waarin hij Ferdinandusse en Van Tijn woest voor hun kop slaat.
Zij vertrekken nog min of meer vrijwillig. Te worden ontslagen bij VN moet een traumatische ervaring zijn: verstoten uit het paradijs van de journalistiek. ‘Jan zal nu vertellen waarom hij ontslag neemt,’ heeft Ferdinandusse in de redactievergadering Stoof aangemoedigd. ‘“Vertel het zelf, kleine rat,”’ antwoordt deze naar zijn zeggen. Hij wordt vervolgens met 24 tegen vier stemmen ontslagen. In eerste instantie is hij opgelucht – ‘eindelijk bevrijd!’ – en trekt thuis een fles Laphroaig open. Maar drie jaar later staat hij op station Schiedam en moet zich ‘aan de railing vastklampen’ om zich ‘niet voor de aanstormende Intercity te storten’. Hij wordt depressief en krijgt nachtmerries, waarin hij Ferdinandusse en Van Tijn ‘woest voor hun kop slaat’. Dertig jaar na zijn ontslag is hij nog onder psychiatrische behandeling voor zijn ‘posttraumatisch stresssyndroom’.
Duistere praktijken
Iedereen die ik vertel dat ik een boek over de gloriejaren van Vrij Nederland schrijf, vraagt meteen of ik ga onthullen ‘wie de anonieme brieven schreef’. De affaire speelt zich dertig jaar geleden af, maar intrigeert nog steeds. Ze geeft, eind 1986, aanleiding tot veel opwinding en leedvermaak: Vrij Nederland, dat altijd zo hoog van de morele toren blaast, blijkt nu zelf een poel van duistere praktijken! Waarin nota bene de hoofdredacteur de voornaamste verdachte lijkt.
In het begin van dat jaar vinden VN-redacteuren een getypt schrijven van een onbekende afzender op de mat, met een onaangename, hoogst persoonlijke strekking. Hoeveel van die brieven zijn verstuurd, is onbekend, van vier redacteuren kunnen we met zekerheid vaststellen dat ze zulke anonieme post ontvingen. Andere redacteuren blijken eerder anonieme brieven te hebben gekregen, soms samengesteld uit plakletters. Igor Cornelissen leest dat zijn kornuit Van Amerongen zich aan seksuele handtastelijkheden zou bezondigen (hetgeen ook in een anonieme brief aan diens echtgenote staat). Maar Cornelissen heeft de brief, naar hij zegt, niet bewaard, zoals bijna iedereen zegt ze te ‘hebben verscheurd ’ of te ‘zijn kwijtgeraakt’. Twee anonieme brieven komen tijdens onze rondgang boven water: aan Ursula den Tex en aan Aukje Holtrop. De laatste heft aan: ‘ZENDBRIEF VAN FLORRY DE MORRY AAN ALLE VROUWEN VAN BELANG. DIT IS DE VIJFDE BRIEF. Over Aukje. Hier is het getal drie, want Aukje heeft drie priorpunten. Een is Aukje de Snerpende. De eerste indruk is dat zij aardig en verlegen is. Maar na een tijdje van haar aanwezigheid wordt haar stem hoger en komt er een allesoverheersend, snerpend geluid uit.’ Haar tweede ‘priorpunt’ is ‘Aukje de luie’, het derde ‘Aukje de verongelijkte’. Ze wordt ‘de uier van het feminisme, de Emma Goldmann van de journalistiek’ genoemd. Holtrop vindt het een ‘rare brief’, maar ook (en nog steeds) ‘ontzettend onaangenaam’, vooral doordat die ‘uit je eigen redactie komt, dat kan niet anders’: er staan details in over haar functioneren bij VN.
De meeste ontvangers van de brieven zijn mensen die hoofdredacteur Ferdinandusse niet mag.
Wat heeft de afzender ermee voor? Iemands zelfvertrouwen ondermijnen? Wegpesten? Het schrijven is van een kinderachtig soort schoolkrantenhumor die verre lijkt te staan van de schrijftrant bij Vrij Nederland. De meeste ontvangers van de brieven zijn mensen die hoofdredacteur Ferdinandusse niet mag of die zijn beleid bestrijden. Abrahams krijgt zijn anonieme brief kort nadat hij vlak voor kerst 1985 aan Ferdinandusse schriftelijk zijn bezwaren tegen diens wankelmoedig beleid heeft meegedeeld. Abrahams, van wie de anonieme brief ‘vuige insinuaties’ behelst over zijn journalistieke loopbaan, bespreekt de kwestie met Gerard Mulder. Zulke brieven blijken ook te zijn ontvangen door Hugo Arlman en Henk van Dorp, wie een buitenechtelijke verhouding wordt aangewreven. Mulder vraagt Aukje Holtrop, met wie hij in de redactieraad zit, of zij er ook een kreeg – en jawel. Ze hebben wel een idee wie de schrijver is en zetten diens initialen onafhankelijk van elkaar aan weerskanten op een bierviltje. ‘En we hadden allebei RF.’ Tijdens een redactievergadering zegt Holtrop: ‘Zijn jullie het ermee eens dat dit wordt uitgezocht?’ Op het bevestigende antwoord nemen zij, Mulder en Abrahams deze taak op zich. Abrahams’ echtgenote, een ervaren directiesecretaresse, wijst hem op iets merkwaardigs in de brieven: na een leesteken volgt nooit een spatie. Hij kent een grafologisch deskundige bij de politie aan wie hij ze ter hand stelt.

