Toen tweeënhalf jaar geleden, op 8 januari 2016, in Duitsland de lang aangekondigde nieuwe editie van Mein Kampf werd gepresenteerd, was de zaal in het Institut für Zeitgeschichte afgeladen met fotografen en journalisten. De busjes van de televisiestations stonden in lange rijen op de stoep voor het gebouw.

Meer dan zeventig jaar was Mein Kampf verboden geweest, en nu was dan het grote moment aangebroken dat het taboe werd doorbroken, zeventig jaar na het overlijden van de Führer – auteursrechten vervallen zeventig jaar na de dood van de schrijver; er was nu ook geen juridische belemmering meer. De schuchtere wetenschappers van het Institut für Zeitgeschichte stonden, knipperend met de ogen door de flitsende camera’s, de pers te woord, weinig mediageniek, in zorgvuldig gekozen bewoordingen, beducht om nog meer ophef te veroorzaken dan de aankondiging van hun project al had gedaan.

Het grote taboe rond Mein Kampf heeft al die jaren eigenlijk om maar één kwestie gedraaid: wel of niet uitgeven?

Een paar dagen lang was hun ‘kritische editie’ van Mein Kampf voorpaginanieuws in Duitsland. Een week later had niemand het er meer over.

Het grote taboe rond Mein Kampf heeft al die jaren eigenlijk om maar één kwestie gedraaid: wel of niet uitgeven? En vanaf het moment dat die vraag in Duitsland niet meer terzake deed, ebde de media-aandacht vrijwel onmiddellijk weg. Wat restte was de inhoud van de tekst: een meer dan 800 pagina’s lang, vrij drammerig geschreven politieke getuigenis uit 1925, waar zoveel historische context voor nodig is om te begrijpen wat er precies staat, dat maar weinig mensen zin – en tijd – hebben om het daadwerkelijk van kaft tot kaft te gaan lezen.

Schaamteloos eerlijk

Nu uitgeverij Prometheus een Nederlandse editie van Mein Kampf heeft uitgebracht, vermoed ik dat het hier niet veel anders zal gaan dan tweeënhalf jaar geleden in Duitsland. De nieuwsrubrieken hebben hun items over de komst van het boek gemaakt, en dat was het dan.

Bij Mein Kampf heeft het altijd meer om de symbolische waarde gedraaid dan om de inhoud. Hitler was zich daar al van bewust toen hij het schreef: de meeste mensen hebben nu eenmaal niet het geduld om een boek of zelfs maar een krantenartikel uit te lezen, schreef hij, nota bene in Mein Kampf zelf. Als je de massa wilt bereiken, kun je het beter zo kort mogelijk houden, een paar slogans op een flyer of een poster zetten, maar beter nog was film, of een toespraak in een grote zaal, waar het meer om de beleving ging dan om wat er precies werd gezegd. Hitler maakte zich dan ook geen enkele illusie dat Mein Kampf geschikt was als propagandamiddel. Zijn boek was bedoeld voor ‘de aanhangers van de beweging’, schreef hij in het voorwoord, niet voor de mensen die nog overtuigd moesten worden.

De meest fascinerende passages in het boek vond ik Hitlers uiteenzettingen over mediastrategie, zijn door en door pragmatische inzichten in hoe je als politicus het beste de bevolking aan je binden kan.

En hiermee ben ik gek genoeg toch bij de inhoud van Mein Kampf beland, want de meest fascinerende passages in het boek vond ik Hitlers uiteenzettingen over mediastrategie, zijn door en door pragmatische inzichten in hoe je als politicus het beste de bevolking aan je binden kan. Daar is Hitler schaamteloos eerlijk over, en dat is wel een verademing in een boek waarin hij verder de ene racistische leugen na de andere complottheorie vertelt.

