In ‘Borgen’ staat ze tien uur op het toneel, dragender kan een rol niet zijn. Maar haar Theo d’Or-nominatie is ook een beloning voor de manier waarop Malou Gorter minister-president Birgitte Nyborg neerzet: aards, doorleefd en vol humor. ‘De rol zelf was daar de inspiratie voor.’

De kans is groot dat ze ’m krijgt, de Theo d’Or. De belangrijkste Nederlandse onderscheiding voor een actrice in een ‘dragende’ rol. Tien uur lang staat Malou Gorter in de marathonvoorstelling Borgen op het toneel, en al die tijd is zij de spil van alle verwikkelingen. Zij is het die als minister-president Birgitte Nyborg het publiek ontvangt, terwijl ze op kousenvoeten heen en weer drentelt tussen de toeschouwers en ‘haar’ huiskamer op het podium. Zelfs in de pauzes, als het publiek even de benen strekt, blijven de acteurs van het Noord Nederlands Toneel dóórspelen, en staat Birgitte Nyborg open voor een babbeltje met toeschouwers die haar aanschieten. ‘Ik hoop zó dat het goed gaat aflopen,’ zei een vrouw tijdens zo’n pauze tegen de hoofdrolspeelster. ‘Ik wéét dat het niet zo is. En toch hoop ik dat jij en je man bij elkaar blijven.’ Geweldig, zo’n reactie, verzucht Gorter in een café om de hoek bij haar Amsterdamse woonboot. ‘En dan denk ik oprecht: ik hoop het ook! Misschien dat het me vanavond lukt!’

Échtheid

Tien uur achter elkaar doorspelen, ‘dragender’ kan een toneelrol niet zijn. Maar de Theo d’Or-nominatie is ook een beloning voor de manier waarop Malou Gorter de minister-president van een op Nederland lijkend land neerzet. Aards, doorleefd, vol humor en in een intiem samenspel met het publiek, wat bijzonder is voor een schouwburgvoorstelling met vijfhonderd man in de zaal. Als Birgitte Nyborg haar huiselijke kleding moet verruilen voor een keurig presentatiepakje, komt Gorter vanuit de coulissen de verschillende mogelijkheden even showen in een bijna ondeugend onderonsje met de toeschouwers, die meteen goed- of afkeurend reageren. Dat is de speelstijl waar Ola Mafaalani, de regisseur van Borgen, ook om vraagt, vertelt Gorter. ‘Ze wil échtheid. Zij heeft de momenten waarop Birgitte iets aan het publiek vraagt, eringeregisseerd. En dan zegt ze: je moet wel écht iets van het publiek willen weten. Als ik aan iemand in de zaal vraag: “Vindt u dat ook?” moet ik dat op zo’n manier doen dat diegene werkelijk over de vraag nadenkt. Ik hoef het antwoord niet altijd helemaal af te wachten, maar als je met het publiek wilt communiceren, moet je dat contact werkelijk áángaan.’

Ben je blij met de Theo d’Or-nominatie? Of vind je het moeilijk omdat ‘Borgen’ zo’n gezamenlijke prestatie is van het hele gezelschap?
‘Dat was wel mijn eerste reactie. Maar dat mag ik van mijn vrienden niet meer zeggen. Ik vind ook niet dat ik in deze rol meer excelleer dan in andere. Maar ik ben oprecht trots op de manier waaróp ik eraan heb gewerkt. Monomaan bijna. Heel gedisciplineerd. Iedere ochtend twee uur tekst leren. Altijd goed voorbereid op de repetities gekomen. Nooit te veel gedronken. Heel gezond geleefd zodat ik het vol zou houden. Me niet misdragen in de repetities.’

Je misdragen? Hoe dan?
‘Dat je begint te wanhopen en dat dan uitleeft. Ik wanhoopte wel eens, maar dat heb ik niet uitgedragen. De rol zelf was daar de inspiratie voor. Als je zo’n taak op je neemt, moet je er ook de verantwoordelijkheid voor nemen. Dat doe je ook als je de minister-president wordt van een land. Maar het is zo’n cadeau geweest, deze voorstelling. Het is ook zo succesvol geweest. En alle mensen die eraan hebben bijgedragen, waren op hun allerbest. Ook alle productiemedewerkers, het hele apparaat er omheen. Het was zo’n immens project!’