Underwood of Remington
In afwachting van het onderzoek zoemt de kwestie rond op de redactie. ‘We waren allemaal paranoïde,’ zegt redactiesecretaresse Monica Keyzer. ‘Redacteuren hadden enge brieven ontvangen, maar wilden ze niet laten zien. Bij alle andere conflicten wist je altijd wie je tegenstander was, nu was die onbekend maar in eigen huis.’ Sommige redacteuren ontpoppen zich als ware amateurspeurders: met welke typemachine ter redactie komt het typoscript van de brieven overeen, op wiens stijl lijkt de schrijftrant in de brieven, op welke Underwood of Remington is het oogje van de g ook volgelopen?
Op 26 november 1986 barst de bom, wederom tijdens de rondvraag na de wekelijkse redactievergadering. Frits Abrahams vraagt het woord en begint aan een verhaal over de anonieme brieven. Hij rakelt de voorgeschiedenis op, meldt dat een kenmerkende vorm van interpunctie is gebruikt, zonder spatie na een punt of komma, en dat de epistels volgens zijn bron geschreven zijn op meerdere schrijfmachines, alle behorend tot het arsenaal van de VN-redactie, zodat de afzender ‘vermoedelijk uit ons midden komt’. Bovendien…
Daarop wordt hem onverhoeds het woord ontnomen. ‘Frits, je moet stoppen!’ roept Holtrop schril, en Ageeth Scherphuis, de partner van Joop van Tijn die een jaar eerder tegen de algemene uittocht in als redacteur in vaste dienst is aangesteld, ‘gilt’ dat ze ‘dit niet wil horen’. Rudie van Meurs, lid van de redactiecommissie, informeert of Frits voor zeker is van zijn zaak, anders dient hij verder zijn mond houden.
Iedereen zat verstijfd bij elkaar. En Rinus zei helemaal niks. Lijkbleek liep hij rond.
Dan zegt Ferdinandusse ineens: ‘Hij bedoelt dat ik die brieven heb geschreven.’ In het ‘gigantische pandemonium’ dat volgt, compleet met huilbuien en uitbarstingen van woede, krijgt Abrahams niet meer de gelegenheid om te zeggen wat hij nog wil zeggen. Bijvoorbeeld dat twee ontvangers hem verzekerden dat de brieven informatie bevatten die alleen de hoofdredacteur bekend was. En dat er voldoende aanwijzingen zijn om een nader onderzoek door een onafhankelijke instantie in te stellen. Maar onverrichter zake verlaat hij de vergadering. Nadat Abrahams de mond gesnoerd is, blijft de redactie in grote verwarring achter. ‘Iedereen zat verstijfd bij elkaar. En Rinus zei helemaal niks. Lijkbleek liep hij rond,’ zegt Monica Keyzer.
‘Het was totale chaos,’ zegt Holtrop. Wat bewoog haar om Abrahams’ uiteenzetting te onderbreken? Ze is er maandenlang van uitgegaan dat Abrahams zijn bevindingen eerst aan haar en Mulder zou voorleggen, waarna ze de zaak met Ferdinandusse konden bespreken. Nu ze het gevoel krijgt dat hij op het punt staat op eigen houtje in een soort ‘volksgericht’ een schuldige aan te wijzen, wordt ze kwaad.
Wat beweegt Abrahams tot zijn Alleingang? Hij heeft een appeltje te schillen met de hoofdredactie. Eerder dat jaar heeft hij overhoop gelegen met Joop van Tijn over een artikel waarin hij onthult dat tot de klantenkring van een pater annex wondergenezer te Baarn ook Joops vriendin prinses Irene behoort. Er wordt aanzienlijke druk op hem uitgeoefend dit niet te publiceren, maar het artikel haalt ongeschonden de krant. Een paar weken later interviewt Abrahams acteur Carol van Herwijnen, die vertelt dat hij in de kleedkamer als homoseksueel gepest wordt door collega Ton van Duinhoven, met wie Van Tijn eveneens bevriend is. Deze eist dat die opmerking wordt geschrapt, waarin Abrahams tot Van Herwijnens (en achteraf ook zijn eigen) verdriet wel toestemt. Vervolgens wordt hij in september in de redactievergadering scherp aangevallen vanwege de verwoestende persiflage op VN die enige dagen daarvoor in Propria Cures is verschenen. Diverse collega’s verdenken hem ervan het blad gevoed te hebben met ‘inside information’, volgens Abrahams ‘lasterlijke lariekoek’.