Adolf Hitler poseert voor een opname van een van zijn toespraken, vlak na zijn vrijlating uit de gevangenis van Landsberg, in het jaar dat Mein Kampf verscheen (1925). Foto: Heinrich Hoffmann / Getty Images.
Koele berekening

Tussen al die rassenwaan en het giftige antisemitisme geeft Mein Kampf een unieke inkijk in de politieke strategie van de nazi’s, en alleen al om die reden is het een belangrijke historische bron. Want die politieke strategie heeft voor een groot deel het succes van de nazi-beweging bepaald, en zelfs de inhoud van de ideologie beïnvloed. Hitler paste zijn boodschap voortdurend aan op wat de mensen wilden horen – vanaf zijn eerste jaren als politicus was het zijn grootste ambitie een zaal enthousiast te krijgen. Het interesseerde hem niet bijster veel of het waar was wat hij zei, het ging hem er in de eerste plaats om of hij er succes mee kon genereren: ‘Iedere propaganda dient populair zijn en het geestelijk niveau af te stemmen op het begripsniveau van de minst begaafden tot wie de propaganda zich wil richten,’ schreef hij in Mein Kampf. Waarheid en succes waren voor Hitler sowieso één en hetzelfde: als je wint heb je automatisch het gelijk aan je zijde. In de natuur heerste het recht van de sterkste, en dat gold voor de waarheid ook. Geschiedenis wordt geschreven door de overwinnaars. Het deed er daarbij volstrekt niet toe ‘of het lukt een paar geleerden of esthetische slappelingen te bevredigen’. Fact-free politics avant la lettre.

Mijn beeld van Hitler veranderde ingrijpend door het lezen van Mein Kampf: ik zag hem niet meer alleen als een hysterische fanaticus maar evenzeer als een dodelijk efficiënte marketeer. Fanatisme zélf was voor Hitler een kwestie van pragmatisme.

Door Mein Kampf te lezen, besefte ik dat de nazi-ideologie niet alleen was voortgekomen uit paranoïde rassenhaat, maar ook het resultaat was van de koele berekening van een uiterst gewiekste politicus. Mijn beeld van Hitler veranderde er ingrijpend door: ik zag hem niet meer alleen als een hysterische fanaticus – het clichébeeld van Hitler dat we in alle documentaires en speelfilms krijgen voorgeschoteld – maar evenzeer als een dodelijk efficiënte marketeer die waarschijnlijk meer mensenkennis had en inzicht in de wetten van de massademocratie dan al zijn tegenspelers uit die tijd. Fanatisme zélf was voor Hitler een kwestie van pragmatisme: ‘Geloof is moeilijker aan het wankelen te krijgen dan kennis, liefde kampt minder met wisselvalligheid dan ontzag, haat is duurzamer dan afkeer, en de drijfkracht voor de geweldigste omwentelingen op deze aarde was te allen tijde niet zozeer een de massa bezielend wetenschappelijk inzicht als een de massa beheersend fanatisme en een de massa soms voortjagende hysterie.’

Pseudo-geschiedenis

Er staat kortom genoeg interessants in Mein Kampf, daar ligt het niet aan. Maar je moet als lezer wel aardig veel moeite doen om het eruit te halen. Uitgeverij Prometheus heeft er in de nieuwe Nederlandse editie voor gekozen om elk hoofdstuk van een aparte inleiding te voorzien, alle geschreven door historicus Willem Melching, die eerder al boeken over Hitler, Goebbels en de geschiedenis van Duitsland schreef. Die aanpak werkt goed: het voorkomt dat je als lezer verdwaalt in de brij van associaties en terzijdes waarmee Hitler zijn betoog vaak doorspekte. Melching is nergens overdreven moraliserend – op dat vlak schoten de bezorgers van de Duitse editie af en toe door – en vooral in het tweede boekdeel zijn zijn toelichtingen terzake en vat hij de rode draad van elk hoofdstuk helder samen.

Het tweede deel van Mein Kampf gaat vooral over de NSDAP als partij-organisatie tijdens de vroege jaren twintig, de zogeheten Kampfzeit, en daar is Melching goed in thuis. Het eerste deel van Mein Kampf is een stuk lastiger: Hitler mengt daar autobiografische passages, die hij danig aandikte en geregeld bij elkaar loog om zijn politieke betoog wat persoonlijker te doen lijken, met lange exposés over de voorgeschiedenis van de Eerste Wereldoorlog, het verval van de Duitse beschaving, en allerlei antisemitische complottheorieën. In het eerste deel staat ook het beruchte hoofdstuk 11, getiteld ‘Volk en ras’, waarin Hitler zijn racistische wereldbeeld als een kwestie van biologische realiteitszin probeert te presenteren en een uitvoerige, puntsgewijze pseudo-geschiedenis van de Joodse migratie in Europa uit de doeken doet.

