Beschouwing / Rake nieuwe vertaling ‘The Waste Land’
Of je er nu van houdt of niet, The Waste Land is een van de grote gedichten van de twintigste eeuw. Al was het maar vanwege die eerste regel, ‘April is the cruellest month’, zo’n zeldzame evergreen waar je zonder context eigenlijk niks van snapt maar die toch in je hoofd blijft hangen. En anders wel omdat de maker van dit alles, T.S. Eliot, tot een van de grootste twintigste-eeuwse auteurs is uitgeroepen én, volgens de invloedrijke criticus Harold Bloom, een van de ‘most overrated’ schrijvers van diezelfde eeuw was. Overschatting… dan moet je toch veel betekend hebben.
Arme, onbuigzame Eliot. Geboren in de Nieuwe Wereld, nota bene St. Louis, Missouri, broeinest van jazz en modernisme, maar wars van al die nieuwigheid naar Europa, meer in het bijzonder het land van zijn verre voorouders, Engeland teruggekeerd en daar opgebloeid als conservatieve cultuurdrager, ‘classicist in literature, royalist in politics, and anglo-catholic in religion’, zoals hij het zelf ooit formuleerde.
Het kon ook andersom, zoals iets later de dichter W.H. Auden aantoonde, door zich van Brits staatsburger tot Amerikaans staatsburger te laten naturaliseren, weg van het oude, stoffige nest. Maar Thomas Stearns Eliot moest van die nieuwe wereld, liever gezegd van die nieuwe cultuur, juist niks hebben. The Waste Land gaat daarover, het is een groot, zij het nou ook weer niet zo heel groot (een kleine 450 regels lang) gedicht over de deplorabele staat van onze westerse cultuur, ‘het barre land’ zoals het in Nederlandse vertaling luidt.
Waarom is april eigenlijk de ‘cruellest’ maand? Omdat-ie zich bevindt tussen de warme deken van de wintersneeuw en de zon van de zomer. Hij belichaamt de rauwe wisseling van de seizoenen en daarmee de onderworpenheid van de mens aan de natuur. Maar in de moderne tijd is dat gevoel langzaam teloorgegaan, de mens heeft de wereld naar zijn hand gezet, en gaat, zoals Marie uit de eerste regels van het gedicht (‘Bin gar keine Russin, stamm’ aus Litauen, echt Deutsch’) ‘’s winters naar het zuiden’. Zo is het, de moderne mens wil altijd zomer.
Dat verdwijnen van de oude wereld en de daarmee samenhangende opkomst van een nieuwe, liefdeloze, steriele wereld, daarover gaat The Waste Land.
Eliot, de steile, preutse neo-christen, stond in poëticis een soort universalisme voor, een boodschap voor allen, vervat in objectieve taal en beelden uit alle hoeken en gaten. Voor hem geen belijdenislyriek, geen autobiografische uitspattingen, geen ideosyncrasieën. Die klassieke instelling spreekt niet alleen uit zo’n algemeen-cultureel onderwerp als de teloorgang van de oude wereld maar ook uit zijn behandeling ervan. In The Waste Land beweegt hij zich, ondanks zijn hang naar beperking en burgerlijk provincialisme, als een wereldburger door alle mogelijke culturen, door heel het oude Europa maar ook langs Alexandrië en verder naar het Oosten, tot het boeddhisme aan toe en het gedicht eindigt nota bene ergens bij de Upanishaden, alwaar een Sanskriet sprekende godheid uit de ruïnes van de verloren gegane wereld opstijgt: ‘Datta. Dayadhvam. Damyata. / Shantih Shantih Shantih.’ Aldus eindigt het gedicht van deze aartsreactionaire dichter op een manier die lezers met new-agegevoelens allicht ook kan bekoren.
The Waste Land lezen is een raar avontuur. Omdat het zich zo ongeremd en soms ook schijnbaar onbestuurd door al die verschillende culturen, tijdperken en taalgebieden beweegt (dat zat in de lucht, zie James Joyce en Ezra Pound), maar ook omdat je bij eerste lezing wel van alles voelt maar per saldo toch weinig begrijpt. Vandaar dat de notenapparaten bij dit gedicht meestal de omvang van het werkstuk zelf ruimschoots overtreffen.
Neem bijvoorbeeld deze passage in het derde deel ‘De Vuurrede’, gesitueerd aan de Theems:
Een rat die zacht sloop door de plantengroei
Sleepte zijn modderbuik over de oever
Toen ik op een winteravond zat te vissen
In het grauwe kanaal achter de gasfabriek
En dacht aan het lot van de vorst, mijn broer,
En de dood van de vorst, mijn vader, voor hem.
Witte lijken naakt op het klamme lage land
En botten op een droog laag vlierinkje,
Die onder rattenpoten rammelen jaar na jaar.
Maar achter mij hoor ik van tijd tot tijd
Geluid van hoorns en auto’s dat in de lente
Sweeney opnieuw naar Mrs. Porter leidt.
Vreemd, dat ontzielde stadslandschap, met ratten, grauwe fabriekswijken, dode vorsten en een man die een bordeel bezoekt; zo was volgens Eliot onze tijd geworden, vuil en gevoelloos.