Wisseling van de wacht

Mocht Malou Gorter bij de uitreiking van de jaarlijkse toneelprijzen op 11 september de Theo d’Or in ontvangst nemen, dan is dat ook een bekroning op de samenwerking van Gorter en Mafaalani. En een markering van het einde daarvan. Borgen is de laatste voorstelling die Ola Mafaalani bij het Noord Nederlands Toneel regisseert. Per 1 januari stapt ze op als artistiek leider van het Groningse gezelschap. Toen Mafaalani in 2008 aantrad, maakte Malou Gorter deel uit van haar nieuw te vormen spelersgroep. Net als Mafaalani verhuisde Gorter naar Groningen. De vrouwen namen allebei hun gezin mee. Mafalaani’s echtgenoot Ko van den Bosch zou als schrijver, regisseur en acteur mede het gezicht van het NNT gaan bepalen. Gorter nam niet alleen haar man mee, die als theatertechnicus bij het gezelschap ging werken, en haar twee kinderen, maar zelfs ook hun woonboot waarmee ze eigenhandig naar hun nieuwe woonplaats voeren.

Met het vertrek van Mafaalani en Van den Bosch eindigt ook Gorters periode bij het NNT. Ze is nu nog aan het repeteren aan hun afscheidsvoorstelling All Inclusive, en er komt nog een feestelijke week in Groningen, waarin een aantal voorstellingen worden hernomen, waaronder Medea, Gorters eerste voorstelling bij het NNT waarin zij de titelrol speelt. Maar dan is het Groningse avontuur voor haar afgelopen. Ze woont inmiddels ook alweer drie jaar in Amsterdam. Zelf heeft ze geen moment getwijfeld of ze moest weggaan of niet. ‘Als een gezelschap wordt overgenomen door een nieuwe artistieke leiding, is het heel ingewikkeld als acteurs aanblijven. Koos Terpstra, de man die voor Ola het NNT leidde, vond dat ook niet deugen. Die heeft van het begin af aan gezegd: alle acteurs die ik meeneem, gaan samen met mij weer weg. Dus ik kwam naar het NNT zonder dat daar nog acteurs in dienst waren. En toen hebben wij afgesproken dat het voor ons als acteurs ook ophoudt bij een wisseling van de wacht.’

Een utopie schetsen

Praten met Malou Gorter is erachter komen hoe veel meer ze bij het Noord Nederlands Toneel gedaan heeft dan acteren. Ze maakte bij het gezelschap deel uit van de artistieke kern, die Ola Mafaalani gekscherend haar ‘A-team’ noemde. Gorter: ‘Dat wil dus niet zeggen dat er ook een B-team was, hè?’ Ideeën voor nieuwe producties of aan te trekken gastregisseurs werden door Mafaalani en Van den Bosch samen met de andere vaste acteurs en de vormgever besproken. Het is alsof Gorger zelf niet eens beseft hoe groot haar aandeel altijd is geweest. Vraag je haar naar de ontstaansgeschiedenis van All Inclusive, een voorstelling over de vluchtelingencrisis die door de artistieke kern van het NNT samen met de Eef van Breen Group, die ook Borgen tot muziektheater maakte, wordt gemaakt, dan bedenkt ze pas later ineens een gebeurtenis die mede aan de basis stond van dit idee. ‘Dat vergeet ik helemaal te vertellen: het begon ermee dat ik anderhalf jaar geleden een interview had op Radio 1. Voordat ik aan de beurt kwam, was er een interview met Eduard Nazarski, de directeur van de Nederlandse afdeling van Amnesty International. Hij was net terug uit Lampedusa en Sicilië. Toen hij vertelde wat hij daar had gezien en meegemaakt met vluchtelingen, hadden de interviewster en ik allebei tranen in onze ogen. Na afloop van de uitzending sprak ik even met Nazarski. Hij maakt op reis altijd aantekeningen op zijn iPad, waar hij later verslagen van maakt, en hij vroeg mij als theatermaker of ik die aantekeningen eens wilde lezen. Die waren heel aangrijpend: een eerste reactie, ruw en zonder filter. En ik dacht: ik snap dat hij dit niet in zijn speeches kan gebruiken, maar dit zijn juist teksten voor in het theater.’