De mythe van de ‘godsmoord’

In dit overladen eerste deel van Mein Kampf schieten Melchings inleidingen jammer genoeg vaak te kort, bijvoorbeeld in het geval van dat beruchte hoofdstuk ‘Volk en ras’. Melching vat de algemene strekking van het verhaal enigszins schools samen, met zinnen als: ‘In het tweede deel van het hoofdstuk gaat Hitler in op het Jodendom, dat tal van negatieve eigenschappen krijgt toegedicht.’ Hier had een inleiding echt veel meer interpretatieve duiding moeten geven vanuit de context van het Europese antisemitisme zoals zich dat vanaf de vroege Middeleeuwen ontwikkelde – waar trouwens ook uitputtende literatuur over bestaat.

Hitler verwijst in dit hoofdstuk bijvoorbeeld naar de mythe van de ‘godsmoord’: de sinds de Middeleeuwen in sommige christelijke kringen gangbare gedachte dat het Joodse volk verantwoordelijk was voor de kruisiging van Christus. In Mattheüs 27, vers 25 staat de bekende passage waarin Pilatus aan het bijeengekomen volk vraagt waarom ze Jezus willen kruisigen. ‘En al het volk, antwoordende, zeide: “Zijn bloed kome over ons, en over onze kinderen.”’

Zo ontstond al in de Middeleeuwen het antisemitische vijandbeeld van de Jood als godsmoordenaar, en daarmee de belichaming van het absolute kwaad, een duivel. En zo omschrijft Hitler Joden ook meerdere keren in Mein Kampf: als duivelse krachten die de mensheid willen vernietigen. Andere Bijbelpassages waar Hitler naar verwijst, zoals het verhaal in de evangeliën waarin Jezus de geldwisselaars uit de tempel verdrijft, dienen hetzelfde doel: Joden als de oervijand van de westerse beschaving af te schilderen. Het sloeg aan bij de achterban, die voor een belangrijk deel christelijk was, of christelijk was opgevoed.

Een heruitgave van Mein Kampf biedt een uitgelezen kans om te laten zien hoe het antisemitisme van de nazi’s werkte, en die kans is jammer genoeg niet benut.

De effectiviteit van dit soort passages valt niet te begrijpen zonder de eeuwenoude voedingsbodem te tonen die in Europa bestond voor antisemitische vijandbeelden en stereotypen. Melching beperkt zich tot het noemen van enkele namen van antisemitische voorlopers en inspiratiebronnen zoals Richard Wagner en Houston Stewart Chamberlain, maar dat is niet genoeg om inzicht te krijgen in hoe het antisemitisme van de nazi’s – en antisemitisme in het algemeen – werkte en effectief kon zijn. Een heruitgave van Mein Kampf biedt juist de uitgelezen kans om dat te laten zien, en die kans is jammer genoeg niet benut.

Ewoud Kieft. Foto: Casper Kofi.
Ernstige tekortkoming

Hitlers antisemitisme kon effectief zijn omdat hij voortbouwde op vooroordelen die raakvlakken hadden met de werkelijkheid. Zo verwees hij voortdurend naar het vijandbeeld van de Jood die niet met zijn handen wil werken, maar alleen maar beroepen uitoefent die winst genereren uit de arbeid van anderen: in de bankensector, de aandelenhandel, de advocatuur. En dat beeld was niet volledig uit de lucht gegrepen: in 1923 was 23 procent van de private banken in Duitsland eigendom van Joodse Duitsers. In de detail- en de groothandel namen ze een kwart tot, in het geval van de metaalhandel, 57 procent van de leidinggevende posities in; 80 procent van de leidinggevenden van de Berlijnse beurs waren Joodse Duitsers. Dit was ook verklaarbaar: het was vanaf de Middeleeuwen verboden voor Joden om lid te worden van de handwerksgilden en vaak ook om land te bezitten of te pachten, dus moesten ze werk vinden in andere sectoren.

Dit soort cijfers en achtergronden ontbreken volledig in de nieuwe editie van Mein Kampf, maar ze zijn wel nodig om te begrijpen waarom Hitlers beweringen konden aanslaan. Het is vermoedelijk het gevolg van de gekozen aanpak om in Hitlers tekst zelf geen verklarende voetnoten te plaatsen (op een enkele summiere opmerking tussen haakjes na), en dat is een ernstige tekortkoming in deze editie van Prometheus, juist omdat de uitgeverij zo kranig aankondigde dat ‘de talloze mythen en leugens’ in Mein Kampf zouden worden ‘ontmaskerd’.

