In het jaar 2000 kan hij al achttien jaar minister zijn. Elco Brinkman, de minister van zorg van het Koninkrijk der Nederlanden. Niet meer zo roekeloos als in het begin, wél nog onverschrokken. Vol ideeën over de toekomst. Er moeten misschien posten ‘onvoorzien’ in de rijksbegroting komen, dan kan het parlement denken dat het méébeslist. Wanneer er een nieuw kabinet komt, dan ook graag iemand uit de medische sector, een bioloog, een Delftenaar en iemand uit Wageningen. Kortom: Brinkman, in vechthouding. Een gesprek over de tweedeling tussen kabinet en maatschappij.

‘Ik vond het jammer dat het meisje in kwestie helemaal in haar blootje op de foto werd gebracht. Dat was een nodeloos dramatiseren van een op zichzelf ernstige zaak. Ik vind dat je mensen ook tegen zichzelf in bescherming moet nemen. Die foto’s zijn naar mijn gevoel onterend en brengen ongewenste nieuwsgierigheid bij mensen naar boven. Ik geloof niet dat je de zaak zelf daar goed mee doet. Als je mijn menselijke reactie vraagt, dus niet als politicus, dan zeg ik: moet dat nou?’

De minister van zorg (zijn eigen term) mr. drs. Elco Brinkman reageert op de affaire-Jolanda Venema, het zwakzinnige meisje dat naakt aan een riem geketend haar dagen in een inrichting slijt. Geen enkele noodkreet, geen enkele brief van de ouders, aan welke autoriteit ook, had geholpen. Dan is het toch ook logisch dat de ouders een laatste middel aanwen­ den?

Dat begrijpt de minister wel. ‘Maar,’ zegt het ongeschonden jongemannengezicht waarop het regeren geen groefje heeft achtergelaten, ‘zijn in Nederland onze bestuurlijke kanalen dan zó verstopt? Hebben wij het dan nodig om op de voorpagina van alle kranten een gehandicapt meisje in al haar eh… naaktheid af te beelden? Ik vraag mij af of dat uiteinde­ lijk het doel naderbij brengt.’

Advertentie

Advertentie

Goed, bestuursmatig, beheerstechnisch en tactieksgewijs heeft een bewindsman het dus moeilijk met zo’n foto. Maar komt mogelijk bij de minister van zorg óók de gedachte op: hoe kan het dat dit in Nederland nog vóórkomt?

Jawel: ‘We hebben er maandagochtend meteen over gepraat, ik heb het in het overleg met de staf ter sprake gebracht. We worden dagelijks met allerlei incidenten geconfronteerd, maar ik vond dit toch meer dan een gewoon incident. Ik wil uitgezocht hebben wat er allemaal van ons uit aan gedaan is. Ik heb gezegd: ik wil wel eens horen wat bij dit type ge­ vallen aan therapieën en vogue is. En mijn tweede reactie was: ik vind het jammer als deze geschiedenis onmiddellijk in verband wordt gebracht met de budgettaire discussie. Mijn directeur-generaal heeft tegen mij gezegd: er is geen land ter wereld waar de psychiatrische zorg zo goed ontwikkeld is als in Nederland.’

De suggestie dat de situatie waarin de Jolanda Venema’s hun dagen slijten veel te maken heeft met de bezuinigingen die juist de minister van zorg op zijn begroting heeft aangebracht, verwerpt Brinkman verontwaardigd. In nog sneller tempo dan normaal wijst hij ons terecht, als iemand die de zaken altijd in groter verband ziet:

‘Met de ouderenmishandeling hebben we vergelijkbare problemen gehad. We hebben dat in studie genomen. En wat bleek? Dat een aantal ouderen tegen zichzelf in bescherming moest worden genomen. Niet vanwege personeelsgebrek, maar gewoon om ongelukken te voorkomen. Ook daar was de eerste reactie: schande, die mensen worden dagelijks geslagen en dat komt door personeelsgebrek en bezuinigingen en wat dies meer zij. Dan is het de taak van een minister om het uit te leggen. Dat is moeilijk, gezien de emotionele reacties. Maar we moeten de feiten wel eventjes op een rijtje houden. Het zou best kunnen zijn dat een minister zich meer inhoudelijk met een aantal therapieën en behandelingsmethoden moet gaan bezighouden. De politiek is in dit soort zaken vaak heel afstandelijk geweest. Van de minister van Cultuur werd dat zelfs per definitie verwacht. Je mag wel subsidie aan een orkest in Friesland geven, maar je mag niet zeuren over wat ze dan spelen. Zo geldt dat ook voor behandelingsmethoden. Ik wil niet zeggen dat de minister onmiddellijk een dogmatiek op zo’n punt moet neerleggen, maar misschien moet je de inhoudelijke discussie toch iets meer begeleiden en sturen.’

Veertig is Elco Brinkman nu. Dit jaar geworden. Een ander begint tegen die tijd aan zijn carrière te werken, de minister van WVC heeft er al een achter de rug. De politieke brekebeen van het begin bemoeit zich met van alles en nog wat, zet zelfs paaltjes uit op de terreinen van andere departementen en kan tamelijk ongeschonden de toekomstmogelijkheden van zijn collega’s overdenken. Collega Ruding, al eerder hunkerend naar Washington, heeft zijn vertrek na deze periode aangekondigd. Collega Deetman bezuinigde zich tot voetveeg van het onderwijs. Collega Van den Broek zit met dat paspoort.

Elco Brinkman is al zes jaar minister. In 2000 is hij tweeënvijftig en achttien jaar minister. Ondanks het feit dat ‘de overgangsjaren voor mij nog niet begonnen zijn’ en dat ‘een zekere mildheid al heeft toegeslagen’ wil hij nog wel eens terugkijken op en vergelijken met zijn eerste periode. Met de ongelukkige Wim Deetman van Onderwijs was hij de meest behulpzame en tegemoetkomende tovenaarsleerling van Lubbers en Ruding. Bezuinigen? Brinkman kwam op een holletje aangerend. De voorzieningen waardoor dit land in Europa een voorbeeld was inkrimpen? Brinkman wou best wel. Het parlement viel massaal over hem heen, noemde hem een stoere jongen, maar ook kil en arrogant. ‘Een doodgraver van de Nederlandse cultuur,’ zeiden de museumdirecteuren. Opera? Hield hij niet van. Lezen? Waartoe? ‘Geen actief kunstkenner’ noemde hij zich – waarmee hij een nieuw begrip in onze taal introduceerde.

Verpletterend

‘In de eerste jaren stond ik natuurlijk voor een gigantische opdracht. Niet alleen budgettair, maar ook in psychologisch opzicht. Ik herinner me nog dat ik bij een van mijn eerste kamervergaderingen achter het groene gordijn een paar PvdA’ers tegenkwam. Ik vertelde hoeveel ik ging bezuinigen en in welke sectoren. De reactie was verpletterend. Dat was de sfeer, ook op het departement. Er ontstond een schrikreactie. Je werd als minister automatisch in een soort vechthouding gebracht. Je ging op een agressieve wijze de discussie aan. In de tijd vóór ons werd vaak gedacht: als we maar alles in de groep blijven gooien, dan komt het wel goed. Dat bleek niet te functioneren. Dus wij zeiden: nee jongens, het moet allemaal wat korter door de bocht. Na al die groepsgesprekken en therapieën moet de financiële component nadrukkelijk in beeld komen. Ik ben toen bewust in de vuurlinie gaan staan. Je kwam er niet met zoete broodjes bakken. Ik wilde ook niet alleen zeggen: het geld is op, dus u moet uw centen inleveren. Ik heb altijd gezocht naar een inhoudelijke motivering. Maar ja, je stond dan vaak in de regen. Ik heb wel het gevoel dat het effectief is geweest. We hebben de economie een nieuw uitgangspunt verschaft. We hoeven in de jaren negentig niet meer te roepen: mensen, het spijt ons zeer, maar het gaat nog verrekte slecht, er moet weer een school of een bejaardenoord dicht. We zitten nu in een periode waarin de bezuinigingen hun reinigende werking hebben gehad.’ Nederland is inmiddels ook over de schrik heen, signaleert Brinkman. Het kostte even tijd om te wennen aan de bruuske aanpak van Ruud Lubbers en de zijnen. Maar het is gebeurd. Nederland léérde. Dat geldt in het bijzonder voor de welzijnswereld die aan zijn zorg werd toevertrouwd. ‘De tijdgeest is ook veranderd. Het WVC-circuit denkt niet meer zo snel: we hebben een probleempje, dat lost de overheid wel even op. Ik heb natuurlijk nooit gezegd: de overheid trekt zich helemaal uit het terrein terug en de rijke weduwe met haar pannetje soep is nog de enige die voor u zal zorgen. Maar het ging er om dat niet elk probleem op het bordje van de overheid gelegd werd. Dat besef is nu doorgebroken. Niet omdat wij het sociale circuit murw hebben gemaakt. Mijn waarneming is dat men in het zorgcircuit zelf ook moe is geworden van de eindeloze stammenoorlogen die in dat veld voorkwamen. Men is daar ook gaan denken: er moet wat veranderen.’

