Lees ook In memoriam Max van Weezel (1951-2019) 11 april 2019
Voorwoord

Als iemand een liber amicorum verdient, dan is het Max van Weezel. Wie weleens met hem in Perscentrum Nieuwspoort was, weet hoe geliefd hij is rond het Binnenhof, en hoe geducht zijn reputatie. Zodra hij de sociëteit betreedt, zeulend met zijn onafscheidelijke propvolle tas, wordt hij door Kamerleden, ministers, lobbyisten, polderbestuurders en collegajournalisten niet alleen hartelijk maar ook met ontzag begroet.

Sinds de jaren zeventig is hij al in de Haagse wereld te vinden, in de eerste plaats als politiek redacteur van Vrij Nederland, later ook als presentator van Argos en Met het oog op morgen, en bestuurslid van Nieuwspoort en de NVJ. Max kent iedereen, en iedereen kent Max.

Achter zijn rommelige voorkomen – gekreukte jasjes, rondfladderende papieren, gehannes met iPhone en sigaren – gaan een scherp intellect, een fenomenaal geheugen en een onbevangen belangstelling schuil voor wat politici van alle gezindten beweegt. En weinig journalisten in het Haagse circuit zijn zo genereus als hij: altijd bereid mee te denken of telefoonnummers op te diepen uit één van zijn vele volgekrabbelde notitieboekjes.

Toen Max enige jaren geleden als freelancer verder ging en minder regelmatig voor Vrij Nederland schreef, vreesde hij langzaam in de vergetelheid te raken, maar het tegendeel was het geval. Ook onder de jonge generatie heeft hij inmiddels een cultstatus verworven: als veelvuldig winnaar van Politieke Junkies in De Balie wordt hij aan de bar van het debatcentrum steevast door bewonderende studenten omgeven.

Advertentie

Advertentie

Toen Max in het voorjaar van 2018 geveld werd door een nare ziekte vatten wij het plan op een liber amicorum voor hem samen te stellen. Meteen stroomden de warme bijdragen binnen: van naaste collega’s tot de premier, iedereen deed mee. Met tot resultaat dit kleine monument voor een groot journalist.

De redactie van Vrij Nederland

Meesterinterviewer

Mark Rutte Minister-president

Parlementair journalisten en politici hoeven niet bij elkaar op verjaardagsvisite te komen om toch een wederzijdse band van respect en persoonlijke waardering op te bouwen. Mag ik ons contact zo typeren? Dat woord ‘opbouwen’ moet je overigens letterlijk nemen, want toen ik nog op de lagere school zat werkte jij al bij Vrij Nederland. Ik heb je als beginnend staatssecretaris leren kennen toen jij al een instituut was, dus je begrijpt dat ik in onze eerste gesprekken enige schroom moest overwinnen. Je typeerde me in die beginfase ooit als een ‘dartel veulen’ en zeker in retrospectief zal ik je niet tegenspreken.

Ik bewonder vanaf de allereerste dag je journalistieke vakmanschap. Je bent scherp in je vraagstelling en analyses, maar niet vilein. Je bent goed ingevoerd, maar niet arrogant. Maar bovenal ben je een meesterinterviewer met een geweldig gevoel voor humor. Al die eigenschappen kwamen bijvoorbeeld samen in die geweldige uitzending van Politieke Junkies rond mijn vijftigste verjaardag, waarin je me haarfijn fileerde: ‘van groen rechts naar hardliner naar cultureel conservatief’. Mij is overigens vooral je voorspelling bijgebleven dat ik nog zeker twintig jaar premier zal zijn. Maar dat moet je me maar niet kwalijk nemen.

Ik bewaar de beste herinneringen aan al onze gesprekken. Maar ik heb vooral genoten van de keren dat ik bij jou te gast mocht zijn en jij volgens mij stiekem ook. De rust van de radio leidde vaak tot een ouderwets goed interview, dat volgens mij ook jou als interviewer enorm veel professionele voldoening heeft gegeven. Van mezelf weet ik het heel zeker.

En nu, Max, deze rotziekte. Weet: ik koester de herinnering aan onze gesprekken in deze periode. Het zijn andere gesprekken, persoonlijker, en daardoor nog rijker en mooier. Ik hoop op meer en ik wens jou maximale tijd en levenskracht toe.

Zijn hele ziel en zaligheid

Khadija Arib Voorzitter van de Tweede Kamer

Bij Max vroeg ik me wel eens af: wie was er eerder, Max of de politiek? Ik denk eigenlijk Max, maar dat kan ik helaas niet bewijzen.

Vanaf dag één dat ik in de Tweede Kamer kwam, inmiddels zo’n twintig jaar geleden, was Max er al. Hij is de continue factor en de schakel tussen het heden en verleden in onze parlementaire journalistiek. Politiek is voor hem niet de waan van de dag, maakt niet alleen deel uit van zijn bestaan, maar zijn hele ziel en zaligheid zitten er in.

Zijn politieke analyses, columns, reportages enzovoort staan nooit op zichzelf, maar staan altijd in een historisch perspectief. Hij weet veel en kent iedereen.

Vooral zijn fysieke verschijning op de publieke tribune, ik herkende hem meteen tussen al die honderden mensen, is voor mij niet alleen het signaal dat het debat spannend wordt, maar dat het debat een historische mijlpaal zal worden in onze parlementaire geschiedenis.

Vroeger konden we tot diep in de nacht over de politiek discussiëren en reisden we daarna samen terug naar Amsterdam. Ik uitgeput, Max energiek en vol prachtige verhalen.

max van weezel
Rinus Ferdinandusse, Max van Weezel en Joop van Tijn
Mensch

Sigrid Kaag Minister van Ontwikkelingssamenwerking

Mensch. De innerlijke stem van ons geweten, vertolkt en op papier gedragen in een bewoording die geen antwoord meer behoeft. De scherpe blik, zuivere analyse van het vaak onbekwame dat juist benoemd moet worden, dit is ook voor mij Max van Weezel. Altijd zuiver en sonoor.

Als lezer had ik een enorme bewondering voor hem. Een eerste ontmoeting was voor mij een bijzonder moment. Ook om te bevestigen dat thema’s als tolerantie, respect, het belang van een stem voor fundamentele waarden en normen, nooit mogen worden vergeten of voor lief worden genomen. In zijn aandacht voor de ander, de onbekende, ligt onze menselijkheid.

Als vanouds

Carola Schouten Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit

Max, heel graag werk ik mee aan het mooie initiatief van jouw collega’s om je te bemoedigen in de zware periode die je doormaakt.

Ik vond het fijn je thuis te kunnen bezoeken. Het was mooi te zien hoe we, na een gesprek over je ziekte, te spreken kwamen over dat wat je met ziel en zaligheid doet: de politiek volgen, beschouwen, indringende vragen stellen. Op een open, geïnteresseerde manier. Waarbij je oog houdt voor degene die tegenover je zit. Het was weer als vanouds.

Naast een terugkeer naar je geliefde politieke Den Haag, wens ik je in deze tijd ook innerlijke rust en vrede toe. Weet dat jouw intense wijze van leven en werken voor veel mensen van grote betekenis is. Niet alleen voor de mensen die dichtbij je staan. Door je toewijding in je werk dien je het hele land. Daar heb ik groot respect voor en daar wil je voor bedanken.

Max’ arendsoog

Alexander Pechtold Voormalig leider van deD66

Het is maandag 6 april 2009 als ik licht nerveus aanbel bij Hans van Mierlo thuis aan de Amsterdamse Herengracht. Aan de keukentafel daar zit Max, die me heeft uitgenodigd voor een dubbelinterview met de vader van mijn partij. Dat interview ligt voor mij wat ingewikkeld. Ik moet nog maar afwachten hoe ik er uit kom. Van Mierlo en ik delen een wereldbeeld, maar we zijn van een andere generatie. En kan hij zich ook vinden in de politieke keuzes die ik dagelijks moet maken?

Het is midden op de dag, dus we eten taart en drinken rode wijn. Max ziet dat ik niet helemaal op mijn gemak ben en begint uit de school te klappen. Hij vertelt uitgebreid en genereus over de interviews die hij in het verleden met Van Mierlo heeft gehouden.

Die waren niet altijd gemakkelijk, zegt Max. In een interview kon Van Mierlo, onbelemmerd door enig besef van tijd en ruimte, een betoog afsteken. Maar als zijn woorden waren samengevat en hem ter goedkeuring werden voorgelegd, begon het gevecht tussen journalist en politicus pas echt. Het kwam voor dat Max midden in de nacht gebeld werd.

Hans was ontevreden. Zo kon het niet. Hij wilde het interview intrekken.

Max maakte dan goedmoedig acceptabele aanpassingen. Net zo lang tot Van Mierlo zich senang voelde. Terwijl Max me dit vertelt besef ik: het feit dat hij die tijdrovende exercitie keer op keer toestond spreekt boekdelen over zijn nobele geduld en het belang dat hij hecht aan een aanvaardbare uitkomst. Hij gaat niet alleen voor het lekkere verhaal in het blad, maar ook voor de gemoedsrust van de politicus.

Max is altijd overal. Hij houdt de vinger aan de pols. Hij kent iedereen, kletst met iedereen. De journalistiek is niet alleen zijn werk, het is zijn bestaan. Waar andere journalisten de politiek vaak volgen via de sociale media, weet Max: je moet erbij zijn. Hij is op ieder congres, bij ieder debat. De politiek moet je voelen. Het applaus, de teleurstelling, het gesis: je moet het horen. Het zweet: je moet het ruiken.

Ik zie Max lopen op het Binnenhof. Hij is van een kilometer afstand herkenbaar. Zijn uiterlijk voldoet aan alle verwachtingen van een gelouterd parlementair journalist. Een afgedragen regenjas; een loeizware, uitpuilende tas door een overdaad aan paperassen en sigarenkistjes.

Binnen mijn partij is Max al decennia lang kind aan huis. Hij slaat bijna geen partijcongres over. Ik heb altijd een lastige relatie gehad met twijfelende PvdA’ers, behalve met Max. Dankbaar maak ik gebruik van zijn inzichten en analyses – waarmee ik een traditie volg van mijn voorgangers.

Ik ken Max als een onafhankelijke en oorspronkelijke geest. Zelden laat hij zich verleiden door de hypes van Den Haag, laat staan dat hij zich in de luren laat leggen door de machinaties van de macht. Die eigenschappen zijn ook weleens in mijn voordeel uitgevallen. Toen ik als beginnend minister mijn nieuwe werkplek ‘vuil en vunzig’ noemde, was Max een van de weinigen die mij niet door het slijk haalden. Dat had niets te maken met persoonlijke coulance. Hij doorzag de spelletjes van de schaduwmacht die vooraf gingen aan mijn opmerking en hij houdt zich nu eenmaal liever bezig met wezenlijk nieuws. Bovenal is Max barmhartig en onbevooroordeeld. Hij beschikt over een sterk rechtvaardigheidsgevoel. Zo schreef hij recent een evenwichtig, eerlijk portret over Sigrid Kaag, min of meer als antwoord op het onrecht van de op haar persoon gerichte beschimpingen die zij ontvangt uit extreemrechtse hoek.

Aan Max’ boek over het vorige kabinet heb ik met veel plezier meegewerkt. Ik heb de drukproeven mogen inzien, en nee, ik heb Max nooit uit zijn bed gebeld. Uit het boek blijkt eens te meer hoe jaloersmakend goed Max kan schrijven en met welk arendsoog hij de macht controleert.

Max, jij kunstenaar van het gesproken en geschreven woord, je bent een parel voor de Nederlandse journalistiek en democratie.

Zelfreflectie

Gert-Jan Segers Fractievoorzitter van de ChristenUnie

Mag een politicus eigenlijk wel een bijdrage leveren aan het liber amicorum van een journalist? Of wordt daarmee de professionele distantie doorbroken?

Laat ik deze politieke catechismusvraag maar direct ferm en helder beantwoorden: ja, dat mag. Ik voel namelijk een verwantschap met jou die zich door geen ongeschreven Haagse regel laat ontkennen. Ik bewonder je passie voor de samenleving en je nog grotere liefde voor het politieke debat en politieke besluitvorming. Als jij schrijft, schrijf je met hart en ziel. Omdat je je druk maakt, omdat je een rechtvaardige, vrije samenleving wilt. Omdat dit land en onze wijde omgeving je zo ontzettend aan het hart gaan. Hoewel jouw passie ongeëvenaard is, schept dat toch een band.

Ook de manier waarop jij je vak steeds hebt uitgeoefend, bewonder ik. Andere journalisten die al langer meegaan, zie ik geregeld blasé rondlopen. Die zijn tot een hoogte opgestegen waarvandaan geen gewone vraag aan gewone politici meer te stellen zijn. Jij bent met een oprechte nieuwsgierigheid vragen blijven stellen – in ieder geval aan mij – en bent je blijven verbazen over politieke ontwikkelingen.

Het mooiste aan jou vind ik – wat elders in Den Haag schaars ontwikkeld is – jouw vermogen tot openlijke zelfreflectie. Je hebt je in een breed gelezen en gewaardeerd interview hardop afgevraagd of je tomeloze inzet voor je werk wel goed is geweest en het verschil heeft gemaakt. Je vertelde daarin ook hoe je je ooit met ziel en zaligheid hebt verbonden aan Vrij Nederland en hoe de terugloop in lezers en impact je verdriet deed. Die terugblik op je eigen leven – samen met Anet aan de tv gekluisterd vanwege spanningen in het Midden-Oosten, terwijl er achter jullie ruggen om een kinderfeestje in duigen aan het vallen was – ontroerde me. De eerlijkheid, de herkenning ook.