Melching schrijft weleens in een inleiding dat het betreffende hoofdstuk vol ‘fouten, omissies en aperte leugens’ zit, maar wat die leugens dan precies zijn en waar ze staan, blijft gissen voor de lezer.

Die belofte wordt simpelweg niet waargemaakt. Melching schrijft weleens in een inleiding, bijvoorbeeld die op hoofdstuk 9, dat het betreffende hoofdstuk vol ‘fouten, omissies en aperte leugens’ zit, maar wat die leugens dan precies zijn en waar ze staan, blijft gissen voor de lezer.

Ik geef nog een voorbeeld – van de vele: een van de belangrijkste motieven van de Jodenhaat vlak na de Eerste Wereldoorlog was het vooroordeel dat de socialistische en communistische partijen – door Hitler gemakshalve onder de noemer ‘marxistisch’ samengeschaard – uitsluitend door Joden werden geleid. En het waren die partijen die zich tijdens de Eerste Wereldoorlog, vanaf 1917, tegen de rücksichtloze voortzetting van de oorlog hadden gekeerd. Tot grote woede van de Duitse militaire top en een groot deel van de Duitse soldaten en burgers, die de vredesvoorstellen en -demonstraties zagen als een vorm van landverraad. Dit was de voedingsbodem van de bekende ‘dolkstootlegende’, die Melching uiteraard noemt in zijn inleiding, maar zonder de cijfers te vermelden die duidelijk maken waarom deze complottheorie zo effectief was. Er wás namelijk een relatieve oververtegenwoordiging van Joodse Duitsers onder de parlementariërs van de SPD: 10 procent van hen had een Joodse achtergrond, net als veel van de meest zichtbare socialistische en communistische politici: Eduard Bernstein, Rosa Luxemburg, Kurt Eisner en acht van de zevenentwintig regeringsleden van de Münchense radenrepubliek. Karl Marx was Joods.

Cruciale informatie

Er hadden echt geen 3700 voetnoten onder de tekst van Mein Kampf hoeven te staan, zoals in de Duitse editie van het Institut für Zeitgeschichte. Maar als je werkelijk de leugens en verdraaiingen van Hitler in de tekst wilt ontkrachten, moet je wel aangeven wanneer hij liegt en verdraait, wat die leugens precies inhouden, en hoe het werkelijk zat. Simpelweg melden dat er leugens in de tekst staan, is niet voldoende.

Een Duitse commentator schreef dat er eigenlijk maar één voetnoot bij Mein Kampf nodig was: ‘allemaal quatsch’. Zo bont heeft Prometheus het niet gemaakt, maar het scheelt niet veel.

In de aanloop van de Kritische Edition van het Institut für Zeitgeschichte schreef een Duitse commentator dat er eigenlijk maar één voetnoot bij Mein Kampf nodig was: ‘allemaal quatsch’. Zo bont heeft Prometheus het in de Nederlandse editie niet gemaakt, maar het scheelt niet veel.

In de algemene verantwoording aan het begin van de uitgave schrijft Melching dat de 3700 voetnoten in de Duitse editie er stonden bij wijze van ‘cordon sanitaire’, ‘om misbruik door neo-nazi’s en dergelijke te voorkomen.’ Daarmee doet hij de wetenschappelijke waarde van die uitgave, hoe overijverig die ook was om Hitlers betoog te ontkrachten, toch tekort. Honderden voetnoten in de Kritische Edition bevatten wel degelijk cruciale informatie die nodig is om de leugens in Mein Kampf te ontmaskeren en de aantrekkingskracht van Hitlers denkbeelden begrijpelijk te maken. Op diezelfde pagina van de verantwoording geeft Melching nog een argument voor het weglaten van voetnoten in de Nederlandse versie: ‘De meeste feiten en feitjes kunnen ons inziens door de geïnteresseerde lezer tegenwoordig eenvoudig op het internet worden gevonden.’

‘Het internet’: dé betrouwbare bron voor al uw feiten en feitjes! Het is bijna aandoenlijk om nog dit soort vertrouwen in probleemloze digitale informatievergaring aan te treffen.