Zelfs de culturele wereld, die de minister aanvankelijk niet voor zijn ogen getekend kon zien, is aan de nieuwe realiteit gewend geraakt: ‘Het kan allemaal mooier, maar er bestaat nu redelijke overeenstemming tussen het kabinet en de culturele sector. Er wordt wel wat gepiept, maar je kunt niet meer volhouden dat daar de hele dag oorlog en geweld woedt.’ Filosofisch: ‘Wat mij in de culturele sector opvalt, is een trek terug naar vroegere perioden. Men heeft afscheid genomen van de vluchtigheid. Er wordt weer meer nadruk gelegd op waarden als vakmanschap, degelijkheid en houdbaarheid.

Een toneelstuk wordt weer langer gespeeld. Het idee is niet meer: het volgende stuk moet vast klaar zijn terwijl we de première van het vorige nog niet eens gehad hebben. Dat is een zekere tegenreactie. Die komt niet voort uit geldgebrek, maar men ziet weer graag dat kunst beklijft. Men wil iets overbrengen. Men wil weer een groter publiek bereiken. En dat kan alleen als je niet amechtig van de éne première naar de andere hoeft te hollen. Ik vind dat een gelukkige ontwikkeling.’

Nederland als geheel ziet hij als een land dat weer behoefte heeft aan ‘een zekere sturing, een leidraad, vastigheid’. Dat komt goed uit. Toch – Brinkman geeft dat toe – loopt niet iedereen over van sympathie voor Lubbers en zijn leidsmannen. In den lande worden zij toch nog vaak als platte bezuinigers gezien. ‘Ik erken,’ zegt hij afgemeten, ‘dat gevoelens soms belangrijker bestuurlijke feiten zijn dan de feiten zelf. Maar veel van die gevoelens van onrust en frustratie komen voort uit een verkeerde beeldvorming die we maar niet weg kunnen krijgen. Het beeld dat we het ene bejaardentehuis na het andere sluiten, is in strijd met de feiten. Misschien hebben we dat aan onszelf te wijten. We zijn begonnen met die vechthouding. Dat blijft doorwerken. Ik moet nog altijd aanhoren dat Nederland alleen nog maar gesloten bejaardentehuizen kent. Terwijl er ooit in Utrecht een beperkt plan is geweest om één verzorgingstehuis te sluiten. In de tussentijd zijn allerlei extra geldstromen die richting opgegaan. Maar het beeld blijft dat in Nederland alle voorzieningen, scholen en wat dies meer zij zijn gesloten. Dat zal later over het kabinet-Lubbers ook wel in de Winkler Prins staan. Maar daarmee is dat nog niet de werkelijkheid.’