Bij alles wat verandert – zoals oplagecijfers en nu je gezondheid – is het je warme betrokkenheid op politici en politiek die altijd is gebleven. En het zijn bij mij warme herinneringen aan jouw warme persoonlijke betrokkenheid die me altijd bij zullen blijven.

Max, dank voor je belangstelling, je liefde voor de publieke zaak, je enorme liefde voor je vak en de gretigheid waarmee je dat bent blijven uitoefenen. Dank voor een verbondenheid die sterker is dan een ziekte en zelfs sterker is dan een ogenschijnlijk definitieve verwijdering die dat tot gevolg kan hebben. Het ga je goed!

Mentor Max

Zihni Özdil Tweede Kamerlid voor GroenLinks

Het is 1994 en op de radiocassettespeler van mijn vader luister ik naar een verhit gesprek tussen de gastheer van het programma Het Balkon en een socioloog die net een boek heeft geschreven waarin hij het recht van vrouwen op abortus in twijfel trekt met het argument: het leven is een geschonken wonder, daar vraag ik aandacht voor.

Ik zit op dat moment in de eerste klas van het Erasmiaans Gymnasium. Dat is heel wat voor iemand die uit een arm arbeidersgezin uit Rotterdam-Zuid komt. Een nieuwe wereld, met schoolgenoten die kunstenaars, academici of journalisten als ouders hebben, opent zich.

Ik merk dat ik het geweldig vind om zo’n verhit politiek gesprek te horen op de radio. De journalist in kwestie heet Max van Weezel en de manier waarop hij zijn verantwoordelijkheid neemt door juist niet onder het mom van ‘objectiviteit’ de socioloog in kwestie – Pim Fortuyn – makkelijk weg te laten komen, inspireert.

Sindsdien ben ik een fan van – nee verliefd op – Max. Met zijn charmante sarcasme, erudiete ironie en duizelingwekkende doortastendheid heeft hij unieke kwaliteiten voor de politieke journalistiek. Max vraagt, zaagt altijd door, en toch blijft iedereen dol op hem. Met uitzondering van Pim Fortuyn dan, die al in 1994 elke vorm van kritiek met rancuneuze verontwaardiging afwees.

Jaren later ben ik zelf publicist geworden. Op een gegeven moment word ik voor het eerst op de radio geïnterviewd door Max van Weezel, die ik nog niet eerder had ontmoet. Max heb ik het nooit verteld, maar ik was toen heel zenuwachtig. ‘Max fucking Van Weezel, man. Beter doe je het goed straks,’ mompel ik tegen mezelf. In dat interview voel ik meteen een persoonlijke klik. Hier is een man die passie voor zijn vak belichaamt en ik merk dat ik daar energie van krijg.

Vele interviews met Max later worden we ook nog eens collega’s bij de sectie Zelfstandigen van de journalistenvakbond NVJ. Max neemt me onder zijn vleugels. ‘Zolang de oude garde journalisten een goed inkomen voor de nieuwe generatie journalisten als bedreiging ziet, strijden we een verloren strijd,’ vertrouwt hij me toe als we een keer buiten staan te roken. Vervolgens steken we elkaar de loef af met ironische en sarcastische opmerkingen. Een van ons tweeën, ik weet niet meer wie, concludeerde dat we dus de oude garde journalisten in een Turkse isoleercel moesten opsluiten en de sleutel moesten weggooien.

Als in de lente van 2016 de politiek lonkt, is Max een van de mensen die ik als mentor beschouw en bij wie ik te rade ga. We zitten op een zonnig terras bij de Amstelhoeck. En we praten als Brugman, terwijl ik biertjes achterover tik en hij het bij cola light houdt: ‘Wat verwacht je na dertig jaar dagelijks zuipen met Tweede Kamerleden?,’ legt hij uit.

‘Wat moet ik doen, Max?,’ blijf ik hem vragen. Hij antwoordt steeds: ‘Het is een façade. Een schouwspel vol intriges en messteken. Jij hebt idealen, jongen. Blijf schrijven en de macht bevragen in plaats van er zelf onderdeel van worden.’

Het sublieme aan dat gesprek was dat Max zijn advies liet vergezellen van prachtige anekdotes over wat hij sinds de jaren tachtig als politieke journalist allemaal had meegemaakt in Den Haag, waardoor ik juist wél voor de politiek wilde kiezen. Want uit zijn verhalen bleek dat er achter de façade ontzettend veel gebeurde. In de politiek kun je wel veel bereiken als je ‘het spel’ leert spelen. Gaandeweg het gesprek merkt ook Max dat zijn advies averechts werkt.

‘Blijf altijd jezelf, Zihni,’ sluit hij met nadruk af. ‘Laat jezelf niet opslokken door de Haagse bubbel.’

Linkse samenwerking

Marjolein Moorman Fractievoorzitter PvdA in Amsterdam

We troffen elkaar bij toeval, twaalf jaar geleden in Sydney.

We waren te gast bij een receptie ter ere van de 400-jarige relatie tussen Nederland en Australië. Jij was op rondreis met je dochter Natascha. Ik vergezelde mijn vriend die een radioreportage maakte voor de wereldomroep. We verwonderden ons giechelend over het optreden van Balkenende. Jij een van de bekendste politiek journalisten van Nederland. Ik een politiek groentje, wier politieke ervaring niet verder ging dan het partijlidmaatschap van de PvdA.

Negen jaar later troffen we elkaar weer. Dit keer niet toevallig. Het was op het terras van Dauphine, tegenover het adres van Vrij Nederland. Inmiddels was ik een paar jaar fractievoorzitter van de PvdA Amsterdam. Ik had je uitgenodigd voor een kop koffie. De aanleiding was een boze tweet die jij had gestuurd over de stedenband met Tel Aviv, waar de linkse partijen in de raad kritisch over waren. ‘Kan een Jood in de hoofdstad nog op de PvdA, de SP of GroenLinks stemmen?’, schreef je.

Het werd een goed gesprek. En vanaf dat moment zagen we elkaar regelmatig. Komt er toch nog iets goeds uit het Israëlisch-Palestijns conflict, grapte ik er weleens over. Ik nodigde je uit om de fractie bij te spijkeren over de historische verbondenheid van de sociaaldemocratie met de joodse gemeenschap. Een avond lang vertelde je over Henri Polak, de man aan wie we de achturige werkdag te danken hebben. Over Monne de

Miranda en Emanuel Boekman, die het wethouderssocialisme vorm gaven tussen de twee wereldoorlogen. En over district III van de SDAP, mijn buurt, dat destijds voor meer dan helft uit joodse leden bestond.

15 Maart 2017 zaten we samen tijdenlang aangeslagen op de rand van het podium van de Westerunie, nadat de PvdA een monsterverlies had geleden. ‘Hoe komt het weer goed, Max?’ vroeg ik. ‘Zonder linkse samenwerking wordt het niets,’ antwoordde je.

De afgelopen jaren heb ik heel wat journalisten gesproken, die ik grofweg in twee categorieën kan indelen. De eerste categorie bestaat voornamelijk uit wat jongere journalisten, die het vak beoefenen zoals dat tegenwoordig het meest in zwang is: zogenaamd neutraal en objectief. Wat zich in de praktijk helaas vaak vertaalt in cynische, achterdochtige scoringsdrift.

De tweede categorie wordt steeds zeldzamer, die waarvan jij het prototype bent. Het zijn de journalisten die het vak zien als een manier om de wereld te veranderen. Die zelf hun steentje willen bijdragen aan een rechtvaardiger wereld. Het zijn de journalisten die niet alleen maar luisteren naar politici, maar naar wie geluisterd wordt door politici.

Al werd je zelf soms somber van de vooruitgang die werd geboekt op thema’s waar jij je decennialang mee bezig hield: het Midden-Oosten en linkse samenwerking. In een wekelijkse briefwisseling in Trouw met Natascha schreef je hier vorig jaar over: ‘De linkse samenwerking is er nooit gekomen: PvdA, D66, GroenLinks en SP staken elkaar liever de ogen uit. En vrede in het Midden-Oosten lijkt verder weg dan ooit.’

Max, ik ben bang dat ik weinig grip heb op de vrede in het Midden-Oosten. Maar aan een coalitie met GroenLinks, D66, SP en de PvdA wordt op dit moment hard gewerkt in Amsterdam. En in Den Haag hebben GroenLinks, SP en PvdA nog nooit zo goed samengewerkt. Het zijn belangrijke stappen in de goede richting. Het heeft zin, Max. Houd hoop!

Op stap met Max

Arjan Vliegenthart Wethouder voor de SP in Amsterdam

Het is zondag 18 februari 2018, begin van de middag, als ik met mijn auto de Amstelkade op rijd. Ik kom Max halen, we gaan samen naar Oss. Max is daar gevraagd als gastinterviewer voor Zout, het politiek café dat de SP daar al jaren maandelijks organiseert. En ik ga mee als de door Max geselecteerde geïnterviewde. Samen op pad, vijf kwartier in de auto naar beneden de rivieren.

Vijf kwartier met Max is eigenlijk heel kort. Te kort om de hele stand van zaken van de Amsterdamse politiek en het Binnenhof door te nemen, de mogelijk nieuwe wisselcolumn van Max en Natascha voor Trouw én het nieuwe boek van Anet over Max van der Stoel. Het is kenmerkend voor Max. Max kan volgens mij alleen maar lange gesprekken voeren. Domweg omdat er zoveel te bepraten valt.

Maar Max kan vooral goed luisteren. Een terloopse opmerking in de auto is zomaar het begin van een set vragen in het politiek café anderhalf uur later. Zijn gemompelde excuus: ‘we hebben het interview nog niet voorbereid’ wanneer we Oss binnen rijden, is in dat opzicht kolderiek. Max is altíjd voorbereid. En als hij doet alsof dat niet zo is, is dat hooguit een afleidingspoging.

Die middag zijn de organisatoren van het politiek café onder de indruk van Max. ‘Al onze mensen zouden bij hem in de leer moeten,’ hoor ik iemand zeggen. Max moet dat ook gehoord hebben, maar reageert niet. En hoewel zijn aanstaande, uitgestelde, pensioen elke keer wanneer we elkaar de afgelopen jaren spreken wel even langs komt, heeft Max te veel lol in wat hij doet om echt te kunnen stoppen. Er zijn altijd weer ontwikkelingen die om onderzoek vragen – en er zijn altijd weer mensen die vinden dat Max geknipt is voor het idee dat zij hebben voor een programma, een bijeenkomst of een boek. En dan doet Max gewoon weer mee, waarschijnlijk omdat hij het zelf te leuk vindt.

Soulmates

Ed van Thijn Oud-minister, oud-burgemeester van Amsterdam

Eigenlijk heeft Max de beste typering van onze relatie gegeven. We waren decennia lang soulmates. Op diverse hoogtepunten, zoals bij mijn afscheid van de politiek, voerde jij het woord. Zelfs op de eenzaamste persconferentie die ik ooit heb gehouden over mijn aandeel in het Midden-Oostenoverleg was Max als enige aanwezig. Dat was op de dag dat Srebrenica viel.

Maar Max was niettemin aanwezig. Als enige!

Inderdaad een soulmate.

Boven de materie

Frits Bolkestein Voormalig leider van de VVD

Ik heb uitsluitend goede herinneringen aan Max en gezien de aard van het politieke bedrijf wil dat wat zeggen. Ik begon hem erg vaak te zien toen ik van 1990-1998 fractievoorzitter was. Max was vrijwel altijd in Den Haag, in de Kamer of in Nieuwspoort, dus onze ontmoetingen waren bijkans ontelbaar. Het best leerde ik hem kennen toen hij, samen met Leonard Ornstein, werkte aan mijn biografie Frits Bolkestein, portret van een liberale vrijbuiter, verschenen in 1999. Op regelmatige basis voerde ik daarvoor gesprekken met de heren. Ik vind het niet aangaan een compliment te maken voor een boek waar je zelf het lijdend voorwerp van bent, maar laat ik dat nu eens wél doen. Het is een goed boek, al zullen mijn politieke vijanden daar anders over oordelen.

Max is als journalist een soepele ondervrager, hij is plezierig in de omgang, hij is goed geïnformeerd, je merkt dat hij boven de materie staat, en uitzonderlijk genoeg toont hij geen spoor van afkeer van mij vanwege mijn politieke kleur. Ik ben hem daar dankbaar voor.

Een perfect koppel

Hans Wiegel Voormalig leider van de VVD

Nooit zal ik vergeten dat Max en Joop van Tijn een afscheidsinterview deden toen ik de Haagse politiek verliet, na jaren fractieleider, oppositieleider en minister te zijn geweest.

Ik zou commissaris van de Koningin in Friesland worden en Max en Joop kwamen naar ons huis in Amerongen voor een gesprek. De jongens van Elsevier gingen net weg toen Joop en Max al op de stoep stonden. Joop met een enorme bos bloemen en hij zei heel vals tegen die gasten van Elsevier: ‘Wij weten tenminste hoe het hoort.’ Die gingen heel bedroefd weg.

De toon was meteen gezet voor de twee gesprekken die we voerden. Joop van Tijn speelde de eerste viool, die vond dat prachtig. Vol grappen en geintjes en kleine plagerijen. En Max vulde dat aan, zat vaak met bewondering naar Joop te luisteren. Ze pasten zo goed bij elkaar omdat ze zo verschillend waren, dat viel me altijd op tijdens die gesprekken. Joop liet zich heel erg gelden, Max zat een beetje onderuitgezakt op een stoel, schreef dingen op, stelde af en toe ook vragen.

