Politiek / De nieuwe consensus

Na de Tweede Wereldoorlog verschenen verschillende werken waarin ‘de ideologie’ werd doodverklaard. Politiek zou niet meer een kwestie zijn van felle ideologische strijd, maar van het managen van de economie. Wie kijkt naar de Nederlandse politiek in de afgelopen halve eeuw, moet inderdaad concluderen dat de grote tegenstellingen (socialisme versus liberalisme, communisme versus fascisme) zijn verdwenen. Maar bij nadere bestudering blijkt de stelling toch niet helemaal te kloppen. De verschillen tussen de partijen zijn weliswaar minder groot geworden, maar het spectrum in zijn geheel kan wel flink naar links of rechts verschuiven. Van tijd tot tijd verandert de consensus over een bepaald onderwerp – bijvoorbeeld sociale rechtvaardigheid of immigratie – waarop de partijen hun standpunten aanpassen aan de nieuwe consensus. De historicus James Kennedy noemde dit in 2010 de ‘Nederlandse consensuscultuur’. In het essay ‘Radicale bekering’ beschreef hij hoe er in de jaren zestig en na de opkomst van Pim Fortuyn twee vergelijkbare ‘plotselinge, radicale en massale bekeringen en enorme paradigmaverschuivingen’ plaatsvonden. In het eerste geval schoof de consensus op naar links; in het tweede geval naar rechts.

Naar rechts opgeschoven

Kennedy’s observatie ging over culturele thema’s (ethische kwesties en immigratie), maar de consensuscultuur bestaat ook op sociaal-economisch gebied. Dit valt goed te zien in de werdegang van de Nederlandse sociale zekerheid. Dit stelsel ontstond op basis van een consensus tussen alle partijen over het belang van bestaanszekerheid, ondersteund door drie decennia economische groei. De economie ging van het einde van de jaren veertig tot aan de oliecrisis van 1973 in een rechte lijn omhoog, dus de houdbaarheid van het stelsel was geen onderwerp van discussie.

Onder invloed van de economische neergang sloeg de stemming in de jaren tachtig om. Niet bestaanszekerheid, maar houdbaarheid van de kosten stond nu centraal. Door de noodzaak tot saneren ontstond een nieuw ideaal van een kleine overheid en een actieve, participerende burger. Dit is mooi te zien in de publicaties van wetenschappelijke bureaus in de jaren zeventig en tachtig. Nam de liberale Teldersstichting in de jaren zeventig nog de sociaal-liberale filosoof John Rawls als uitgangspunt voor ideeën over een rechtvaardige welvaartsverdeling, tien jaar later omarmde de stichting de ideeën van de libertariër Robert Nozick. De verzorgingsstaat moest een waarborgstaat worden. De sociaal-democratische Wiardi Beckman Stichting had Rawls inmiddels overgenomen als inspiratiebron. In tien jaar tijd was het hele politieke spectrum naar rechts opgeschoven.

Meer maatschappij

Een recent voorbeeld van de Nederlandse consensuscultuur is de bundel Mij een zorg!, over de toekomst van de sociale zekerheid. In dit boekje geven de wetenschappelijke bureaus van alle politieke partijen (behalve van de PVV, die geen wetenschappelijk bureau heeft) hun visie op de moderne verzorgingsstaat. De overeenkomsten tussen de bijdragen zijn opvallend. De praktische ideeën verschillen, maar het gaat dan vooral om het verfijnen van bestaande regels: verkorting en verhoging van de WW (D66), verkorting van de WW, maar niet in tijden van crisis (PvdA), vereenvoudiging van de AOW (CDA), decentralisatie van overheidstaken naar de gemeenten (de meeste partijen).

De grote lijn is in veel gevallen dezelfde. Zo pleiten bijna alle partijen voor ‘meer maatwerk’ en ‘minder bureaucratie’ in de sociale zekerheid. Sinds Fortuyn zijn bureaucratie en grootschaligheid scheldwoorden geworden – de politiek is sindsdien op zoek naar een antwoord op deze problematiek. De partijen steken elkaar naar de kroon in het afwijzen van onpersoonlijke, logge organisaties. Zo stelt D66 een ‘UWV-coach’ voor, die iedere werkloze persoonlijk moet begeleiden bij de zoektocht naar werk. En bijna alle partijen, met uitzondering van de SP en de Partij voor de Dieren, vertellen een middenverhaal. De nieuwe consensus ligt midden tussen overheid en markt, met de nadruk op burgers en ‘hun verbanden’. Het maatschappelijk middenveld is niet langer het exclusieve terrein van de christen-democraten. Vergelijk de volgende citaten: ‘Sociaal-liberalen vertrouwen op de eigen kracht van mensen. (…) Deze eigen kracht van mensen wordt in de discussie over welvaart en welzijn vaak over het hoofd gezien’ (D66). ‘De mogelijkheden en de kracht van de burger en de samenleving zelf zijn het uitgangspunt. De kracht en de zelfredzaamheid van burgers en het vermogen om zelf iets te organiseren zijn onderschat’ (ChristenUnie). ‘Om die verschillende risico’s het hoofd te kunnen bieden zoeken we de kracht in burgers en hun verbanden’ (CDA). ‘De verschillende regelingen met eigen bepalingen maken mensen afhankelijk van het systeem. De eigen kracht van mensen wordt zo ontkend en onderdrukt’ (50Plus). ‘Laat burgers eerst zelf – al dan niet in samenwerking met anderen – naar oplossingen zoeken, alvorens een beroep te doen op het collectief’ (VVD).

Net als bij eerdere grote omwentelingen zijn ook nu weer externe factoren de oorzaak van de gelijkgestemdheid. Ook al worden alle bijdragen in Mij een zorg! verpakt als uit diepe overtuiging voortkomende maatschappijvisies, deze externe factoren zijn toch de voornaamste reden dat de partijen gedwongen zijn deze nieuwe verhalen te ontwikkelen. Een op ideologie of beginselen gebaseerd debat over rechtvaardigheid zullen we de komende tijd dus niet meemaken. De nieuwe consensus ligt al vast.

‘Mij een zorg! De toekomst van de sociale zekerheid’, samengesteld door Sjifra Herschberg, uitgeverij Balans, 176 p., € 14,95