Brinkman de Ongedurige, wou niet wachten op de Winkler Prins. Enkele weken geleden achtte hij de tijd rijp om in een vierenvijftig velletjes tellende rede, waaraan wekenlang door verschillende ambtenaren was gewerkt, zijn credo uit te dragen. Plaats van handeling was Leiden: die stad moest voor het eerst sinds 1574 maar weer eens ontzet raken. Ook op de voorpagina van de Volkskrant klonk de volgende dag ontzetting door. Brinkman verklaart de samenleving de oorlog, schreef het blad. Hartstochtelijk bepleitte de bewindsman dat werklozen aan werk geholpen zouden worden in plaats van aan bezigheidstherapieën en geestelijke begeleiding in zijn instellingen. Tweede boodschap was dat een heleboel overheidssubsidies terechtkomen bij mensen die daar eigenlijk niet voor in aanmerking komen, omdat zij bij voorbeeld de toegang tot culturele evenementen best kunnen betalen. Ten slotte profeteerde de minister van zorg dat het Nederland van de jaren negentig al die oude Bataafse deugden als plichtsbesef, toewijding en spaarzin weer in ere zou herstellen.

De minister noemt het een mid-term review, ontkent dat hij na zoveel tijd de vuurlinie wilde opzoeken, maar wekt de stellige indruk dat hij weer eens de kranten wilde halen met meer dan een commentaar op de stroomlijning van het orkestbestel of de opening van een nieuw centrum voor asielzoekers. ‘Je hebt niet elke dag wat nieuws te vertellen,’ zegt hij opgewekt, ‘en iemand die vijf, zes jaar op mijn plek zit heeft al heel wat buurthuizen geopend of verzorgingstehuizen bezocht. Het is waar dat ik een tijdje in de luwte heb gezeten. Er heerste een zekere windstilte. Op het ogenblik zie je dat iedereen zich opmaakt voor de jaren negentig. Daarom leek mij dit een goed moment om iets op te merken over hoe we verder moeten.’

Voor een eenvoudige minister van zorg bestreek Brinkman in zijn Leidse rede een onmetelijk breed terrein. Hij ontvouwde onder meer gedachten over het werkgelegenheidsbeleid (dat eigenlijk onder zijn collega De Koning valt), het functioneren van de sociale diensten (waarvoor hetzelfde geldt) en de belastingverlaging (waar collega Ruding over gaat). Ook tijdens ons gesprek blijkt Brinkmans horizon inmiddels ver te reiken. Ondanks zijn verzekering dat hij maar een ‘quasi-econoom’ is, formuleert hij moeiteloos standpunten over van alles en nog wat. Zo vindt Brinkman dat langdurig werkloze jongeren desnoods tot werken moeten worden verplicht: ‘Voor een bepaalde categorie mensen valt er niet aan te ontkomen om te zeggen: er is een bepaalde hoeveelheid werk die wij als maatschappelijk nuttig ervaren. Die zal dan ook gedaan moeten worden. Het gaat vooral om lager opgeleide jongeren. En om de etnische minderheden. Dat valt voor een deel samen. Die groep zal moeten accepteren dat de samenleving op een bepaald moment meedeelt: we hebben dat en dat werk aan te bieden. Dat gaat u dan maar doen.’ Hij is het niet eens met zijn fractievoorzitter Bert de Vries dat de koppeling tussen de sociale uitkeringen en de lonen na 1990 in de een of andere vorm weer moet worden hersteld: ‘Als we tot herstel van de koppeling overgaan, moet dat niet automatisch over de hele linie gebeuren. Er zijn bij voorbeeld AOW’ers die nog een pensioen hebben. Die hebben het minder hard nodig. Je zou de koppeling ook kunnen herstellen voor bejaarden die uitsluitend op de AOW zijn aangewezen.’

Denkt Brinkman dat zijn collega-ministers het toejuichen dat hij zich tegenwoordig als allrounder manifesteert? Onbewogen: ‘De minister-president zegt altijd dat vakministers geen vakidioten mogen worden. Die boodschap heb ik ter harte genomen. Ik probeer de belendende percelen in het gesprek te betrekken, maar wel voor zover WVC daarbij mede in het geding is. Sommigen vinden dat ik me te veel als generalist opstel. Niet in het kabinet, maar in het veld wordt wel eens gezegd: je zou veel meer voor je eigen sector moeten opkomen. Je zou veel meer als de gehandicaptenminister, als de zorgminister moeten optreden. Maar afgezien van het feit dat ik wel heel veel rollen heb te spelen, denk ik dat ik me nadrukkelijk als lid van het kabinet moet zien te profileren.’