Het was een perfect koppel, ik verheugde me er altijd op als ze kwamen. Ja, we stonden ideologisch ver van elkaar af. Maar ik vond het lollig dat Max er andere ideeën op na hield, en hij vond dat volgens mij van mij ook. We konden dat heel goed scheiden: je politieke opvattingen en de vraag of je op elkaar gesteld was. En wij waren altijd wel op elkaar gesteld geweest. Als we elkaar tegenkwamen riep ik altijd ‘dag jongeman’ en dan antwoordde hij: ‘dag excellentie’. We kenden natuurlijk wel onze plaats!

Max van Weezel
Dries van Agt, Max van Weezel en Joop van Tijn
Het belang van een wielerwedstrijd

Dries van Agt Oud-premier

Het was een warme dag in juli 1981. We waren (we, dat zijn Joop den Uyl, Jan Terlouw en ik) al maanden en dus met groeiende tegenzin bezig een kabinet te maken. Tot de dag aanbrak dat renners uit de Ronde van Frankrijk (gisteren in triomf gearriveerd op de Champs Elysées in Parijs) naar Boxmeer zouden komen voor een goed betaald aantal rondjes aldaar.

Al maanden voordien had ik de organisatoren van Boxmeer beloofd dat ik dat evenement zou komen afschieten. Maar ja, hoe kon ik wegkomen uit die eindeloze politieke worstelpartij in Den Haag? Ik debiteerde aan mijn medeonderhandelaars de smoes dat ik tussendoor nog wat staatszaken moest afdoen en dat was geloofwaardig, want ik was toen nog een demissionaire bewindsman. Over een paar uur zou ik weer aan de tafel aanschuiven, zegde ik toe.

Toen als de bliksem met de dienstauto naar Boxmeer. Leuke boel daar natuurlijk, allemaal wielrenvriendjes, veel van die snuiters had ik de jaren door persoonlijk leren kennen, biertje na biertje, de lol kon niet op. Na het starten van de ronde bleef ik nog een hele poos hangen. Het zal omtrent half negen zijn geweest dat we in de auto kropen naar den Haag. We, dat wil zeggen behalve de chauffeur en ik ook Joop van Tijn en Max van Weezel van Vrij Nederland: aardige kerels, konden mij politiek ideologisch wel vreten, maar grappen en grollen vulden de conversatie voluit.

De chauffeur had gewoontegetrouw de autoradio aangezet, de zender met nieuwsberichten. Daar kwamen na enige tijd reportages op over de nog steeds niet hervatte kabinetsformatie. Die onderhandelingen zouden in het begin van de avond worden hervat, vertelden verslaggevers, maar het was nog altijd wachten op de terugkeer van die man van het CDA. Die reportages werden frequenter naarmate de tijd steeds verder verstreek. Heel wat verslaggevers maakten hun wrevel over die Van Agt duidelijk hoorbaar. Uiteindelijk namen de berichten van het Binnenhof de toon aan van opsporingsberichten. Dat werd voor mijn journalistieke vrienden in de auto een reuzelol. Zelden heb ik tijdens een autorit zoveel pret gehad.

Bij aankomst in Den Haag trof ik daar – heel begrijpelijk – mijn medeonderhandelaars aan in een staat van opperste knorrigheid. Gezegd moet worden dat niet alleen die avond, maar ook verderop de onderhandelingen nog stroever liepen dan daarvoor al. Zo valt best te betogen dat het aan Boxmeer ligt dat het algemeen verwachte kabinet Den Uyl II er ook toen niet is gekomen.

De muis kreeg nog een staartje. Majesteit Beatrix riep mij op voor een bezoek aan het Paleis, de volgende dag al. Een uitbrander kreeg ik niet, wel in afgemeten bewoordingen de vraag of ik het staatshoofd kon uitleggen hoe je een wielerwedstrijd belangrijker kunt vinden dan besprekingen erop gericht het vaderland te helpen aan een regering in volle bevoegdheid. Op die verbijsterende vraag stokte mij de stem even in de keel maar na enige weifeling bracht ik ten antwoord uit: ‘Dat kan ik u niet uitleggen, Majesteit, want hier stuiten we op het wezenlijke verschil tussen Rome en de Reformatie.

Job Cunctator

Job Cohen Oud-burgemeester van Amsterdam

Mijn eerste grote interview als net aangetreden en in de nationale politiek volstrekt groene staatssecretaris. En dan onder het mes van Max en diens kompaan Leonard. Precies zoals door de wol geverfde journalisten dat doen: eerst koetjes en kalfjes, en dan op het eind zo’n vraag waar je niet behoorlijk uit kunt komen, zeker niet als je daar nog geen enkele ervaring mee hebt. Tja, en dan wordt de kop: Job cunctator.

Later heb ik Max veel beter leren kennen, en ik ben hem enorm gaan waarderen. Hij weet waarover hij het heeft, hij snapt politiek en politici, heeft een eigen mening die hij subtiel inzet. En hij heeft een enorme lol in zijn vak en in de politiek.

Mooi werk, Max.

De nabije Max

Bram Peper Oud-burgemeester van Rotterdam

De afgelopen, ruim vier, decennia heb ik Max – vaak met grote tussenpozen – vele malen gesproken. Mijn Haagse tijd was kort, de zijne heel lang. Van de laatste jaren herinner ik mij een drietal gebeurtenissen.

1. De attente Max. Een aantal jaren geleden belandde ik talloze malen in het ziekenhuis (knie-operaties). Max, toen voorzitter van het Perscentrum Nieuwspoort, nam contact met mij (Poorter) op met de vraag hoe het met mij stond. Dat ontroerde en hielp mij, méér dan hij zich vermoedelijk realiseerde.

2. De Max van de frisse strandlucht. Weer een paar jaar verder ontmoette ik Max en Anet bij het strand van Noordwijk, waar ik een kroonjaar van een vriend vierde. Zij onthulden mij dat zij, meestal in het weekend, daar lange strandwandelingen maakten, even weg uit de drukte van hun geliefde Amsterdam.

3. De behulpzame Max. Vorig jaar januari was Max zo vriendelijk om – op korte termijn – als gespreksleider op te treden, alweer in ‘zijn’ Nieuwspoort, bij de presentatie van een door mij geredigeerd boek over de PvdA. Een partij waarmee hij – op goede gronden – een haat-liefderelatie onderhield. Een partij met veel leuke mensen, maar als partij een ongemakkelijk sujet.

Zijn nabijheid onderhield hij – wat mij betreft – met zijn prachtige omroepstem als een van de presentatoren bij Met het Oog op Morgen, en als onderzoeksjournalist bij Argos.

Hoffelijk en streng

Gerdi Verbeet Oud-voorzitter van de Tweede Kamer

Ik herinner me Max als journalist van Vrij Nederland. Een wonderlijk mengsel van hoffelijkheid en strengheid.

Max is ook tijdens ‘gewone’ gesprekken uit op nieuws en nieuwtjes. Als een van de weinigen is hij daardoor op de hoogte van mijn plan om me te kandideren voor het Kamervoorzitterschap. Veel later laat hij zijn voorkennis doorschemeren in een vriendelijk commentaar: Dat hij het mooi vindt dat er nu een Kamervoorzitter is die er trots voor uitkomt dat haar oma dienstmeisje was. Jaren later blijkt hij een kritisch meedenker bij mijn nieuwe voorzitterschap van het Nationaal Comité 4 en 5 mei. Tijdens het interview voor het NC-magazine stelt hij vragen die tot de dag van vandaag mijn opvattingen en handelen beïnvloeden.

Linkse activist

Wim Meijer Oud-PvdA-politicus

Mijn ontmoeting met Max van Weezel stamt uit de periode eind jaren zeventig. Het was in Nieuwspoort in Den Haag.

Met de woorden ‘dit is mijn nieuwe collega’ introduceerde Joop van Tijn van Vrij Nederland Max van Weezel. Een nog schuchtig ogende linkse activist en gelieerd aan de Communistische partij. ‘Past dat wel bij de oriëntatie van Vrij Nederland’ vroeg ik. ‘We zullen wel zien’ was de reactie van Van Tijn. En we hebben het gezien. In vier decennia heeft Max zich ontwikkeld tot een politiek analist en commentator van grote kwaliteit. Bij uitstek een kenner van de verhoudingen in de politieke partijen. Max behoort definitief bij de top van binnenlandse politieke commentatoren van de laatste halve eeuw.

De dossiervreter

Felix Rottenberg Oud-PvdA-voorzitter en publicist

Max van Weezel is de wijze en wandelende encyclopedie van Vrij Nederland. Ik herinner me zijn debuut als politiek redacteur. Van Weezel hield zich al een poosje in de schaduw van de redactieburelen op als samensteller van de geestige roddelrubriek ‘Het wereldje’.

De krant was een apenrots met een ouderwetse hiërarchie, met senioren als Martin van Amerongen, Igor Cornelissen, Joop van Tijn, Tessel Pollmann, Hans Smits en Rudie van Meurs. Het was niet vanzelfsprekend om daar tussen te komen, Max stond niet vermeld in de colofon. Hij gaf daar niet om, de hoofdredacteur Rinus Ferdinandusse was weliswaar weinig spraakzaam, Van Weezel werd door hem als een talent beschouwd, Max wist dat geduld gehonoreerd zou worden. De andere talentenjager in de VN-redactie, Joop van Tijn, hield Van Weezel nauwlettend in de gaten. En op zijn beurt loerde Van Weezel naar Van Tijn, die altijd iedereen in Nederland aan de telefoon kreeg.

Van Tijn en Van Weezel werden een briljant duo toen zij begin jaren tachtig de Haagse politiek voor VN gingen volgen. Van Weezel droeg dezelfde regenjas als Van Tijn en effende de weg op het Binnenhof voor het duo. Hij voorkwam irritaties door eerder op afspraken te komen – van Tijn was altijd te laat. Hun interviews waren door hun humor een feest om te lezen. Den Uyl, Van Agt en Wiegel bewaarden primeurs voor hen of spraken tot hun eigen verbazing hun mond voorbij. Joop en Max gingen te werk als detectives. Van Weezel was, zoals dat tegenwoordig heet, de dossiervreter, hij kende alle details van de kwestie die bepalend waren. Van Tijn was de charmeur die van een samenspraak met een politicus een samenzwering maakte. Max zette deze werkwijze voort toen hij in de jaren negentig met Leonard Ornstein een duo vormde en later met Margalith Kleijwegt.

Er wordt weleens gezegd dat persoonlijkheden die niet met meel in de mond spreken altijd gedonder krijgen als ze zich laten interviewen, vooral als Max van Weezel op bezoek komt. Van de ruim 150 keer dat hij off en on the record met me heeft gesproken is het één keer misgegaan. Het is zinloos om die desbetreffende sessie te reconstrueren. Ik heb in de loop der jaren, vanaf 1977, zoveel lol met Max beleefd, één keer een beetje gedoe, dat hoort er bij. Ik volsta met te zeggen: Max ik hou van jou!

Tien beelden uit veertig jaar

Andrée van Es Oud-fractievoorzitter van de PSP

1. Op het partijbureau van de PSP vond in een ZAALTJE een bijeenkomst plaats van de PSP-jongeren. Het was ergens in de tweede helft van de jaren zeventig. De opkomst was, zoals in die tijd gebruikelijk, mager. Er was een spreker uitgenodigd. Dat was jij. Jij was bij de Asva en je kwam spreken over de studentenbeweging. Je was nog, of net niet meer, bij de CPN. Ik had gestudeerd in Utrecht en had daar kennisgemaakt met de gestaalde kaders van de USF, de Utrechtse zuster van de Asva. Dus een beetje beducht voor het marxistisch jargon en het dédain voor de rommelige PSP.

Maar jij liet daarvan niet veel merken. Open, geestig en betrokken vertelde je over het studentenactiewezen. Natuurlijk ook een beetje streng richting de afvallige pacifisten.

Eerste ontmoetingen blijven, uitgesproken of niet, vriendschappen en relaties voor het leven kleuren. In elk geval ben ik die bijeenkomst nooit vergeten.

2. Een FOTO van jou en Anet toen jullie trouwden, in een tijd dat vele huwelijken sneuvelden in het strijdgewoel van de jaren zestig en zeventig. Ik had mijzelf bevrijd van het levensframe waarin het huwelijk allesbepalend leek. Ik zag jullie en ik wist: dat kan dus ook, dat je gelijkwaardig en liefdevol kiest voor elkaar en dat ook ritueel bestendigt. Je kunt tegen de stroom in, zelf nadenken, zelf keuzes maken.

3. Een SIGARENDOOSJE, samen met een opschrijfboekje jarenlang jouw attribuut waarmee je rondliep in de Tweede Kamer. We stonden achter de groene gordijnen in de oude vergaderzaal, jij als journalist van VN, ik als Kamerlid van de PSP. Jij wist in mijn ogen alles van wat daar gebeurde, verbaal en non-verbaal. In die jaren bouwde je gestaag aan je informatienetwerk, je kende iedereen. Niet alleen de samenwerking op links, maar ook wat er in het kabinet gebeurde was gesneden koek. Wij deelden ook andere informatie, zoals over onze voorliefde voor eigenlijk te dure kleren.

4. Je MOEDER Carry in de woonkamer van mijn toenmalige benedenbuurvrouw, Bea Polak. Supertrots op je en broodnuchter. Voor mij fijn ook bij anderen hechte familiebanden te zien.

5. JASSENHAKEN op de gang van de Nicolaas Maesschool, waar jullie dochter Natascha kwam en waar ook mijn Julien op zat. We brachten ze naar de klas, hingen hun jassen op en nog veel meer. Enig kind allebei. Wat was het mooi jullie briefwisseling in Trouw te lezen, zoveel jaren, zoveel verdriet later. Dappere dochter met jullie talent. Haar grote Bat Mitswa-feest in Kras met GTST-sterren: wat een lef!

