Sinds de Tweede Intifada in 2000 laait het allochtone anti¬semitisme op. Waarom horen we daar nu pas over?

Najaar 2001 wilde ik voor dagblad Trouw een kleine, orthodoxe synagoge in Amsterdam-West portretteren. Zoals dat gaat: die zomer was ik bij toeval in contact gekomen met een van de vaste bezoekers. Zij vertelde me dat vrouwen in deze rabbijnloze gemeente, gesticht in 1957, een bijzondere rol speelden. Sowieso leek zo’n sjoeltje midden in een allochtone volkswijk me een verhaal waard. Voor de goede orde: die twee torens daar in New York stonden nog recht overeind.

Mijn voorstel werd vriendelijk onthaald. Ik zou enkele gemeenteleden interviewen, en uiteraard een dienst bijwonen. Er was één voorwaarde: de locatie van het godshuis moest in het vage blijven. Low profile, niet opvallen luidde de strategie.

Al snel werd duidelijk waarom. Als de bezoekers het pand verlieten, werden ze regelmatig aan het gas gewenst. Menigeen schoof, heel verstandig, een pet over z’n keppeltje voor hij de straat op ging. Klagen bij de politie bood geen soelaas. Konden de sjoelgangers, was de reactie, niet wat toleranter staan tegenover de moslimjeugd?

En toen stortten die twee torens in. Behalve verwensingen kregen synagogebezoekers nu ook stenen naar het hoofd. Half september deed Sjoel West officieel aangifte. Dat leek even te helpen. Een buurtwerker sprak de betreffende jongeren vermanend toe, agenten in burger hielden de boel op zaterdag in de gaten.

Toen ik de kwestie aan de politie voorlegde, deed de woordvoerder een hilarisch verzoek. Zeker, het rommelde daar. Maar wilt u in uw artikel niet te veel nadruk leggen op zulke incidenten? U kunt zich voorstellen, zei hij, ze zitten toch al zo in het verdomhoekje.

Doelde de man op de belaagde Joden? Nee, hij doelde op de moslimjongeren.

– Low profile, niet opvallen luidde de strategie

We zijn bijna negen jaar verder. En zie, de afgelopen weken kon je geen krant openslaan of het ging erover. Wisten wij wel dat ‘steeds meer’ Joden in zekere volkswijken niet meer veilig over straat kunnen? Wisten wij wel dat er in Amsterdam-West een heuse schuilsynagoge is? In Nederland, anno 2010! Schandelijk, inderdaad. Maar niks nieuws. Sinds de Tweede Intifada in 2000 laait het allochtone antisemitisme op gezette tijden torenhoog op. Hoezo genereert het nu pas zoveel verontwaardiging?

Als ik me niet vergis, begon de recente ophef op zaterdag 12 juni. Paul Andersson Toussaint schreef een (uitstekend) opiniestuk in NRC Handelsblad over de situatie rond Sjoel West. In de week erna introduceerde Ahmed Marcouch op BNR-radio de vette term ‘lokjood’, die onmiddellijk overal rondzoemde. Niet veel later zond de Joodse Omroep een filmpje uit met korrelige beelden van hangjongeren die een rabbijn onheus bejegenden.

Ineens leek er een actuele misstand te zijn die dringend om bestudering en beschrijving vroeg. Verslaggevers gingen op pad, Ronny Naftaniel van het CIDI draaide overuren, hoofdredactionele commentaren repten van ‘het nieuwe antisemitisme’ (de Volkskrant) dan wel het antisemitisme dat ‘een nieuwe uitlaatklep’ had gevonden (NRC Handelsblad). Een spoeddebat volgde, bezorgde Kamerleden riepen de minister op tot daadkracht en onorthodoxe maatregelen. Heel fijn, natuurlijk. Maar waarom is dat niet veel eerder gebeurd?

Ik vermoed dat het antwoord schuilt in de politiewoordvoerder die mij in de herfst van 2001 de les trachtte te lezen. Om mysterieuze redenen mochten wij de daders nimmer als daders zien. Absurder nog, moslims gingen door voor ‘de nieuwe Joden’. De echte Joden moesten gewoon niet zo kleinzielig doen. Zo kon het antisemitisme ongehinderd voortwoekeren. En zo kon nieuws dat geen nieuws was dagenlang het nieuws beheersen.