Vechthandeling

Worden er in het kabinet discussies over dit soort onderwerpen gevoerd? Denken de anderen er ook over na?
‘Ja,’ beaamt hij. ‘Maar het moet allemaal op kousenvoeten. Via adviesaanvragen aan de SER en discussies in informele kring om een aantal mensen er wat warm voor te krijgen. Anders word je als kabinet weer in die vechthouding gedrongen omdat ze alweer klaar staan om ieder ideetje af te schieten.’

Dat is toch raar? Het kabinet zit er al zes jaar. Jullie hebben een behoorlijke voorsprong op de maatschappij. Waarom is het kabinet dan zo schuw?
‘Ik heb daar ook niet een echte verklaring voor. Ik denk dat we in de binnenkamer – niet alleen van het kabinet, maar ook in alle mogelijke gesprekken met werkgevers en werknemers ­– een aantal van die discussiepunten redelijk in kaart hebben gebracht. Maar kennelijk hebben we in de beeldvorming iets van: ze zijn aan het vechten met de samenleving. Dat is een psychologisch nadeel voor ons. Iedereen zit een beetje op elkaar te wachten. Iedereen kijkt wie het eerst met voorstellen durft te komen.’

Brinkman zelf lijkt niet veel last te hebben van dat soort gêne. Hij wil graag de weg naar de jaren negentig wijzen. De zorgminister en zijn kabinet weten al enigszins hoe in de toekomst de strijd tussen hen en de rest van Nederland zou kunnen luwen: ‘Ik geloof dat het verstandig is om iets meer speelruimte te laten aan het parlement. We hebben in het kabinet wel eens overwogen om een hoofdstuk “onvoorzien” in de rijksbegroting op te nemen. Want nu is het bij de algemene beschouwingen prijsschieten en daarna moet iedereen zijn mond houden.’

Zo gaat het toch al zes jaar?
‘Maar het parlement vindt dat het te wéinig speelruimte heeft. Daar ontstaat dan frustratie over. Dus worden er moties ingediend. En dan krijgt het kabinet weer van anderen op zijn kop dat we de boel niet in de hand houden. Dan moeten wij uitleggen: kijk, er liggen nu eenmaal moties en er is maatschappelijke druk. Als je daar nou op voorhand rekening mee zou houden door een bepaald percentage van je budget als post “onvoorzien” op te voeren, ontstaat er enige speelruimte. Dan bak je in ieder geval minder frustraties in, waardoor die vechthouding ook wat vermindert. Ik zeg nu, zes jaar ouder en misschien een klein beetje wijzer: het bestuurlijk verkeer met de samenleving zou minder vechtjasserig kunnen zijn als je in de begroting op voorhand een zekere marge inbouwt. Dan moet je dat niet in geheime fondsen stoppen. Je moet ge­ woon toegeven: we kunnen nog niet voor het hele jaar tot in het laatste detail overzien waar de centen naartoe moeten.’

Vernieuwd

Brinkman vindt dat een volgend kabinet meer richting moet geven aan de maatschappij. Als we hem daarnaar vragen, blijkt hij ook al te hebben nagedacht over wat voor ministers daarvoor nodig Zijn. Bijna een halve eeuw nadat koningin Wilhelmina haar bewindslieden in spe de vraag voorhield of zij wel voldoende ‘vernieuwd’ waren, heeft Brinkman zijn eigen criteria voor toekomstige ministers al vast in het hoofd zitten. Het kabinet van de jaren negentig mag – anders dan nu kennelijk – niet worden gedomineerd door politici ‘die de wereld primair vanuit de financiële hoek bekijken’: ‘Op dit moment zitten er naar ver­ houding vrij veel economen in het kabinet. Zij hebben een andere benadering dan wanneer het allemaal juristen zouden zijn, wat overigens ook eenzijdig zou zijn. Dat merkje ook in de ministerraad. Een van de dingen die je op ons functioneren kunt aanmerken, is dat wij zo geobsedeerd zijn door de financiële kant. Het zou verstandig zijn om het politieke spectrum uit te breiden met iemand uit de medische sector, een bioloog, een Delftenaar en iemand uit Wageningen. Een minister die de techniek van binnenuit kent en een organisatiedeskundige. Ik noem een aantal disciplines die naar mijn gevoel passen bij het type van problemen waar je in de jaren negentig mee zit. Dat soort disciplines moet je erbij hebben. Los van de economen die je toch altijd wel houdt.’