6. Natuurlijk al je VN-STUKKEN, Anne Vondelingprijzen, Joop van Tijn. Daar is een generatie van journalisten, politici, politicologen door gevormd. Ik heb er veel van geleerd. BOEKEN, ook als medeauteur, die ogen openden. Israël, een blanco cheque, is er zo een.

De VPRO-RADIO, beter er niets over te zeggen, dan dat jouw radioloopbaan prachtig is geworden en dat het Oog, Argos, de zondagmiddaguitzending van het Radio 1 Journaal hun onsterfelijkheid mede aan jou hebben te danken.

7. Je reactie na een interview dat ik gaf een jaar na de dood van MAARTEN. Ik zei: even niet opgelet, gelukkig geweest en gedacht dat dat zomaar kon. En jij was daar door geraakt. Tussen veel woorden had je dit er uit gehaald en herkend. Daar ben ik altijd dankbaar voor geweest, want daarmee heb je mee gebouwd aan mijn beschermingsmuurtje in die wonderlijke tijd van openbaar verlies.

8. NIEUWSPOORT, mede door je schoonvader Herman Bleich opgericht. Jij werd er voorzitter van, kon er grappig over mopperen, leidde er tientallen debatten. Je maakte de verandering van de parlementaire pers mee. Vanaf de tijd dat het heel gewoon was achter het groene gordijn te staan tot de discussie over no-go areas voor de parlementaire pers. Je stond te wachten tijdens kabinetsformaties, zat thuis te bellen met jan en alleman, was bij partijcongressen, interviewde iedereen die een rol van betekenis speelde. Maakte vrienden en vijanden. Kon onzichtbaar zijn en o zo aanwezig. Wat ben je goed.

7. Je OPENHARTIGHEID over je leven, je gezondheid, je kind, in interviews: opeens aan de andere kant van de microfoon, bij het opschrijfboekje van een ander. Ook voor jou bleken er grenzen te zijn. We zagen elkaar op het Plein, in Den Haag, vertrouwde plek voor allebei. Er was veertig jaar verstreken sinds die bijeenkomst van de PSP-jongeren.

8. ANET bij een auto in Florida, op je Facebookpagina. Zonder Anet en Natascha gaat het niet.

Een achtenhalf voor sociologie

Uri Rosenthal Bestuurskundige en oud-politicus

Max studeerde begin jaren zeventig politieke en sociale wetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam, ik was afgestudeerd en werkte bij professor Hans Daudt. Het waren de tijden van opperste rode solidariteit. De studenten kregen hun cijfer bij tentamens half-half van de docent en een onderlinge beoordeling. Er waren velen die later goede sier maakten met een op halve kracht verdiende bul en er beter aan hadden gedaan de studie nog eens over te doen. Dit soort wantoestanden waren destijds de aanleiding voor de affaire-Daudt. Ik behoorde tot de Jonge Turken van Daudt die de zaken weer in het gareel wilden brengen. Max stond aan de andere kant.

Ik haalde een paar maanden geleden met Max op de radio herinneringen op aan die roerige tijden in Amsterdam. Max vertelde dat hij bij het werkcollege sociologie over de rol van de arbeidersklasse in songteksten van John Lennon een achtenhalf had gekregen. De docent was links en de studenten waren lief voor elkaar geweest. De achtenhalf was verdiend onder het genot van hasj en een goed glas rode wijn. Met terugwerkende kracht stuitte het mij hevig tegen de borst, maar het was hem achteraf, met zijn prachtige journalistieke werk, graag gegund.

iPhone en sigaren

Thijs Broer Politiek redacteur Vrij Nederland

Vele malen ben ik de afgelopen jaren met Max op pad geweest. Onder het motto: ‘Voorwaarts, maar waarheen?’ reisden we bijvoorbeeld naar Berlijn of Londen, om de neergang of de gedroomde herrijzenis van de sociaaldemocratie te beschrijven.

In Berlijn bleek niet alleen dat Max daar al in de jaren zeventig DDR-dissidenten had geïnterviewd, maar ook dat hij de menukaart van alle deftige restaurants uit zijn hoofd kende, van de Holsteiner Schnitzel in Borchardt tot de Tafelspitz in Kaffee Einstein. In Londen, the Capital of Cool, was Max getuige geweest van de opkomst van New Labour van Tony Blair en Peter Mandelson, en bleek hij alle Britpop-liedjes van Oasis en The Verve mee te kunnen neuriën. Vaker nog togen we samen naar partijcongressen ver weg in de provincie, naar Arnhem, Zwolle of Leeuwarden, waar de zoveelste redder van de PvdA op het schild zou worden gehesen of juist op de grill gelegd, waar het CDA eindelijk weer de weg naar boven zou vinden of waar Jesse Klaver als Jessias zou schitteren voor een publiek van juichende millennials.

Maar het vaakst reisden we naar Den Haag voor grote interviews met politici. In de vroegte stond ik dan onder het viaduct bij Amsterdam Rai op Max te wachten, totdat het kleine zilveren autootje in het drukke verkeer verscheen. Eenmaal op de Ring kwam geregeld de vangrail gevaarlijk dichtbij, omdat een sigarenkistje klem zat tussen stuur en dashboard of omdat Max, de bril op het voorhoofd, een sms’je aan het beantwoorden was op zijn iPhone. Op de radio: golden oldies, van Deep Purple tot de Beach Boys. Onderwijl bespraken we waar we het met de politicus in kwestie over gingen hebben. Ik had braaf een vragenlijst voorbereid, maar Max had het gesprek al in zijn hoofd zonder één aantekening te hebben gemaakt: álles had hij gelezen, de knipsels fladderden onderweg uit zijn propvolle tas. In Den Haag parkeerde Max het autootje in de beveiligde garage onder het Plein, waar hij om geheimzinnige redenen een felbegeerde pas voor had, of aan het Lange Voorhout tegenover Hotel Des Indes, waar hij het beroemde Beraad nog had verslagen dat tot de Paarse kabinetten had geleid. ‘Wie zet zijn auto daar nou neer?’, foeterde Max als we eerst tegen de auto voor, en vervolgens tegen de auto áchter ons botsten. Eenmaal in het werkvertrek van bewindspersoon of fractievoorzitter aangekomen begon hij uitvoerig en grinnikend de laatste roddels uit de Haagse wandelgangen op te dissen, terwijl ik bezorgd op mijn horloge keek: wat kwam er zo van het beoogde interview terecht? Maar de geïnterviewde vond het steevast prachtig om Max over de vloer te krijgen, en begon vervolgens zélf uit de school te klappen. Waarna we ons tevreden naar Perscentrum Nieuwspoort begaven. ‘Wat een práchtig interview,’ riep Max. En dat was het ook, iedere keer weer. Mogen er nog vele volgen.

The Spice Girls

Harm Ede Botje Redacteur Vrij Nederland

Het was begin 1992 toen ik begon als jong verslaggever bij Argos.

Het was de allereerste samenstelling, met Hans Simonse, Gerard Legebeke en ook Max zat in de redactie, dat deed hij naast zijn werk bij Vrij Nederland. Vaak reed ik met Max mee terug in zijn rommelige Volkswagen Golf, waarin hij sigaren rokend achter het stuur zat. We woonden bij elkaar in de buurt, hij op de Amstelkade, ik bij het Van der Helstplein. Tijdens die autoritten leerden we elkaar beter kennen. Max vertelde me over de hoogoplopende conflicten op de VN-redactie, de kwesties die speelden in Den Haag.

Als redacteur bij Vrij Nederland schreef ik af en toe verhalen met Max. Destijds was ik er verbaasd over hoe makkelijk hij schreef, een stuk bijna uit zijn hoofd componeerde, af en toe iets opzocht en dan weer verder. In die beginjaren zat ik nog weleens te worstelen, bij Max in de zijspan was het altijd een feest!

Als ik één ding van Max heb geleerd is het overal naar toe te gaan. De inhuldiging van Ajax, een gemeenteraadsvergadering, een debat in De Balie, een feestje, een borrel, een afscheid: ga er heen, praat met iedereen, is zijn devies. Zorg dat je geïnformeerd bent, weet wat er speelt, op die manier hoor je dingen die in journalistieke munt zijn om te zetten.

Ik zat nog maar net bij VN toen Max en ik samen een stuk schreven over de gemeenteraadsverkiezingen van 1998. Ik sprak met de toenmalige fractievoorzitter in de gemeenteraad Eberhard van der Laan. Hij was uiteindelijk niet tevreden over het stuk, vond dat hij verkeerd was geciteerd. Op de uitslagenavond in het Amsterdamse gemeentehuis, waar Max en ik rondliepen, kwamen we Eberhard tegen. Hij was woedend op míj, en foeterde míj uit, terwijl we het stuk toch echt samen hadden geschreven. Toen de latere burgemeester van Amsterdam was uitgeraasd, draaide hij zich naar Max, sloeg hem enthousiast op de schouders, ze raakten meteen met elkaar in gesprek. Ik was verbijsterd.

Jarenlang bezochten Max en ik samen de sportschool in het Amsterdamse Bos. We spraken nooit af, maar omdat we beiden regelmatige bezoekers waren, kwamen we elkaar vaak tegen. Het beeld van een zwetende Max op de hometrainer, fietsend, met een Hard Rock Café-petje schuin op zijn hoofd zal ik niet snel vergeten. En ook het beeld van Max aan de rand van het zwembad, zijn grote tas met stapels papieren vanzelfsprekend naast de plastic stoel, een grote roze-blauwe Mickey Mouse-handdoek over de schouder, zal me nog lang bij blijven.

Ons bezoek aan het concert van The Spice Girls zal ik niet snel vergeten. Wij met zijn tweeën naar Arnhem, met achter in de auto een nog piepjonge Natascha en Nina de la Parra. We zaten achteraan in de zaal, heel in de verte zagen wij Posh Spice en de andere girls. Meisjes enthousiast, wij vooral verbaasd over de totale spice craze die zich voor onze ogen voltrok.

Max bleef Vrij Nederland trouw, ondanks alle turbulentie van de laatste tijd. Max is niet alleen een geweldige journalist, maar ook een trouw mens, een family man, iemand die er in mijn werkzame leven als journalist altijd is geweest. Nog niet weggaan, Max!

Profetische woorden

Mischa Cohen Redacteur Vrij Nederland

Vrij Nederland las ik al toen ik veertig jaar geleden in dienst trad van het Athenaeum Nieuwscentrum. Maar in dat ‘tehuis voor het nietjesproletariaat’ werd de liefde voor VN een fysieke ervaring.

Elke woensdagochtend werden op het Amsterdamse Spui grote stapels van de nieuwe VN afgeleverd – een oplage van honderdduizend exemplaren lag toen nog binnen bereik. Sinds iets meer dan een jaar publiceerde ook de jonge politicoloog en ex-communist Van Weezel in VN. Hij werd er redacteur in wat wel de ‘gouden tijd van het linkse levensgevoel’ is genoemd. Max sloot aan bij de gideonsbende die het blad spraakmakend volschreef – hij vormde drie jaar later een bijzonder duo met Joop van Tijn – met interviews en onthullingen waarvoor de klanten van het Nieuwscentrum ’s ochtends voor de kassa stonden te dringen. Zijn eerste verhaal, in augustus 1976, ging over de sluiting van Hirsch & Cie, het modepaleis ‘met de bijglans van vergane glorie’ aan het Amsterdamse Leidseplein. Een nazaat van oprichter Sylvain Kahn, schreef de debuterende verslaggever verontwaardigd, wilde het personeel zonder vergoeding ontslaan. Max was dan wel communist-af, maar deze kapitalistische misstand kon hij niet onbeschreven laten.

Dat jaar dat ik hem in het Nieuwscentrum wekelijks las, kwam Max pas goed op stoom. Verhalen over Berufsverbote, de Rote Armee Fraktion – Max interviewde RAF-oprichter Horst Mahler, later een extreemrechtse advocaat – en natuurlijk over ellende bij de sociaaldemocraten. ‘De verlammende,

oppervlakkige, overambitieuze, zeurderige leiding van de PvdA’, die kop was vintage Joop van Tijn, haalde in 1978 de voorpagina. Datzelfde jaar leerden we Max in het Nieuwscentrum van een andere kant kennen toen Ga dan zelf naar Siberië verscheen. Dat boek over ‘linkse intellektuelen (met een k) en de koude oorlog’ was een bewerking van de doctoraalscriptie Hamburgers of kaviaar? die Max samen met Anet had geschreven en het werd een van de zeldzame bestsellers van de Socialistiese (met een ie) Uitgeverij Amsterdam. Toen ik tien jaar later bij Vrij Nederland ging werken, kende ik Max dus als lezer en van reputatie. Al wist ik nog niet hoe aardig en soms zelfs aandoenlijk de man die zo lang wist te overleven in de slangenkuilen aan het Binnenhof en de Raamgracht óók kon zijn.

Het Haagse duo Van Tijn & Van Weezel was inmiddels ontbonden. Max karakteriseerde die samenwerking toen ik hem er veel later naar vroeg als een ‘eindeloze rit in een achtbaan’. Het was alsof Van Tijn tachtig uur in een etmaal stopte. ‘Hij had ook een onbereikbaarheidsprobleem,’ vertelde Max. ‘Ik heb vaak uren tevergeefs op het station op hem staan wachten. Dan ging ik tenslotte maar alleen naar onze afspraak. Maar hij maakte het altijd goed, mijn hele huis staat vol met cadeaus – schilderijen, flessen drank. Of hij kwam om drie uur ’s nachts met de taxi langs om een bos bloemen te brengen voor Anet.’