Gebruiken jullie Nazarki’s aantekeningen ook in de voorstelling?
Gorter: ‘We zijn er nu een beetje vanaf geraakt, maar ze liggen nog op tafel in het repetitielokaal en af en toe kijken we ernaar. Nazarski werkt ook mee aan een aantal discussies in de randprogrammering van All Inclusive. En hij is langsgekomen bij een repetitie om te vertellen over zijn werk en zijn ervaringen.’

Het lijkt mij te gek als mensen die de voorstelling uitkomen niet denken: wat verschrikkelijk allemaal, maar: als we het nou zó aanpakken, misschien lukt het ons dan.

Waarom maken jullie een voorstelling over de vluchtelingencrisis?
‘Het thema drong zich op. Ik ben bij het NNT getraind geraakt in nadenken over wat er speelt in de samenleving en wat wij daar als gezelschap mee kunnen. We hebben steeds geprobeerd om voorstellingen te maken die ertoe doen, sociaal of maatschappelijk. Social engeneering, noemen we dat. Ola repeteert niet mee, die doet de research voor de voorstelling. Ze is vooral op zoek naar oplossingen voor het vluchtelingenprobleem. Want die zijn er wel degelijk volgens bepaalde mensen. Ola komt bijvoorbeeld met feiten over waarom integratie van vluchtelingen goed is voor een samenleving, dat landen die geen vreemdelingen toelaten veel minder evolueren, veel minder reflecteren op de samenleving. Van tevoren hebben we veel gesproken over wat wij als theatermakers wilden laten zien. Je kan laten zien hoe de gemiddelde Nederlander reageert op het binnenlaten van vreemdelingen. Dan zit de zaal weer vol met mensen die het met ons eens zijn. Dus nu willen we óók een utopie schetsen van een wereld waarin het vluchtelingenprobleem wordt opgelost. Waarin niemand zich meer afvraagt wie waar vandaan komt en waar iemand in gelooft. Het lijkt mij te gek als mensen die de voorstelling uitkomen niet denken: wat verschrikkelijk allemaal, maar: als we het nou zó aanpakken, misschien lukt het ons dan. Het gaat zó goed met ons land. We zijn zó gezond, en zó gelukkig en zó rijk. Als we dat nou eens wat meer zouden beseffen. Het is nog steeds zo dat vrouwen hier evenveel rechten hebben als mannen. En dat iedereen gelijk is in dit land. En dat we hier écht vrijheid van meningsuiting hebben.’

Wat wordt jouw rol in ‘All Inclusive’?
‘Ik wil een positieve kijk bieden via de blik van kinderen. Ik doe nu vrijwilligerswerk bij een AZC in Almere. Daar help ik kinderen om te spelen, en ik probeer intussen verhalen uit hen te halen over hoe zij de wereld zien. En ik ben kinderen gaan interviewen op de basisschool van mijn dochter. Aan kinderen tussen zes en negen heb ik gevraagd wat er zou gebeuren als er een hele klas met asielzoekers bij zou komen. Eén zei, ik citeer het bijna letterlijk: “Het zou goed zijn dat als zij bijvoorbeeld Frans spreken, wij dan ook Frans spreken of een andere taal waar zij vandaan komen. Zodat wij ze kunnen verstaan.” Dat vond ik zo’n mooie omdraaiing van de roep die je wel hoort dat vluchtelingen onmiddellijk ónze taal moeten leren. Bijzonder was dat geen enkel kind in die gesprekken zei dat het niet kán, een klas met vluchtelingkinderen erbij. Wij gaan er altijd van uit dat de mens niet goed tegen verandering kan. Maar Ola vertelde laatst over een onderzoek waaruit blijkt dat mensen pas vanaf hun dertigste die eigenschap krijgen. Kinderen kunnen heel goed tegen verandering. De een wat beter dan de ander, maar in het algemeen kunnen ze dat. Daarom zegt ook niet één kind op mijn vraag over die klas met asielzoekers: dat kan niet want we hebben niet genoeg stoelen. Ze zeggen: misschien kunnen we de stoelen doormidden zagen, dan moet je er wel nog een pootje onder zetten anders vallen ze om.’