‘Het internet’: dé betrouwbare bron voor al uw feiten en feitjes! Het is bijna aandoenlijk, om in 2018, na alle ophef over de verkiezingsmanipulatie van Cambridge Analytica, filterbubbels en fact-free politics nog dit soort vertrouwen in probleemloze digitale informatievergaring aan te treffen. Maar laat ik er toch even serieus op ingaan. Stel, ik wil een documentaire over Hitler bekijken en ik type in Google de zoektermen ‘Hitler documentary’ in. Als zesde zoekresultaat krijg ik ‘Adolf Hitler: The Greatest Story Never Told’. IMDB-waardering: 8.0. Dat is vast een goede historische introductie, zal de nietsvermoedende geïnteresseerde bij zichzelf denken, en krijgt vervolgens een zes uur lang durende ontkenning van de Holocaust te zien.

Uitgehold symbool

Juist in deze tijden van ongecontroleerde informatiestromen zijn degelijke, wetenschappelijke annotaties relevanter dan ooit. Feiten worden voortdurend betwist en hebben dus grondige onderbouwing nodig.

Een uitgave van Mein Kampf die daarvan afziet, kan niet wetenschappelijk of zelfs maar kritisch heten, hoe veel hoogleraren er ook in de begeleidingscommissie zaten, en hoe goed de nieuwe vertaling van Mario Molegraaf ook is. Het is doodzonde, want ik ben het volledig met de samenstellers eens dat Mein Kampf een cruciale bron is om de oorzaken van de Tweede Wereldoorlog en de Holocaust te begrijpen. Zeker de helft van Willem Melchings inleidingen zijn helder en goed onderbouwd, maar juist in de hoofdstukken die er echt toe doen, schieten ze te kort en maakt het gemis van verklarende en attenderende voetnoten het onduidelijk voor lezers wáár in de tekst de leugens en verdraaiingen van de werkelijkheid nu precies staan.

Mijn strijd zal bij historisch geïnteresseerde lezers onuitgelezen op de plank verdwijnen.

Het zal niet zozeer tot misbruik leiden van neonazi’s of jihadisten (net zulke gretige afnemers van Hitlers boek). Die vinden hun Hitler-citaten en antisemitische haatzaaierij wel op hetzelfde internet waar de samenstellers van Mijn strijd naar doorverwijzen. Het resultaat zal eerder zijn dat Mijn strijd, juist bij historisch geïnteresseerde lezers die meer willen weten over de oorzaken van de Tweede Wereldoorlog, onuitgelezen op de plank zal verdwijnen, en Mein Kampf zal blijven wat het al zeventig jaar voornamelijk is geweest: een zo langzamerhand uitgehold symbool van het absolute kwaad, ammunitie voor gemakzuchtige vergelijkingen en inhoudsloos gescheld op sociale media. Aan historici de opgave om daar inhoudelijke analyses en grondig onderbouwde feiten tegenover te stellen, en die ambitie hadden de samenstellers van Mijn strijd aanvankelijk ook: om alle leugens van Hitler te ontkrachten, zoals de uitgeverij zelf van tevoren aankondigde. Die belofte is niet waargemaakt.

Ewoud Kieft is schrijver en historicus. Na zijn promotieonderzoek en de publicatie van zijn boek Oorlogsenthousiasme. Europa 1900-1918, werd hij in 2015 door het NIOD gevraagd een inleiding te schrijven voor Mein Kampf en een voorbereidend onderzoek te doen naar annotaties voor een eventuele nieuwe editie. Dit leidde uiteindelijk tot een afzonderlijk boek waarin Kieft Mein Kampf analyseert en in de historische context plaatst van de Eerste Wereldoorlog en de vroege jaren twintig: Het verboden boek. Mein Kampf en de aantrekkingskracht van het nazisme.

Het NIOD zag in 2016 af van de plannen voor een nieuwe editie van Mein Kampf, waarna Mai Spijkers van uitgeverij Prometheus besloot het boek opnieuw te laten vertalen en uit te brengen, geruggesteund door een adviescommissie met daarin NIOD-directeur Frank van Vree, voormalig NIOD-directeur Hans Blom, hoogleraar Duitslandstudies Ton Nijhuis, hoogleraar geschiedenis Wim van den Doel en hoogleraar geschiedenis Emile Schrijver.