In mijn begintijd bij VN verscheen Max maar af en toe op de redactie aan de Raamgracht, altijd met zijn overvolle en wijd openstaande loodgieters-tas in de ene en een kruimelend broodje kaas in de andere hand. Hij kwam dan opdagen voor de wekelijkse redactievergadering, voor overleg met de hoofdredactie of om samen met een collega in een geconfisqueerd werkkamertje hevig sigaren rokend aan een opzienbarende Haagse onthulling te werken. Vaak liep dat uit op een knallende ruzie, waarna Max telkens opnieuw en ook steeds weer zonder succes ‘nu definitief’ zijn ontslag bij de hoofdredactie indiende. Vergeleken met die heftige botsingen was het enige verhaal dat we ruim twintig jaar samen schreven een wandelingetje in het park. Het was weliswaar een soort onthulling, maar dan wel een van de minder brisante soort. We verkeerden nog in shock na het overlijden van hoofdredacteur Joop van Tijn – volgens Max ‘mijn leermeester, goeroe, vriend en big brother’ – toen we toegang kregen tot het persoonlijke archief van die andere grote Joop. Den Uyl was tien jaar geleden overleden en nu de sociaaldemocratie op zijn retour was – ja ook toen al – leek het ons goed om royaal te citeren uit de brieven die de laatste echte sociaaldemocratische voorman – bovendien voormalig VN-redacteur – op zijn ziekbed had ontvangen.

Meer dan vijfduizend brieven en kaarten troffen we aan, goed opgeborgen op het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (IISG) in Amsterdam. Den Uyl kon destijds wel wat steun gebruiken, hij maakte zich niet zozeer zorgen over zijn ziekte, maar des te meer over het gebrek aan bezieling en verbeeldingskracht bij de sociaaldemocraten onder Wim Kok. Vanaf zijn ziekbed stuurde hij een brandbrief naar de Tweede Kamerfractie van de PvdA waarin hij zijn aanhang opriep de socialistische beginselen toch vooral hoog te houden. ‘De PvdA heeft in de jaren zeventig gestaan voor een solidaire samenleving, waarin de staat garant zou staan voor solidariteit. Daar moet de PvdA trots op zijn en blijven’. De bijval was groot. Die waarschuwing was veel partijgenoten uit het hart gegrepen: ‘Sinds de puinruimers aan de macht zijn, is er uit het puin een bouwsel ontstaan, waarin de sterken binnen zitten, maar de zwakken buiten staan.’

Profetische woorden, vonden we het destijds. En vinden we nog steeds, toch, Max? Internationale grootheden als Sjimon Peres en Mario Soares lieten van zich horen, net als Nederlandse politici als premier Lubbers (die beloofde voor Den Uyl te zullen bidden) en CPN-leider Ina Brouwer. Maar de meeste post kwam van ‘gewone Nederlanders’ die tijdens zijn politieke loopbaan zijn belangrijkste klankbord waren geweest. Ondertekend door ‘een bijstandsmoeder uit Baarn’, ‘een gepensioneerd CBS-ambtenaartje’, ‘een kleine man’, ‘een eenvoudige huisvrouw’, ‘een gewone burger’, ‘een linkse meid uit het volk’ of ‘zomaar een medemensje’. De meeste stervelingen moeten nog maar afwachten welke warme woorden er na hun dood worden uitgesproken, schreven we, maar Joop den Uyl had het voorrecht dat hij bij leven merkte wat hij voor veel mensen had betekend. ‘Lieve Heer Ome Joop’ stond boven het verhaal dat werd afgedrukt in het Kerstnummer van Vrij Nederland. Voor Max was het niet meer dan een voetnoot in de bibliotheek die hij nog steeds volschrijft over de crisis van de sociaaldemocratie. Maar ikzelf was trots dat ik, al was het niet écht in de Haagse bubbel en al was het eenmalig, een politiek verhaal had mogen schrijven samen met de bijzondere journalist die ik veertig jaar geleden in het Athenaeum Nieuwscentrum leerde kennen.

De wondertas

Xandra Schutte Oud-hoofdredacteur Vrij Nederland

Er zijn rustiger banen denkbaar dan deel uitmaken van de hoofdredactie vanVrij Nederland; samen met jou, Max, was het helemaal enerverend.

Natuurlijk, je kende de beste restaurants van de stad voor het avondlijk overleg, wist dan altijd nog even te vertellen dat Joop van Tijn vooral zo van Japans eten hield omdat de Japanners dan voor hem moesten buigen, of dat je altijd veilig zat als je een fles Brouilly bestelde, ook geleerd van Joop. Je had altijd je dikke wondertas bij je die soms diende als middel waar met een flinke gooi woede mee kon worden gekoeld, maar die veel vaker een onuitputtelijke hoeveelheid nog niet gepubliceerde stukken, tijdschriften van over de hele wereld en krantenknipsels (idem) bleek te bevatten. Jij las namelijk álles – de nog niet gepubliceerde stukken had je heftig van strepen voorzien, in de tijdschriften zaten ezelsoren en krantenstukken waren veelal rafelig uitgescheurd – en je had ook alles paraat. Het kostte soms een tijd ongedurig grabbelen voor je het betreffende stuk uit Ha’aretz, uit Die Zeit of Le Monde uit de wondertas viste, je maakte dan een verstrooide indruk, maar je feitenkennis was fenomenaal. Ik heb nooit met een andere journalist gewerkt die zo breed, zo scherp en zo tot op het laatste moment op de hoogte was als jij. Die kennis bestond ook nooit zomaar uit feitjes, je kon haar zo in een context plaatsen, van duiding voorzien en verknopen met je eigen visie.

Je tas is eigenlijk een mooie metafoor voor het bijzondere evenwicht tussen chaos en orde bij jou. Uiterlijk lijk je misschien chaotisch – al die paperassen door elkaar die je altijd meedroeg, je weerspannige verhouding tot de klok: ik weet nog de keren dat ik in een restaurant op je zat te wachten en de obers mij meewarig drankjes van het huis aanboden – maar in je hoofd was je visie op Vrij Nederland, op de wereld, op wat goede journalistiek is glashelder. Dat evenwicht tussen chaos en orde zag ik in optima forma bij de twee grote gebeurtenissen tijdens onze leiding van ‘de krant’: de moord op Pim Fortuyn en 9/11. Beide keren gebeurde het op deadline-dag. In allerijl stroomden redacteuren samen, ging iedereen aan de slag met zijn of haar stukje van het grote verhaal. En aan het eind was jij er in de zetterij: je tas op tafel, kranten en knipsels die er half uit vielen, de stukken van redacteuren uitgeprint om je heen, je mobieltje afgesteld op de radio, oordopjes in, mensen om je heen die je nog tips wilden geven of je gewoon opjaagden – en binnen de kortste keren, dat wil zeggen: precies over het randje van de verschoven deadline, had je een prachtige analyse gebrouwen van al die ingrediënten, en vooral van je eigen kennis en inzicht.

Lieve Max, ik moet deze weken veel aan je denken, en aan de tijd dat we zo intensief samenwerkten. Ik weet niet eens of ik wel duidelijk genoeg gezegd heb dat het soms vermoeiend maar altijd een heel groot genoegen was om me te laven aan je verhalen, je ervaring, je vakmanschap, je collegialiteit, je chaos en vooral je orde.

Thuis bij de Arafatjes

Leonard Ornstein Oud-redacteur Vrij Nederland

Wat is een ‘echte Max van Weezel’? Geestig, doordacht, licht ironisch en politiek vlijmscherp. Soms bedacht Max woorden en zinnen waarvan er enkele tot het klassieke, Haagse, politieke vocabulaire zijn gaan behoren.

Beroemd is zijn kwalificatie van Hans Alders: de ‘tassendrager van Wim Kok’. Prikkelend, nooit hakken met de botte bijl. Max, journalist met een unieke stijl, in het bezit van een grote dosis politieke mensenkennis, behept met een onnavolgbare ijver en doorzettingsvermogen. Close listening is zijn wapen. Hij hoort wat anderen niet horen. Politieke reconstructies na een nederlaag, gekonkel binnen politieke partijen, de dans om de macht: ik overdrijf niet als ik stel dat Max’ interviews, reportages en analyses van een iconische betekenis zijn voor de parlementaire journalistiek.

Wij waren een duo in de jaren negentig bij Vrij Nederland, een decennium waren we journalistieke compagnons. In Den Haag, maar ook daarbuiten. Onze meest absurdistische avonturen waren de onwezenlijke reizen naar Gaza. Medio 1996 togen Max en ik erheen.

Ons tweede bezoek aan Gaza was het meest hilarisch. We sliepen in een ‘open dak hotel’: wij verbleven op de derde etage. De zes erboven waren nog niet afgebouwd. We togen naar de jonge echtgenote van Yasser Arafat, Suha Arafat, voor een exclusief interview. We wisten toen nog niet dat deze Suha de bankrekeningen van haar man plunderde, en dat was zelfs de PLO te gortig. Inmiddels woont ze in ballingschap in Parijs, maar destijds in Gaza was het nog reuzegezellig. We werden thuis bij de Arafatjes uitgenodigd: een aparte ervaring voor twee joodse jongens uit Amsterdam.

Op de wc hingen foto’s van de kinderoppas van hun dochter Zahwa samen met Hillary Clinton.

Zahwa was een baby en wij, als twee enthousiaste, jonge vaders namen de kleine op schoot. De foto heeft nog jaren bij Max in de boekenkast gestaan.

Maar de allermooiste baby was toch zeker wel Natascha. Nooit heb ik Max gelukkiger gezien dan de dag dat we voor een sjoeldienst in Scheveningen waren ter ere van haar geboorte, in die zomer van 1986. Het vertederde, liefdevolle gezicht, die blik van Max naar zijn Natascha zal me altijd bij blijven. Hij was minstens zo trots op Anet. Max heeft in zijn leven een aantal journalistieke duo’s gevormd, maar er is maar één waarachtig duo: het duo Van Weezel-Bleich.

Veel interviews die we samen maakten, zorgden voor ophef. Of achteraf had de geïnterviewde ‘gedoe’ binnen de eigen partij. Als ik aan onze journalistieke samenwerking denk, zie ik het concept-artikel voor me dat toenmalig minister-president Ruud Lubbers aan ons terug stuurde en waarin hij met een rood pennetje in de kantlijn zeker zestig opmerkingen had neergepend; of we die allemaal wilden overnemen. ‘Dan pas zou het een beetje aardig artikel worden’. Uiteindelijk zagen zowel Lubbers als wij de humor van het door de premier eigenhandig ‘herschreven’ interview in en moesten we er alledrie om lachen.

En dan was er de serie Aftellen. Een serie waarin we het kabinet-Lubbers III kritisch onder de loep namen. Hoe lang zou het duren voor het kabinet zou vallen? We begrepen dat de minister-president op woensdag de columnachtige rubriek liet doorfaxen (we spreken hier over het pre-e-mailtijdperk), omdat hij eerder dan de rest (de abonnees op donderdag) wilde weten wat er in stond. De rubriek kon eindeloos lang doorgaan, want uiteindelijk zou het kabinet Lubbers III (1989-1994) twintig jaar lang het record houden van het langst zittende kabinet.

We hadden samen een geweldig gesprek met CDA-fractievoorzitter Bert de Vries en Enneüs Heerma, twee aparte interviews over de opvolging van Lubbers in het kerstnummer. Tijdens het gesprek met De Vries vielen we bijna in slaap, we schreven toch alles op en toen we thuiskwamen en teruglazen wat hij werkelijk gezegd was duidelijk dat we journalistiek goud in handen hadden. Ik herinner me VVD-staatssecretaris Albert Jan Evenhuis. Die was weggestuurd na een of andere affaire. We reisden in alle vroegte naar Drenthe en zaten de volgende ochtend met de kinderen Evenhuis beneden koffie te drinken. Evenhuis lag boven de kater van het aftreden te verwerken en kwam niet meer naar beneden. Hij beloofde een exclusief interview – dat er nooit is gekomen. Gedenkwaardig waren de ritten van Den Haag naar Amsterdam, waarin Hans van Mierlo mee terugreed met ons en hij met veel gevoel voor dramatiek en verontwaardiging op PvdA-politici afgaf, die hem volgens hem in de steek hadden gelaten. Hans en Max waren dol op elkaar.

Soms was het zwaar als ik op maandagavond weer eens in een kamer van twee bij twee op de Raamgracht totaal beneveld door de sigarettenrook Max ontwaarde, die begonnen was met het schrijven van ons artikel, de deadline naderde. Heftige discussies hadden we, en soms kibbelden we over niks. Maar altijd was er respect en was er diep in de maandagnacht weer een verhaal af. Van Max heb ik zoveel geleerd. De ijzeren wet: negen bronnen zeggen hetzelfde, maar juist die ene andere bron kon de waarheid vertellen. Hoe je een politicus nooit met een zwaard, maar altijd met een floret moet aanvallen. Dat eerlijkheid en betrouwbaarheid de hoogste waarden zijn. Een andere wet van Max luidt: dat politici nog zo boos op je kunnen zijn, het komt bijna altijd weer goed, want ze hebben je nodig. Naast een steengoede journalist, is Max ook een royale vriend. Eentje die je trakteert op de lekkerste drankjes, en die je prachtige boeken cadeau doet. We hebben zoveel gelachen, gediscussieerd en geschreven.