In het rauwe theater dat het NNT maakt, ben jij altijd heel zichtbaar geweest. Ik herinner me jou minder uit jouw tijd bij Toneelgroep Amsterdam.
‘Over de vier jaar dat ik bij Toneelgroep Amsterdam speelde, Gerardjan Rijnders was daar toen nog artistiek leider, denk ik altijd: als je je rijbewijs haalt, kan je nog niet echt rijden. Als je van de toneelschool afkomt, kan je misschien wel spelen, maar je kan nog niet én schakelen, én goed om je heen kijken, en intussen nog een gesprek voeren. Toneelgroep Amsterdam was mijn vervolgopleiding. Laatst zag ik een lijstje van wat ik allemaal heb gedaan, en uit de tijd bij TA staat er dan heel vaak “naamloze rol” of “koor”. Ik had ook wel eens een grote rol hoor, maar het heeft me nooit uitgemaakt hoe groot of klein mijn rol was. In Een soort Hades, waar ik de patiënt was in een psychiatrische inrichting, lag ik iedere avond in een bed te luisteren naar Roos Ouwehand of Kees Hulst, naar Marieke Heebink of Pierre Bokma. Ik zoog alles op. Maar op een gegeven moment had ik het gevoel dat ik het Zelf Wilde Uitvinden. En toen ontmoette ik Ola. Ik deed een productie met haar: Westkaai. Op locatie in een loods in de Rotterdamse haven. Ik moest daarvoor zelfs zwemmen, met een wetsuit aan tegen de kou. Ola, die een jaar jonger is dan ik, stond op hetzelfde punt van het theater ontdekken als ik. Aan Gerardjan Rijnders heb ik toen in een brief geschreven: ik wil zelf gaan uitvinden dat één en één drie is.’

Jij bent niet van het pleasende theater. Als het schuurt dan wordt het voor jou pas interessant.
‘Als kind heb ik een soort omgekeerde theateropvoeding gehad. Ik ben zo ongeveer opgegroeid in de Haarlemse Toneelschuur. Mijn moeder was met een club vrienden betrokken bij de oprichting van de Toneelschuur, met Hans Man in ’t Veld en Frans Lommerse. De eerste voorstelling die ik mij herinner was Zie de mannen vallen van Hauser Orkater. Ik moet tien zijn geweest. Ik kan nog steeds ontroerd raken als ik daar aan denk. Betoverend mooi vond ik dat. Toen heb ik gemerkt hoeveel kracht theater heeft. En hoeveel het kan betekenen. Hans Man in ’t Veld heeft nog wel eens iets geregisseerd waar mijn moeder als amateur in meespeelde. Ik weet nog dat zij een Pinter speelde met blote borsten onder een colbert, ik schaamde me natuurlijk dood als dochter. Op mijn dertiende ging ik in de Toneelschuur in de garderobe werken. Als het heel rustig was, mocht ik zelf ook gaan kijken. En op de dagen dat ik niet werkte, mocht ik daar gratis naar voorstellingen. Ik ging toen wel drie keer per week, maar het liefst naar de kleine zaal waar alles dicht op de huid zat. Ik zag daar het nieuwe Belgische toneel, en alles van Maatschappij Discordia. Pas veel later ging ik voor het eerst naar de schouwburg, en dat vond ik vreselijk. Al dat overdreven gedoe, en ik kon de gezichten van de acteurs niet eens zien.’