De boodschap klinkt, vijfentachtig jaar na dato en met heel andere perspectieven als klimaatverandering en computerisering op het programma, allicht wat gedateerd, maar de spreektaal waarin Eliot zich uitsprak is in elk geval nog goed verstaanbaar, al hebben we voor vertaling van al die beelden inmiddels wel een flinke concordantie nodig en kan het ook geen kwaad om The Golden Bough, die antropologische smeltkroes van Sir James George Frazer, in de buurt te houden want die had Eliot, samen met andere cultuurboeken, boven zijn bureau omgekeerd.
In dichterlijk opzicht bewees Eliot, met zijn rabiaat anti-romantische opstelling, wel enigszins zijn gelijk, hij schreef nadrukkelijk niet voor zichzelf of voor een paar lotgenoten over toevallige gevoeligheden, hij schreef voor de eeuwigheid, helder en klassiek, gedichten zoals zeg maar Dante ze had geschreven.
Paul Claes, de jongste vertaler in het Nederlands van The Waste Land, heeft dat goed aangevoeld. Er bestond al een, ook lang niet malse, vertaling van het gedicht, eveneens door een Vlaming, Jan Venderickx, maar Claes overtreft die, zowel qua taalgebruik alsook qua uitleg. Neem de eerste regels, die bij Venderickx luiden:
April is de gruwelijkste maand, ze teelt
Seringen uit het dode land, vermengt
Herinnering en begeren, port
Fletse wortels op met lenteregen.
April is de grimmigste maand, hij wekt
Seringen uit het dode land, vermengt
Herinneringen en verlangen, port
Lome wortels op met lenteregen.
Niks op tegen zolang je Claes niet gelezen hebt, met:
Grimmig voor ‘cruellest’, verlangen voor ‘desire’, loom voor ‘dull’ het is allemaal net iets raker want gedempter en minder romantiserend, meer ‘Eliotic’ heb ik het gevoel.
Ook Claes’ notenapparaat mag er wezen. Normaal gesproken leidt zo’n aanhangsel maar af van de tekst, maar hier is het nu eenmaal onontbeerlijk. De vertaler (samen met Mon Nys) van James Joyces Ulysses voelt zich hier onmiskenbaar als een vis in het water. Neem deze aantekening, bij het onschuldig klinkende regeltje, in het café gericht aan een zekere Lil: ‘Nu, dat Albert terugkomt, maak je wat op.’ Claes voegt eraan toe: ‘De echtgenoot van Lil draagt de naam van de geliefde, maar vroeg gestorven prins-gemaal van koningin Victoria, Albert van Saksen-Coburg-Gotha. Ze hadden zeven kinderen’ en verder ‘De uit de hel van de oorlog teruggekeerde man is een moderne, karikaturale versie van de verrijzende vruchtbaarheidsgod. Hij kan geen leven meer verwekken, omdat zijn vrouw abortus pleegt en verdere seks weigert.’ Wie er op eigen kracht niet uitkomt (en wie komt dat wel?) krijgt dus uitgebreid bijles van Claes.
Het interessantste hoofdstuk in de nieuwe vertaling is ongetwijfeld het laatste waarin de biografische achtergrond van het gedicht behandeld wordt. Als criticus was Eliot, de classicist en objectivist, fel tegen biografische duiding van gedichten, en ook van freudiaanse lezingen moest hij weinig hebben. Maar dat hoeft ons er natuurlijk niet van te weerhouden. In zijn mooie essay over Eliot in zijn bundel Dichters van het avondland merkt Benno Barnard bij bepaalde regels op: ‘Eliots privégehunker en -geworstel is niet de intentie van zijn gedichten; het zijn freudiaanse flarden, halve zinnetjes van een man die in zijn slaap praat.’
Claes gaat dan ook gelukkig onbeschaamd in op die biografische, freudiaanse achtergrond van The Waste Land. Zo identificeert hij het hyacintenmeisje uit het gedicht als de hysterische eerste echtgenote van Eliot, Vivien, die ten slotte in het dolhuis zou overlijden. En de levensonwil bij de bewoners van het barre land weerspiegelt wat hem betreft het gebrek aan wilskracht bij de auteur zelf. Het vreemde, afgetakelde Londen dat Eliot beschreef was niet alleen maar een apocalyptisch visioen maar ook een daadwerkelijke ervaring van de dichter zelf. Eliot had het met andere woorden niet maar toevallig over een cultuur die ten ondergang neigde, hij verbeelde ongemerkt ook de steriliteit en het verval in zijn eigen leven.
In dit verband noemt Claes Eliots essay ‘Virgil and the Christian world’, waarin hij schrijft dat voor een dichter de poëzie ‘het enige middel kan lijken om over zichzelf te spreken zonder zichzelf bloot te geven’. Dat maakt The Waste Land, naast al dat andere tot de soms sappige, en meestal sombere crypto-ontboezeming van een dorre man die niet lekker in het leven stond maar zijn emoties goed wist te verbergen achter een pochet en een zegelring en die in zijn omgeving helder zag wat hij voor de hele wereld hield; ‘Onwezenlijke City / Onder de bruine mist van een wintermiddag’.
T.S. Eliot, ‘Het barre land / The Waste Land’, vertaling, commentaar en nawoord Paul Claes, De Bezige Bij, 226 pagina’s, € 29,90
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.