Max heeft ook nog een onvermoede rol gespeeld in mijn leven: hij was het die mij aan mijn latere vrouw Larissa voorstelde op een politieke bijeenkomst met Theo van Gogh. Ik had nog nooit van haar gehoord. Ze was voorzitter van de LSVB. Max kende alle studentenleiders vanaf 1965 persoonlijk. Max had een grote liefde voor de studentenbeweging. Daar lagen zijn politieke wortels en altijd als er weer een nieuwe generatie studentenleiders was gekozen, was Max de eerste die met ze ging koffiedrinken en die nooit te beroerd was om zijn politieke tips en adviezen met ze te delen.

En altijd weer was daar zijn verdriet dat hij een jaar te laat was gaan studeren, want anders had hij ongetwijfeld deel uitgemaakt van de Maagdenhuisbezetting.

Hoewel Max begonnen was bij de CPN en een links hart heeft, is er geen journalist die zo het vertrouwen van alle richtingen in de politiek heeft weten te winnen.

Rijlessen

Margalith Kleijwegt Oud-redacteur Vrij Nederland

Natuurlijk, we hebben allemaal veel van Max geleerd, bijvoorbeeld hoe je je moet voorbereiden op een interview, namelijk heel breed, alles lezen, hoe je structuur aanbrengt in een stuk, hou de redenering logisch, dat je nooit ‘mensen’ mag schrijven, want wie bedoel je daar precies mee?, dat je in een betoog niet twee maar drie voorbeelden moet geven, dat klinkt lekkerder, en dat het van God gegeven beroep journalistiek het belangrijkste is in het leven en dat werk dus altijd voorgaat.

Toch durf ik te beweren dat ik Max ook iets heb geleerd, misschien kunnen we zelfs spreken van een ‘life changer’: ik heb Max namelijk leren autorijden. Nu zullen jullie zeggen: ah, nu begrijp ik waarom hij zo gevaarlijk langzaam op de snelweg rijdt, of net iets te vaak een verkeersheuvel schampt (sorry Max, maar twee voorbeelden). Maar die soms verontrustende uitkomst van mijn maandenlange begeleiding zie ik inmiddels toch ook als zijn eigen verantwoordelijkheid en hijzelf zal dat vermoedelijk niet tegenspreken.

Max was al ver in de dertig toen hij met zijn rijlessen begon en wij oefenden tussendoor in de buurt bij Abcoude in mijn auto. Een allesbepalend interview met de minister-president was een peulenschil vergeleken bij het temmen van een auto voor Max. Ook al vindt hij autorijden heerlijk, want ontspannend, hij schrikt van alles dat hij als onverwacht beschouwt. Als de weg bij Abcoude een slinger maakte, zag Max dat soms wat aan de late kant, de ene keer belandden we bijna in het water van het Gein, de andere keer stonden we vast in het weiland. Was nooit de schuld van Max, maar van die veel te plotselinge bocht of van die belachelijk hoog uitstekende grasspriet. Vrolijk reden we verder, pratend over een mogelijke radiocarrière die toen op beginnen stond. En omdat ik ooit in het programma Met het Oog op Morgen, voor de rubriek De Krant van Morgen, korte tekstjes had voorgelezen, stelde ik voor om hem daar ook in te trainen. Dat deden we niet tijdens de autorijles, maar bij Vrij Nederland of in het café, dat weet ik niet meer – Max vast nog wel met zijn ijzeren geheugen. Wel weet ik nog dat hij heel mooi voorlas met die prachtige stem, maar nuffig had ik toch altijd wel een op- of aanmerking die hij dan braaf noteerde.

Hij introduceerde me in de wereld van de macht, de politiek, ik nam hem mee naar de haarvaten van de samenleving, naar ‘de gewone man’. We werkten hard, maar hadden vooral heel veel plezier. Samen besloten we in het kader van de oprukkende mediacratie ook een keer over de Bekende Nederlander te schrijven en de tol van de roem. Een serie verhalen die later uitmondde in het boek Op tv of roemloos ten onder.

En daar zaten we dan, in een beduimeld achterzaaltje van restaurant De Baron in Woerden. Tussen de uit het hele land bijeen gekomen fans van Chazia Mourali, toen presentatrice van allerlei programma’s en quizzen. We hadden ons aangemeld voor haar jaarlijkse fanclubdag. Eerlijk is eerlijk, we waren een beetje giechelig en Chazia schrok zich dan ook ongelukkig toen ze Max, die ze kende, tussen haar fans zag zitten. Wat deed die gevierde Haagse journalist daar tussen haar smachtende fans? Kwam hij haar of haar fans belachelijk maken?

Haar zorg was niet terecht, want wie Max ook voor zich had, of het nu Luc en Sjoerdje uit Almere waren, minister Ernst Hirsch Ballin die via een interview met Max en mij het monster Wilders wilde uitschakelen, Ruud, de knuffelbeer uit Big Brother die aan de bedelstaf dreigde te raken of Chazia Mourali vlak voor haar retour, Max toont altijd een welgemeend en diep respect voor zijn gesprekspartners.

Anderen wisten altijd beter hoe te leven dan hijzelf, leek hij te denken. En van iedereen stak hij wat op. Die bescheiden en milde benadering stelde de ander gerust en zo werd die houding onbedoeld heel effectief. Omdat hij zich open stelde, deed de ander dat ook. Ruud uit Big Brother vertelde met tranen in zijn ogen hoe zijn tijd van roem in een hel veranderde, omdat niemand nog in hem geïnteresseerd was, zijn relatie klapte en hij een uitkering moest aanvragen. Op zo’n moment knikte Max begrijpend, om zich in stilte meteen opgelucht te realiseren dat zijn leven er beduidend beter voor stond. En toen Piet Hein Donner, destijds minister van Justitie, tijdens een interview met ons zei dat als twee derde van alle Nederlanders morgen de sharia zou willen invoeren dat natuurlijk gefaciliteerd moest worden, knikte Max weer begrijpend en vroeg hem deze bewering nog één keer te herhalen, iets dat Donner bijna gretig en met overtuiging deed. Dit nieuws domineerde vervolgens dagen – zo niet weken – de media, die er met gevoel voor nuance van maakten dat Donner voor invoering van de sharia was.

Max genoot.

Met Max werken is een feest, oké, soms is hij humeurig, en heel af en toe te laat, maar meestal is hij gezellig, geestig, genereus en bovenal loyaal. Ik mis die samenwerking die de basis vormde van een hechte, dierbare vriendschap, enorm sinds ik weg ben bij Vrij Nederland.

22- and counting

Wilma Borgman Verslaggever Den Haag voor de NOS

Hoe het zo kwam? Misschien was het toeval – ik ging de dinsdagse Oog-bijdragen vanuit Den Haag doen en Max was op hoogtijdagen het liefst de presentator – want zomaar ineens werden wij, Max van Weezel en Wilma Borgman, een interviewduo.

Met bijzondere duo’s te gast: Jeanine Hennis en Lodewijk Asscher, Klaas Dijkhoff en Ard van der Steur, Carola Schouten en Wouter Koolmees. Diederik Samsom en Lodewijk Asscher tegelijk (Ja. Het enige interview ooit met die twee samen, met dat onvergetelijke moment dat Asscher de werkgelegenheidscijfers op tafel kieperde, weet je nog? Want jij had een verhaal geschreven met als kop ‘Waar blijven de banen, Lodewijk?’ en zijn antwoord kwam tijdens de opname van dat gesprek! ‘Nou, dáár dus!’ Je had de tegenwoordigheid van geest en de cijfers paraat voor een al even onvergetelijke reactie). En daarna interviewden we álle ministers van het kabinet Rutte II en ook nog wat staatssecretarissen.

(Behalve, jaha, je hebt gelijk, níét Jetta Klijnsma). We déden het gewoon, want ja, ik had dit bedacht voor het Oog, het Oog wilde het graag en dan is het wel een feest om samen met jou te interviewen.

Na de zomer, als je beter bent Max, gaan we samen het wekelijkse gesprek met de minister-president doen voor het Oog en ook dat lijkt me fijn.

Tweeëntwintig keer zaten we samen tegenover een minister of staatssecretaris in die bijzondere serie interviews over Rutte II. Ik maakte een opzet en jij zette de puntjes op de i. Net zoals je dat deed in ons boek, dat me nu al zo dierbaar is en dat er zonder jou nooit zou zijn gekomen.

Als je al kritiek had op wat ik had bedacht formuleerde je die zo bedachtzaam, behoedzaam.

Je bleek over wonderbaarlijke relaties te beschikken, een PvdA’er die ingewikkelde voorwaarden stelde bleek voor jou zomaar plooibaar en organiseerbaar.

Vaak waren de gesprekken te interessant voor dat kwartiertje. Met Klaas Dijkhoff hadden we een half uur opgenomen – jij was bezorgd, wat zou de eindredacteur er wel niet van vinden. Hoe kregen we die dertig minuten teruggebracht tot een kwartier? Maar ik stampte daar overheen en wist zeker dat ik de resterende achttien minuten de uitzending in zou praten.

Altijd weet je de doeltreffendste vragen te stellen, de goede gasten te vinden, de juiste conclusies te trekken, het ultieme overzicht te houden. Even ademhalen als de rest juist buiten adem is. En vooral: de ontspannen sfeer te zoeken, die politici verleidt tot openhartigheid.

Max – nooit meer laat je schaterende lach me los, of je uitpuilende tas waar wonderlijk genoeg altijd precies het goede citaat uit tevoorschijn komt. Je chaotische georganiseerdheid, of misschien meer je georganiseerde chaos: je was dan wel – naar mijn dwangmatige smaak net iets te precies – op tijd, maar je wist alles en had alles onder controle.

Voor mij is het belangrijkste Maxwoord ‘zacht’: je zachtmoedigheid, je zachtaardigheid. En voor de toekomst: ik hoop dat jou evenveel zachtheid wordt betracht als jij anderen hebt laten zien.

Ik duim ervoor.

En dan gaan we gewoon vanaf september elke vrijdag de MP doen, ok?

Groot nieuws

Huub Jaspers Redacteur Argos

Kleider machen Leute. Als dit Duitse gezegde zou kloppen, zou er met jou, sorry dat ik het moet zeggen, in politiek Den Haag niet veel winst te behalen zijn. Maar er klopt natuurlijk helemaal niets van deze tegeltjeswijsheid.

Ik herinner me verschillende interviews met oud-ministers die ik samen met jou deed. En dat werkte wonderbaarlijk. Het was alsof jouw aanwezigheid alleen al deuren opende die anders nooit open zouden gaan.

Ik denk met heel veel plezier terug aan ons interview met Ernst Hirsch Ballin op de universiteit in Tilburg. Maar het meest duidelijke voorbeeld is toch wel Klaas de Vries. Hem wilde ik op een gegeven moment graag interviewen over de inval in Irak en met name over de weigering van toenmalig premier Balkenende om een onderzoek in te stellen naar de Nederlandse steun aan die inval. De Vries – destijds senator voor regeringspartij PvdA – was daar woest over en had een waslijst aan Kamervragen ingediend. Toch wist ik: De Vries interviewen is geen makkie. Hij had me enkele jaren eerder een keer de deur gewezen, omdat mijn vragen hem niet bevielen. ‘Als je niet in staat bent om een fatsoenlijk gesprek te voeren, laat dan maar zitten,’ zei hij al na enkele minuten en liep geïrriteerd weg. Een paar weken later mocht ik dan wel terugkomen en uiteindelijk lukte het interview ook. Maar met horten en stoten. Het werd geen mooi gesprek.

Ik wilde niet nog een keer zoiets meemaken en dacht: misschien helpt het als ik het interview samen met Max doe. Gelukkig vond jij dit ook een goed idee. En dit deed – en nu overdrijf ik niet – wonderen. Het werd een prachtig gesprek met een vurige Klaas de Vries, zoals ik hem nog nooit eerder had gehoord. Eigenlijk was het interview bedoeld als bescheiden onderdeel van een Argos-uitzending met veel meer sprekers. Maar het was zo mooi dat we al op de terugweg vanuit Den Haag in overleg met eindredacteur Kees van den Bosch besloten om het als apart interview te gaan uitzenden. Dat deden we op 6 december 2008. We maakten er groot nieuws mee. Wekenlang werd het interview in kranten aangehaald. Het was een van de druppels die de emmer deden overlopen en die Balkenende ertoe bracht in januari 2009 te besluiten de Commissie Davids in het leven te roepen.

Ik durf het niet te stellen en ik wil ook zeker de rol van collega Joost Oranje niet tekort doen, maar ik zou het best een keer aan Jan Peter Balkenende willen vragen: zou er zonder Max van Weezel ooit een Commissie Davids zijn gekomen?

Politiek Dier

Dini Bangma Producer Argos

Ik heb Max voor het eerst ontmoet in Het Gebouw, ik denk ergens rond 1985. Hij had samen met Leonard Ornstein een politieke rubriek, De Afloop, of iets anders, dat doet er eigenlijk niet toe.

Wat er toe deed was dat hij met Leonard de bovenverdieping van Het Gebouw, een fameus totaal (radio) programma dat een hele dag duurde, betrad. Beide heren hadden hun voorkeur laten vallen op de afdeling Buitenland, een mooie lichte ruimte aan de voorkant, grenzend aan een balkon. Er werkten daar zes mensen, ieder aan een eigen bureau. Max en Leonard vonden dat fijn, die eigen bureaus. Zonder aarzelen streken ze achter een bureau neer – toen de bewoner daarvan net even naar de wc was – en ze begonnen te oreren, debatteren, overleggen, overschreeuwen, te lachen, brede gebaren makend.

Ik bekeek het met groot ontzag, Echte Journalisten, Echte Politieke Dieren. Ik ben opgegroeid met Vrij Nederland en dan deze twee godheden kunnen zien terwijl ze tot hun creatie kwamen – ik vertelde er weleens vol bewondering over aan mijn vader.

