Nachtenlang lag Max van Weezel te tobben over het Oekraïne-referendum. Nu is hij om – en in ieder geval geen leunstoelgeneraal.

‘Deze plant van vreemden bodem te enten op onze constitutie, ware een gevaarlijke proefneming. Als de Staten-Generaal gesproken hebben, is voor een nadere beslissing van het kiezersvolk geen plaats.’ Dat schreef de katholieke staatsman Charles Ruijs de Beerenbrouck in 1920 over het referendum. Het bleef decennia lang het credo van onze politieke elite: ministers en Kamerleden zijn er om knopen door te hakken, niet om met bibberende knieën af te wachten wat de gewone man vindt. Halverwege de jaren tachtig adviseerde oud-premier Biesheuvel (bijnaam: ‘Open Barend’) voorzichtig met de volksraadpleging te experimenteren. Het toenmalige kabinet wilde er niets van weten. Tien jaar later deed Paars een serieuze poging het referendum in te voeren. Het voorstel sneuvelde in de Eerste Kamer, tijdens de Nacht van Wiegel (18 mei 1999).

Begin deze eeuw staken PvdA, D66 en GroenLinks de koppen bij elkaar. Werd het niet tijd het opnieuw te proberen, vroegen de Kamerleden Niesco Dubbelboer, Boris van der Ham en Wijnand Duyvendak zich af. Hun voorkeur ging uit naar een bindend referendum waarvan de uitkomst niet door regering en Kamer kon worden overruled. Probleem was dat daarvoor de Grondwet moest worden gewijzigd en de kans daarop leek na het nachtelijke debacle van 1999 niet erg groot. Dus werd op 1 juli 2015 de Wet raadgevend referendum van kracht: elke burger die 300.000 handtekeningen ophaalde, kon een referendum aanvragen. Maar de politiek mocht de uitkomst daarvan naast zich neerleggen.

Die wet gebruikten Bart Nijman van GeenStijl, tv-celebrity Jan Roos en Thierry (‘Ik ben de belangrijkste intellectueel van dit moment’) Baudet om het associatieverdrag met Oekraïne aan te vechten. Twee politieke partijen – PvdA en CDA – hebben toegezegd de uitkomst te zullen respecteren. VVD en D66 kregen zo’n belofte niet over hun lippen. Op 6 april brengt de kiezer alleen een advies uit, zeggen zij. Het hoeft niet te worden opgevolgd. Ook het kabinet laat in het midden of het aan een eventueel ‘nee’ gehoor zal geven. Vicepremier Asscher zei bij Buitenhof dat hij erg vóór referenda is: ‘Ik vind het een feestje dat we op 6 april mogen stemmen.’ Het kabinet zal de uitslag ‘zeer serieus’ nemen. Maar inhoudelijk wuifde hij de kritiek van Baudet, Nijman en Roos op het associatieverdrag weg: ‘Voor iedereen die Oekraïne op een moderne manier wil inrichten is dat verdrag ongelooflijk belangrijk.’ Ook premier Rutte en minister Koenders van Buitenlandse Zaken hullen zich in nevelen over de vraag wat de consequenties van een eventueel ‘nee’ zijn. Het kan dat 6 april het feestje wordt waar Asscher van droomt. Maar de kans dat het referendum uitloopt op een gigantische kater lijkt me minstens even zo groot.

Ik weet nog niet of ik vóór of tegen ga stemmen, schreef ik drie weken geleden op de site van VN. Na nachtenlang getob ben ik eruit: het wordt ‘ja’. Ten eerste ben ik me in de loop van de campagne steeds meer gaan ergeren aan de onzinargumenten die de tegenstanders over ons uitstortten. Een voorbeeld daarvan is SP-leider Emile Roemer die in NRC Handelsblad volhield dat het associatieverdrag de opstap was naar een EU-lidmaatschap van Oekraïne (in werkelijkheid heeft Brussel die deur juist met een harde klap dichtgesmeten). Hij noemde Oekraïne corrupt, zonder te vermelden dat de actiegroepen en NGO’s die tegen corruptie ijveren, juist hartstochtelijk vóór het verdrag zijn. Zo kan ik het ook!

Stuk voor stuk maken ze de Nederlanders die tegen willen stemmen uit voor gemakzuchtige leunstoelgeneraals.

Ten tweede ben ik onder de indruk geraakt van de argumenten voor een ‘ja’ die Laura Starink opsomt in haar boek Slag om Oekraïne. Ze interviewde mensen die nauw betrokken waren bij de demonstraties tegen de despotische president Janoekovitsj op het Maidanplein. Stuk voor stuk maken ze de Nederlanders die tegen willen stemmen uit voor gemakzuchtige leunstoelgeneraals. ‘Miljoenen mensen hebben zich uit de naad gewerkt en het zou vreselijk zijn als al die inspanning voor niks is geweest, enkel en alleen omdat ergens ver weg mensen niet begrijpen wat dit verdrag voor ons betekent,’ zegt bijvoorbeeld journaliste Natalja Hoemenjoek van de onafhankelijke internetzender Burger-tv. Zo’n argument overtuigt me: bij leunstoelgeneraals wil ik niet horen.

Afgelopen dinsdag liep ik in Den Haag min of meer bij toeval een manifestatie van de stichting Brand New Ukraine binnen. Er lagen informatiefolders over de Oekraïense taal (niet te verwarren met de Russische) en de geneugten van de Oekraïense keuken (het nationale gerecht heet salo, afgekoeld varkensvet). Studenten uit Kiev liepen rond in een sweatshirt met het opschrift ‘I am Ukraine. I love freedom.’ Ik raakte in gesprek met Nata Voitova, die zei dat ze droomde van een land dat ‘honest, open minded‘ en ‘friendly‘ was – heel anders dan tot nu toe. ‘Wijs ons niet af’, voegde ze daar aan toe. Het ontroerde me.

Thierry Baudet zal me naïef vinden, maar ik stem woensdag ‘ja’.