Hij wil dus meer niet-Hagenaars in het kabinet? Minder beroepspolitici?

Ja: ‘Als je de neiging hebt om hoe langer hoe meer uit je eigen circuit te halen en dat eigen circuit is eenzijdig, dan wordt het eenzijdigheid in het kwadraat. We moeten een redelijke mix met het niet-Haagse zien te vinden. Ze moeten trouwens niet allemaal uit het land komen, want dan wordt het per definitie een kabinet van provincialen. Je moet wel de Haagse cultuur kennen, althans kunnen invoelen. Het heeft geen zin om voortdurend als een roepende in de woestijn het parlement te melden dat je alles beter weet. Dat functioneert niet. Maar er wordt nu vrij breeduit geklaagd dat Den Haag een inner circle is die in zichzelf gekeerd dreigt te raken. Dus als je ministers alleen uit het politieke circuit recruteert, onder het motto: die mensen begrijpen tenminste waar het over gaat, die verstaan elkaar, dan praatje wel erg binnensmonds.’

Waaraan hij nog toevoegt: ‘Ik ben nogal geschrokken toen ik hoorde dat in Amerika bijna de helft van de stemgerechtigden niet heeft deelgenomen aan de verkiezingen. Zij voelen zich kennelijk niet meer gerepresenteerd in het systeem. Ik ben er beducht voor dat onze bestuurscultuur in het Haagse – Kamer en regering samen – steeds meer afstandelijk-rationeel wordt. Waardoor veel mensen het gevoel hebben: ja, dat is dan wel mooi voor de geletterden, maar wij staan toch een beetje langs de kant.’

Hoe zou Nederland er eigenlijk uitzien als dit kabinet de afgelopen zes jaar niet had geregeerd?
Voor het eerst in het gesprek moet Brinkman wel anderhalve minuut nadenken – een record in zijn ministersperiode? ‘Waarschijnlijk,’ antwoordt hij, ‘zouden we dan nu meer overheerst worden door een aantal buitenlandse centra als Parijs en Baden-Württemberg. Maar dankzij die dip in de uitgaven is er een nieuw maatschappelijk elan ontstaan waardoor wij blijven meetellen in Europa. We zijn bezig met de revival van een gevoel van nationale identiteit, van nationale trots. Niet zo’n kneuterige identiteit van: als we onze eigen Avro of NCRV maar houden, dan komt het wel goed. Maar: Nederland spreekt weer een woordje mee. Het gaat om een sociaal-economisch elan dat verder reikt dan nóg een weggetje of nóg een railtje.’ De minister wordt nu zo enthousiast dat hij – zonder nog aan Jolanda Venema te denken – zijn betoog stralend afrondt: ‘Gezondheidszorg, ouderenzorg, gehandicapten­ zorg: we hebben best nog wat te exporteren.’

En Brinkman is zeker trots dat hij in dat wonderteam speelt?

De minister van zorg krijgt iets preuts. Stijfjes zegt hij: ‘Ik vind het leuk om in het kabinet te zitten. Ik vermijd het andere woord.’

Is trots erg?
Nog steeds stijfjes: ‘Ik doe met plezier mijn werk. Ik heb echt zin in dit werk. Ik vind het leuk werk. En leuk is een woord dat ik niet elke dag gebruik. Omdat het een zeer beladen, emotioneel woord is.’ Ten slotte proberen we Brinkman te ontlokken dat het zijn diepste wens is om nog eens premier te worden. Dat lukt niet. We krijgen er niet meer uit dan: ‘Ik hoop nog een tijd in Den Haag te blijven.’ Maar volgende keer weer als minister van WVC?

Brinkman: ‘Ik heb nog nooit ergens zo lang gezeten als op deze plek. Logisch dat je dan gaat denken: kijken wat ik hierna ga doen. Je zult mij niet horen zeggen dat het verstandig is om drie perioden achter elkaar op dezelfde stoel te zitten.’