Haha, Max moet toen niet ouder geweest zijn dan begin dertig! Max is nu iets over midden zestig en ik heb nog steeds grote bewondering voor hem. Maar nu weet ik dat hij een zachtmoedig mens is, bescheiden, ja bescheiden en dat hij graag advies aanneemt van mij (over zijn haar en uiterlijk, verder heb ik niets in te brengen). Max is een lieve man, met oog voor de kleine mensen en ik ben helemaal niet meer bang voor hem! Max is een Mensch.

Het cijferslot

Kees van den Bosch Eindredacteur Argos

Argos bestond tien jaar, dus het moet in 2002 geweest zijn. Hoofdredacteur radio Kees Schaepman en Gerard Legebeke, eindredacteur van Argos, hadden een afspraak gemaakt met de voor mij beroemde journalist Max van Weezel. Bekend als presentator bij het Radio 1 Journaal, maar meer nog een naam waarin op de achtergrond de geschiedenis van VN weerklonk. Kees, Gerard en ik zouden samen met Max een discussie over de stand van zaken in de onderzoeksjournalistiek voorbereiden.

Om 5 uur, een uur nadat we afgesproken hadden, nog geen teken van Max. Ik herinner me ook geen berichtje of zo, de blik van Kees Schaepman sprak boekdelen: Max komt wel. Max komt altijd te laat.

Ineens was hij er. Met een nieuwe tas. Met een cijferslot en, dat was een probleempje, Max was het nummer van dat slot vergeten. En in die tas zaten zijn aantekenblok en pen en weet ik wat voor belangrijke dingen nog meer. In elk geval: die tas moest open.

Terwijl Gerard, Kees en ik onze ideeën ventileerden over een discussie over de onderzoeksjournalistiek praatte Max vrolijk mee, maar onderwijl was hij toch vooral bezig om alle cijfers tussen nul en 1.000 te proberen. Eentje zou toch het goede moeten zijn.

Later heb ik gemerkt dat dat de speciale manier is van Max om zich te concentreren. Enorm veel aandacht voor ogenschijnlijke bijzaken om dan, als de rode studiolamp gaat branden, geconcentreerd, rustig en met innemende stem de discussie te leiden.

De tweede ontmoeting was in restaurant Dauphine. Gerard Legebeke was een paar weken eerder plotseling overleden. Huub Jaspers en ik namen de eindredactie over van een gewonde redactie en, alsof dat al niet moeilijk genoeg was, begonnen we ook net met Argos, voor het eerst na zestien jaar, als zelfstandig programma op Radio 1. Tot dan toe waren we onderdeel van De Ochtenden op vrijdagochtend, maar nu kregen we een uur zendtijd, zaterdag om 12.00 uur, na Kamerbreed. En bij een eigen uur hoort een presentator. Kees Schaepman had Max voorgesteld. En Huub en ik zaten in Dauphine te wachten tot de grote meester kwam.

Iets te laat natuurlijk.

Het werd een voor mij gedenkwaardig gesprek. Max werd de eerste en tot nog toe enige vaste presentator van Argos. En wat zijn we blij met dit gerenommeerde visitekaartje, deze journalist in al zijn poriën, de man met de vele contacten, die van politici dingen weet die hun eigen partners nog niet eens weten. En nog eens aardig ook.

Dat aardige weet Max overigens goed te verbergen als hij zaterdagochtend aankomt in de NOS-studio. In de stress van de voorbereiding moppert hij, terwijl hij een overvolle tas op tafel slingert, dat de presentatieteksten weer eens veel te laat – vannacht om drie uur! – binnenkwamen en dan ook nog in een format dat een normaal mens met een iPad niet eens kan openen. En als het dan eindelijk opent, dan staan er zoveel vragen in dat hij er de zendtijd tot 11 uur ’s avonds gemakkelijk mee kan vullen als dat nodig mocht zijn.

Tussendoor kletst Max gezellig met Kees Boonman, met een passerende redacteur van het Oog, de technici en de gasten van Kamerbreed die ook net aankomen en allemaal enorm goed bevriend zijn met hem. Af en toe gaat de telefoon of verstuurt hij een enkel WhatsAppje. En, o ja, als we vraag 13 schrappen en die komma daar in een punt veranderen, dan lukt het wel.

De rode lamp gaat aan. En daar zit weer uw beminnelijke gastheer, de rust zelve, met warme stem presenteert hij úw onderzoeksprogramma op radio 1.

Een goede stem

Corinne Hegeman Eindredacteur Buitenhof

Max is voor mij synoniem met In de Rooie Haan, ooit het boegbeeld vande VARA-radio. Een beroemd programma waar destijds – we kunnen het ons nu bijna niet meer voorstellen – zo’n 700.000 mensen naar luisterden.

We schrijven 1985: Max van Weezel de opvolger van Paul Witteman? Voor mij als eindredacteur van In de Rooie Haan de ideale presentator: een wandelend archief, een netwerk waar je u tegen zegt, en natuurlijk dat bijzondere fingerspitzengefühl.

Kortom: Max moest het worden. Om mij heen regeerde scepsis: ‘Zonder radio-ervaring dit live programma laten presenteren: waar begin je aan?’ Maar ik zette door: een goede stem en zoveel kennis, dat kon niet mis gaan.

Met bewondering zag ik hoe Max de valkuilen van live radio wist op te vangen. René van der Linden, toenmalig staatssecretaris van Buitenlandse Zaken, uiteindelijk geofferd in de Paspoortaffaire, kwam in de uitzending plotseling aan met nieuwe – voor ons op dat moment oncontroleerbare – informatie. ‘Us Reneeke’ had ons tuk. In een flits keken we elkaar aan, maar Max herpakte zich en pareerde met humor en doorvragen. Die buitenuitzending in Maastricht: ze staat nog steeds op mijn netvlies.

Denkend aan Max zie ik ook die onafscheidelijke bruinleren tas volgepropt met kranten en andere papieren. Een collega met essentiële adviezen zoals: zet je geïnterviewde nooit helemaal klem, laat hem in zijn waarde. Een wijze les – zoals hij er altijd bij vertelde – van zijn grote voorbeeld Joop van Tijn. Ook dit is typisch Max: ere wie ere toekomt.

De samenwerking bij In de Rooie Haan legde de basis voor onze jarenlange vriendschap: Max betrok mij bij het VPRO-radioprogramma Nieuwsberichten en daarna werkten we samen bij het Radio 1 Journaal.

Als eindredacteur van Buitenhof was de Beethovenstraat onze vaste ontmoetingsplek. Of maandagochtend bij Tofani op de Nieuwmarkt, met nog altijd die grote uitpuilende openstaande tas. Er was maar één gespreksonderwerp: de journalistiek en de politieke televisiejournalistiek in het bijzonder. We hadden felle discussies over de opkomst van de infotainment in de talkshows en het einde van het serieuze politieke solo-interview.

De talkshow met dagelijkse frequentie was de toekomst: een wekelijks programma kon daar niet tegenop, was zijn stelling. Die sessies waren altijd leerzaam, vriendschappelijk en met waardering over en weer. En ook de laatste jaren als we elkaar tegenkwamen hadden we altijd een gesprek over het vak, die constante factor in zijn leven.

Max: een aardig mens en een journalist van de buitencategorie!

Ons broodnodige ‘linkse geluid’

Esther Voet Hoofdredacteur Nieuw Israëlietisch Weekblad

De eerste keer dat we elkaar ontmoetten was in het rookhol van Nieuwspoort. Jij als éminence grise, ik als directeur CIDI.

We babbelden wat en de sfeer was meteen vriendschappelijk, hoewel we beiden weten dat we uit verschillende politieke achtergronden komen. Je kennis van de politiek, opgebouwd door jarenlange ervaring, is ongeëve- naard. Je hebt iets vaderlijks. Een stem ook, die een onderstroom heeft met de boodschap: het komt wel goed, hoewel we daar inmiddels allebei onze ernstige twijfels over hebben. De laatste tijd schreef je als columnist voor het NIW. Altijd op tijd, we hoefden nooit te bellen met de vraag waar je opinie bleef. Vaste onderwerp: Trump. Je was het broodnodige ‘linkse geluid’ dat we in het NIW nodig hebben, want álle Joodse meningen – en dat zijn er nogal wat – horen bij ons te worden gehoord. In die columns was even niets terug te vinden van de vaderlijke Max, dan werd er fel van leer getrokken. Heerlijk. We missen je. Ik mis onze babbeltjes bij Radio 1, wanneer jij het Oog aan het voorbereiden was en ik zo nu en dan mijn mening mocht brullen.

Welke journalist is niet met je opgegroeid? Je bent een duizendpoot: journalist, columnist, presentator, maar bovenal ook echtgenoot en vader. De liefde voor je gezin, voor Anet en Natascha, sijpelt overal in door. Je bent een instituut zoals er nog maar weinige in het Haagse zijn. Beschouwend, relativerend, en zo ontzettend, authentiek, aardig. Op zaterdagen wilde ik altijd rond elven thuis zijn, wat eerder terug uit al het hectische, om dan opgerold in bed, te luisteren naar jouw Oog en dan weg te zweven op dat gevoel dat, terwijl de hele wereld in brand stond, het wel goed kwam. Het wel goed komt. Nog vele jaren, Max.

Het kleed dat gij draagt

Pieter Gerrit Kroeger CDA-kenner

De dag dat ik wist dat Max voor altijd mijn vriend zou zijn, kan ik precies aanwijzen. Het was een avond in 1983 in Heerenveen. Daar verzamelde zich het Friese CDA-kader massaal voor een avond kritiek en bemoediging met de jonge bewindslieden van het kersverse kabinet-Lubbers. Ook toen al was die eigenwijze Max van Weezel geen luie, linkse grachtengordelaar en toog naar het theater in de binnenstad waar de koppige Friese christendemocraten bijeenkwamen, om mensen als Brinkman, Lubbers en Deetman eens flink de oren te wassen. Kolfje naar zijn hand.

De partijsecretaris van het CDA, Ries Smits, had bedacht dat zijn staf de vragen en antwoorden tijdens de kritische dialoog rond de tafels met bewindslieden – voorzien van vrolijke CDA-paraplu’s door de foyer heen geplaatst – moest kunnen analyseren. De kabinetsleden droegen daarom een soort bandrecorder mee en werden geacht met een microfoon in hun hand de dialogen met de achterban te registreren. Niemand van hen deed dit na drie minuten gesprekken nog, want van dat zware apparaat om je nek en dat zwaaien met dat onhandige microfoontje werd je natuurlijk gek. Ze legden dat ding allemaal gauw opzij. Op één hardnekkige en onvermoeibare partijsoldaat na: Wim Deetman.

Max ging bij hem staan en Deetman liet zich met enige regelmaat voorzien van een glas bier, omdat hij braaf de microfoon moest vasthouden. Zo werd Max ook meteen gelaafd vanuit de begroting van Onderwijs en Wetenschappen, die in die jaren toch al niet ruim was. Wij stonden erbij en keken ernaar. Om de gedrongen gestalte en het embonpoint van de jonge onderwijsminister hing die bandrecorder en dat maakte hem nog paffiger en onhandiger in zijn bewegingen. Hij liet zich er niet door afremmen in zijn vurige betoog.

‘Ik zag jullie wel, hoor…’

Op een gegeven moment keken Max en ik elkaar aan en we hielden het niet meer droog. Bij de bar in de theaterfoyer zaten wij te proesten om de logistieke zotteklap van het partijbureau en de ijzerenheinigheid van Deetman, die als altijd deed wat hij moest doen. Wij bleken eenzelfde gevoel voor lichte absurditeit en dezelfde empathie voor onhandige plichtsbetrachting te hebben. In de auto van Heerenveen naar zijn huis in Gouda zei de minister tegen mij: ‘Ik zag jullie wel, hoor, die Max en jij. Zaten mij een beetje uit te lachen met dat gehannes met die microfoon.’ En hij grinnikte.

In 2013 hebben Max en ik in een mooi restaurant met een keuken uit de Elzas in Amsterdam gevierd dat wij nu al dertig jaar vrienden waren. Wij raken gewoon niet uitgepraat, uitgelachen en uitgevierd. Die bijeenkomst in Heerenveen was overigens georganiseerd op basis van een geheim stuk waarin het CDA de interne kritiek op Lubbers en zijn ploeg scherp analyseerde. Het kreeg een titel ontleend aan de Torah, uit het boek Deuteronomium, het achtste hoofdstuk, vierde vers: ‘Het kleed dat gij draagt is niet versleten.’ Sleet kwam er ook nooit op onze vriendschap, sleets werden de gesprekken en het plezier om de eigenaardigheden van de politiek, politici en andere ambtsdragers evenmin. Een beetje Bijbels, toch weer.

Voorzittersduo

Marjan Enzlin Bestuurslid NVJ

Ik herinner me Amsterdam, voorjaar 2014. De grote bibliotheek. Na vele ‘ontmoetingen’ via het geschreven woord en via de ether, voor het eerst een echte. Ik, het onbekende tijdschriftenmeisje (hoewel destijds ook al bijna vijftig) dat uit het niets voorzitter van de NVJ wilde worden en hij, de bekende en gelauwerde journalist, die voor die functie gepolst was.

Hij had natuurlijk tot het moment dat ik hem benaderde nog nooit van me gehoord. Maar hij wás er. Compleet met één broekspijp slordig in een sok, verkreukelde regenjas om het lijf en plastic tas bungelend aan de arm. Max van Weezel. Ik had een afspraak met dé Van Weezel, de man met de warme, heldere stem, ons aller journalistieke voorbeeld. En aan deze man ging ik vertellen dat niet hij, maar ík de nieuwe voorzitter van de NVJ moest worden en waarom. Hij stal direct mijn hart.