De stemming ter redactie is ver beneden peil: Hans Smits, die als lid van de redactiecommissie Abrahams niet in bescherming zou hebben genomen, wordt per brief voor respectievelijk ‘kontkruiper’ en ‘jakhals’ uitgemaakt. Hij van zijn kant klaagt dat deze collega’s nooit ‘een goed woord voor de krant over hebben’ en ‘op minachtende en op den duur verziekende wijze’ over de hoofdredactie spreken. Mulder zou zelfs al enige malen bij de directeur hebben betoogd dat ‘het zo niet langer gaat’ met het leidende duo.
Enige dagen later stellen directie en hoofdredactie de redactiecommissie voor Abrahams met spoed te ontslaan. Omdat daarvoor in de cao geen grond aanwezig is, laten zij dit voornemen voorlopig varen. Abrahams voelt niettemin dat hij op de schopstoel zit en heeft haast met het presenteren van zijn bevindingen, te meer daar de naam van Ferdinandusse als afzender op de redactie al steeds vaker genoemd wordt. Hij lijkt zich er niet van bewust dat hij daarvoor met de twee anderen zou moeten overleggen.
De hamvraag blijft: wie schreef die brieven? Het is onbevredigend dat de zaak nooit is opgehelderd, Ferdinandusse zal tot het eind van zijn dagen het odium aan blijven kleven van een kleinzielige, rancuneuze geheimschrijver. Maar alle aanwijzingen leiden naar hem. Wie is nog meer op de hoogte van die intieme details? Wie anders maakt zulke taalfouten in zijn teksten? Wie hanteert er verder die curieuze interpunctie? Tijdens mijn rondgang blijkt Ferdinandusse voor de meeste oud-redacteuren de hoofdverdachte te zijn, dan komt er een tijd niemand, en ten slotte worden andere ‘intriganten’ aangewezen aan wie de aangever vermoedelijk een gloeiende hekel heeft.
Bittere smaak
De anonieme-brievenaffaire is het einde van de mythe Vrij Nederland. Op 6 december 1986 wordt ze in geuren en kleuren uit de doeken gedaan in Propria Cures. Het blad is stellig: Ferdinandusse heeft die epistels geschreven. De ban van de zwijgzaamheid lijkt gebroken in een stortvloed van negatieve publiciteit. ‘Er zijn redacteuren geweest die de code verbrekend, en niet zozeer denkend aan het instituut Vrij Nederland als wel aan hun eigen belang, andere media van informatie hebben voorzien,’ schrijven Ferdinandusse en Van Tijn in het kerstnummer van 1986. ‘Informatie die in sommige gevallen sterk gekleurd was met jarenlang gekoesterde, vooral persoonlijke, rancunes en frustraties en die, voor zover er iets als objectieve waarheid bestaat, daar wel ver van verwijderd zijn. ‘Code’, ‘instituut’, het zijn termen die doen denken aan wat Gerard Mulder de ‘kloostermentaliteit’ van VN noemt. Het tweetal verwijt collega-hoofdredacteuren ‘het broddelwerk van overijverige redacteuren’ over VN te hebben afgedrukt. Doet de grote bestrijder van autoriteitswaan nu zelf een beroep op autoriteiten? ‘De bittere smaak van het koekje van eigen deeg’ staat terecht boven het paginagrote artikel in Vrij Nederland.
Het dodelijkst voor het blad is de analyse van H.J.A. Hofland in de Haagse Post: ‘Jarenlang is VN de enige echte oppositie in Nederland geweest. Daar stond iedere week wat andere organen niet durfden te drukken. Nadat Rinus Ferdinandusse hoofdredacteur was geworden, groeide er een meedogenloosheid in het blad die voor Nederlandse verhoudingen revolutionair was.’
Maar ‘meedogenloosheid uit naam van wat?’ Vrij Nederland is ‘het linkse weekblad’, maar ‘een duidelijk politiek standpunt heeft het niet’. VN is ‘in de verdrukking gekomen’ doordat ‘de buitenwereld niet meer de oude is’. Het heeft ‘de taboes doorbroken’ en van taboes is ‘bijna niets meer te merken’. Nederland is ‘een schiettent zonder schijven’ geworden, besluit Hofland. De gloriejaren van VN waren de tijd van de polarisatie en het ‘linkse levensgevoel’ dat zich scherp afzette tegen de rechtse mentaliteit van behoudzucht en burgerlijkheid en op weg leek naar een progressieve meerderheid die Nederland tot een gidsland voor de wereld zou maken. De tijdgeest waarvan Vrij Nederland de heraut was, keert zich nu dus tegen het blad.
Dit is een ingekort hoofdstuk uit ‘De gouden jaren van het linkse levensgevoel. Het verhaal van VN’, John Jansen van Galen, Balans, 480 p., € 27,50
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.