We streken (al klinkt dat gracieuzer dan het was) neer op een terras waar we konden roken – dat schiep direct een band en ik hoefde niet lang te praten voordat hij zei dat hij het met me eens was. Iets met afbreukrisico, man versus vrouw en iets met leeftijd. Het leek hem prima als we samen zouden optrekken bij de eerste echte bestuursverkiezingen van de NVJ. Een ietwat koddig ogende voorzitterstandem. Dat leek hem wel wat. Max en Marjan, of andersom. De volgorde kon hem weinig schelen. We dronken te veel cappuccino’s (ik) en dubbele espresso’s (hij), die we vergaten af te rekenen en ondertussen werd hij voortdurend gebeld. Door Jinek, door een redacteur van het Oog, door God mag weten wie allemaal. Hij beantwoordde elk telefoontje, was steeds online, rommelde voortdurend in zijn tas en praatte ondertussen met mij. Hoezo is multitasken onmogelijk? Altijd scherp, al leek hij duizend kilometer ver weg.

Drie jaar lang waren we een voorzittersduo en we waren het vaak oneens. Iets met generatieconflictjes en met verschillende ideeën over het verschijnsel ‘vakbond’. Maar over de basis waren we het altijd roerend eens en we deelden (en delen) de liefde voor de vrije journalistiek alsmede de drang om deze te beschermen. Vele sigaartjes, sigaretten en e-sigaretten rookten we samen op diverse plekken waar we moesten (en wilden) opdraven. We voerden samen actie voor verschillende ambassades van overheden die het niet zo nauw nemen met de persvrijheid. En bij diverse gelegenheden bespraken we onze gedeelde hypochondrie. Altijd bang om ziek te worden van die ongezonde levensstijl van ons of gewoon om ziek te worden in het algemeen.

Ik herinner me NVJ-bestuursconferenties in Nunspeet, met veel inhoud, drank en gezang. Max, die drie jaar lang op de vroege morning after, voordat we aan de bestuursvergadering begonnen en nog vóór het ontbijt, het zwembad van het congrescentrum in dook en daar links en rechts werd ingehaald door vrolijk kletsende hotelgasten, hetgeen hem mateloos irriteerde. Ik herinner me ook dat ik in dat zwembad drie jaar achtereen verstek liet gaan, hoewel ik de voorafgaande avond plechtig had beloofd samen met hem te water te gaan. Ik herinner me de maandelijkse vergaderingen waarbij Max steevast een half uurtje te laat binnenkwam, zijn tas omstandig uitpakte, de iPad tevoorschijn haalde, hele stukken intikte en dan tóch precies op het juiste moment een belangrijke vraag stelde of een houtsnijdende opmerking maakte.

Ik zag hem node gaan na die eerste bestuursperiode. Moe, te druk, allerlei klachten. Hij moest ruimte maken voor zijn werk en maakte de keuze het NVJ-hoofdbestuur te verlaten. Vanaf dat moment hoorde ik hem op zaterdag weer alleen via de ether en ontmoetten we elkaar af en toe via WhatsApp. Dat laatste doen we sinds de diagnose ineens bijna dagelijks. Als een luis in de pels verschijn ik steeds opnieuw online om hem moed in te spreken. Hij vindt me lief, maar irritant-optimistisch als ik bij wijze van dweilen-met-de-kraan-open pogingen doe lichtpuntjes te vinden en over te brengen. Toch blijf ik dweilen. Een andere optie heb ik kennelijk niet. Terwijl ik als oud-zorgprofessional heel goed weet hoe weinig hoopgevend de statistieken zijn. Maar die betreffen altijd de groep, zeg ik dan tegen mezelf, de afwijking zit hem in het individu.

Max en Marjan: we werden nooit écht elkaars vertrouwelingen, maar delen niettemin veel. De onuitgesproken afstand tussen ons voelt ondertussen aardig dichtbij. Slechts twee smartphones van elkaar verwijderd, bestrijden we als communicerende vaten ieder onze eigen angst. Vurig hoop ik dat het land nog veel van hem mag horen en zien.

Op heilige grond

Plien van Albada Directeur uitgeverij Balans

Onze eerste echte samenwerking begon in de vorige eeuw, we leefden nog in een oude wereld. Jij zat bij Vrij Nederland, maar meestal in Den Haag, terrorisme en nepnieuws bestonden niet, althans niet bij ons, en wij geloofden nog in vooruitgang, we hadden vermoedelijk net onze eerste Nokia’s. Bill Clinton was president van Amerika.

Het was een genoegen om je op de uitgeverij te zien, een nieuwtje hier, een analyse daar, altijd menselijk, scherp en to the point. Nooit ijdel, niet uit op aandacht voor jezelf. We spraken regelmatig over het boek dat je graag wilde maken, een inside verslag van je Haagse jaren. Later, toen ik naar Balans ging, ging dat gesprek gelukkig gewoon door. Sterker nog, daar trof ik ook Anet, die toen al een paar jaar werkte aan haar grote biografie van Joop den Uyl.

Toen je me vroeg of ik eens wilde kijken naar het verhaal dat Natascha had geschreven over haar jaren met anorexia, trof me dat zeer. Ik kende jullie zorgen en nu vertrouwden jullie me je dochter toe. Dat zouden Anet en jij nooit lichtzinnig doen.

Natascha bleek, net als haar ouders, een echte schrijver. Dat Magere jaren niet direct een verhaal was voor Balans, kwam eigenlijk wel goed uit, want we konden toch bezwaarlijk vader, moeder en dochter uitgeven. Dacht ik. We hadden tegen die tijd namelijk al regelmatig opmerkingen gekregen over onze auteurslijst, met zowel Hillary als Bill erop.

Haha, are you doing the whole family?

Zo werd Magere jaren elders ondergebracht. Maar binnen jullie onverbrekelijke drie-eenheid wisten jullie intussen natuurlijk wel beter. Natascha’s volgende boeken, De derde generatie en Thuis bij de vijand, verschenen gewoon waar ze hoorden, bij

Balans. En jouw Haagse fluisteraars, Op tv of roemloos ten onder (met Margalith Kleijwegt) en Anets De boze babyboomer en De stille diplomaat ook. Op voorspraak van jou kwam Gerrit Zalm bij ons. En nu is er, samen met Wilma Borgman Vrienden tegen wil en dank.

Lieve Max, jullie foto’s hangen zoals je weet al jaren in onze gang, tussen de andere auteursportretten. We zien ze elke dag en we zijn er trots op. Er is maar één first family, en dat zijn de Van Weezels.

Clintons, eat your heart out!

Een soort broertje

Constant Vecht Kunsthandelaar

Buiten schijnt de zon. Ik zit in mijn donkere kantoortje boven de antiekwinkel. Overal paperassen en peuken, net als op het oude Asva-kantoor. Alleen zijn de rammelende typemachines vervangen door een vrijwel geruisloze pc.

Ik denk aan Max, die als oud-Asva-bestuurder deze chaos moet herkennen. Max, mijn strijdmakker, mijn soulmate, mijn gabber. Hij is behoorlijk ziek en dat raakt mij diep.

Onze eerste ontmoeting moet in 1970 zijn geweest tijdens de bezetting van het IWP (politicologie) aan de Oudezijds Voorburgwal. (In het pand ernaast verstrekte de universiteitsarts routineus de morning-afterpil). Nog ruik ik de geur van de stencilmachine, de zware shag, zwarte, ondrinkbare koffie, en de muffe slaapzakken.

Daarna troffen we elkaar in de BUP (‘buitenuniversitaire praxis’). Ook Max wilde arbeiders en intellectuelen samen laten optrekken. We trokken op met stoere jongens uit de haven, onder het motto ‘wetenschap in dienst van het volk’. Van die dingen.

Vervolgens belandden we in het Asva-bestuur. Met de in kleine kring befaamde ‘politieke vakbondsbrochure’ probeerden we ‘versplintering’ te lijf te gaan. Vakbondseenheid of je nu sociaaldemocraat, pacifist, communist of maoïst was.

Korte tijd later voegden we ons bij de gestaalde klassenstrijders van de CPN. Dat kwam vooral door de heldhaftige rol die deze club had gespeeld in de oorlog.

Het polderstalinisme uit het nabije verleden namen we op de koop toe. Met jeugdige overmoed hoopten we dat het roerige studentenvolkje de destalinisatie een extra duw zou geven en het mooie communistische ideaal in ere zou herstellen.

Dat liep anders. De partijbonzen waren maar moeilijk ‘om te turnen’ en de nieuwkomers bleken vaak volgzamer dan verhoopt.

Max gaf er op een gegeven moment de brui aan, horendol van al dat gekissebis en werd journalist. Dat moet als een bevrijding hebben gevoeld, zoals bij meerderen van ons. Voor hem werd het Vrij Nederland, voor mij – wat later – De Groene Amsterdammer. Dat ik – weer wat later – kunsthandelaar werd, kapitalist dus, daar zal Max, als fijnbesnaard ironicus, de humor wel van hebben ingezien.

‘Kameraad’ Van Weezel is een soort broertje van me. We liepen min of meer dezelfde race door het leven. Joodse achtergrond, roaring sixties, beiden sterk maatschappelijk betrokken letterknechtjes. Max heeft een tomeloze werkdrift als journalist en presentator. Als chroniqueur van het Haagse politieke leven heeft hij een conduitestaat opgebouwd om u tegen te zeggen. Scherp maar genuanceerd, kritisch maar inlevend, links maar toch gezellig.

Tot zover het waarneembare. Nu de meer psychologische onderbouw, om Karl Marx even op z’n kop te zetten. Zijn geliefde dochter Natascha heeft hem geïnterviewd voor haar boek over de derde generatie. Uit dat interview bleek dat de onstuimige wereldverbeteraar en gevierde journalist gelaagder in elkaar steekt dan in een liber amicorum in een paar zinnen valt uit te leggen.

Max is als hemelbestormer nooit een naïeve vooruitgangsoptimist geweest. Van huis uit heeft hij, net als ik, meegekregen dat de mens onder druk der omstandigheden tot de gemeenste dingen in staat is. Onze families hadden dit immers aan den lijve ondervonden en waren erdoor getekend.

Als adolescenten zetten we ons af tegen hun beklemmende, cynische mensbeeld, en wilden we bewijzen dat fraternité toch mogelijk was. Ons jeugdig idealisme had hierdoor een verdrietige oorsprong. We wilden ‘Het Kwaad’, dat in onze eigen familiekring geen abstractie was, de pas afsnijden. Dat was het leidmotief van ons engagement.

Een dergelijke drijfveer stuwden meer joden in de richting van progressieve bewegingen. Van Rosa Luxemburg tot mensen als Lev Trotski, Henri Polak, de activisten in de Amerikaanse civil rights movement en de roodharige Daniel Cohn-Bendit.

In die traditie staat ook Max, evenals zijn geliefde Anet.

Het elan waarmee Max de botte en voze kanten van het menselijk tekort aan de kaak stelt, verhult echter op het persoonlijke vlak een meer tobberige kant. Uit het interview van Natascha komt Max naar voren als een onzekere persoonlijkheid, ondanks de waardering die hij van vriend en vijand ontvangt. Max vraagt zich blijkbaar altijd af: doe ik het wel goed genoeg?

Ocharme.

Je hebt je godbetert als geen ander ingezet voor onderling begrip tussen de mensen, vriendschap tussen de volkeren, verbinding tussen etnische groepen!

Studenten en arbeiders, de linkse partijen, Israël en de Palestijnen: zij allen werden en worden door Max met kracht van argumenten aangezet om barrières te slechten en een ‘morele meerderheid’ te vormen.

Max kwam eind vorig jaar op mijn zeventigste verjaardag. Rechtstreeks uit de radiostudio. Het feest liep al op zijn eind. We hadden nog even tijd om het huidige, gure politieke klimaat ter sprake te brengen. In het gesprek kwamen we op de islamitisch-joodse vriendenclub Salaam-Shalom. Zijn dochter Natascha en ik zijn daar beiden lid van. ‘Als zo’n club nou eens iedereen op sleeptouw zou kunnen nemen,’ zei Max, ‘en een brug zou kunnen slaan tussen alle in de eigen identiteit en het eigen gelijk opgesloten groeperingen. Uitgerekend de moslims en de joden, ogenschijnlijk twee uitersten.’

We zaten weer eens op één spoor. Dromers. Tikkun olam. Alle Menschen werden Brüder.

Colofon

Dit liber amicorum voor Max van Weezel werd samengesteld door zijn collega’s bij Vrij Nederland. De eindredactie werd gedaan door Martje Breedt Bruyn. De coverillustratie werd gemaakt door Bas van der Schot. Het drukwerk is van IPSKAMP printing in Enschede. Het boek verschijnt in een genummerde oplage van 50 exemplaren.

Contribuanten

Mark Rutte
Khadija Arib
Sigrid Kaag
Carola Schouten
Alexander Pechtold
Gert-Jan Segers
Zihni Ozdil
Marjolein Moorman
Arjan Vliegenthart
Ed van Thijn
Frits Bolkestein
Hans Wiegel
Dries van Agt
Job Cohen
Bram Peper
Gerdi Verbeet
Wim Meijer
Felix Rottenberg
Andrée van Es
Uri Rosenthal
Thijs Broer
Harm Botje
Mischa Cohen
Xandra Schutte
Leonard Ornstein
Margalith Kleijwegt
Wilma Borgman
Huub Jaspers
Dini Bangma
Kees van den Bosch
Corinne Hegeman
Esther Voet
Pieter Gerrit Kroeger
Thomas Bruning
Marjan Enzlin
Plien van Albada
Constant Vecht