Mijn vader is overleden toen ik zeven was. Als kind overlééf je daarna gewoon. Maar later kwam dat toch als een boemerang terug.

Droomde jij er dan ook van om actrice te worden?
‘Ja. Maar als puber dacht ik dat ik het niet zou kunnen. Ik was heel onzeker. Toen ik achttien was, heb ik auditie gedaan bij de acteursopleiding in Amsterdam. Ik werd afgewezen en dacht: dan ga ik naar de Derde Wereld om mensen te helpen. Mijn moeder had kennissen die ontwikkelingswerk deden in Zaïre, nu Congo-Kinshasa. Ik schreef een brief. Nooit iets op gehoord. Toen ben ik in Utrecht de opleiding voor theaterdocent gaan doen. Na een jaar begon daar ook een acteursopleiding, daar heb ik auditie gedaan, werd ik ook afgewezen. Dan maar docent worden. Ik viel tijdens de lessen de hele tijd in slaap, dus ik dacht dat ik de slaapziekte had. Maar ik vond het gewoon vreselijk saai. En toen zei een docente tegen mij: volgens mij heb jij niet de slaapziekte, jij wilt naar de toneelschool, ga dat nou gewoon proberen. Toen heb ik auditie gedaan in Amsterdam en werd ik aangenomen.’

Waarom werd je aangenomen? Wat kon jij?
‘Dat is moeilijk te zeggen. Ik had wel iets komisch, ik heb altijd veel relativeringsvermogen gehad. Maar in het eerste jaar kregen zowel Frank Lammers als ik na een half jaar te horen dat we de school beter konden verlaten. Je mocht nog wel blijven omdat je voor een jaar had betaald. En toen gebeurde er iets met me. Daarvoor wilde ik mezelf altijd maar bewijzen. Maar de “nee” die ik kreeg, gaf een soort ontspanning. Frank is er nog steeds pissig over, maar ik begrijp waarom ze bij mij niet wisten of ik het zou redden. Ik zat nogal vast in mijn lijf. Ik had helemaal geen speelplezier. Ik nam alles ook veel te persoonlijk. Als ik iets speelde, dacht ik: ze denken vast dat het over mij gaat. Later kon ik pas de afstand zien tussen een rol en het eigen gevoel dat je daar in investeert.’

Foto: Jeroen Hofman

Was je bang dat je te veel van jezelf liet zien?
‘Ik was heel erg in de war. Man, die adolescentie! Ik ben toen ook een tijdje in therapie geweest. Mijn vader is overleden toen ik zeven was. Als kind overlééf je daarna gewoon. En dat ging eigenlijk heel goed, iedereen was er van onder de indruk hoe ik dat deed. Maar later kwam dat toch als een boemerang terug.’

Kwam dat ook doordat bij het toneelspelen zoveel gevoel komt kijken?
‘Ja. Dat was niet zozeer het verwerken van de rouw. Verdriet over een vader die is overleden is een prima geaccepteerde emotie. Maar het gaat dieper. Als je op jonge leeftijd een ouder verliest, wordt de grond onder je voeten vandaan geslagen. Vervolgens krijg je een soort watertrappelen. Dat heb ik heel handig gedaan, daar had ik goeie tools voor in mijn persoonlijkheid. Ik was een heel makkelijk kind, toegankelijk en open. En ik was ervan overtuigd dat de dood van mijn vader voor mij het minst vervelend was. Dat ik het beter aankon dan mijn moeder en mijn oudere broertje. Zo heb ik dat doorstaan, maar op een gegeven moment was ik kwijt wie ik zelf nou eigenlijk was. Ik raakte in een soort identiteitscrisis.’

Wat deed jouw vader eigenlijk voor werk?
‘Van alles. Hij stierf toen hij éénendertig was, dus zoveel heeft hij niet kunnen doen. Maar hij was een heel impulsieve man. Hij heeft mijn moeder meegenomen naar Spanje, toen hebben ze daar mijn broer gemaakt, gingen ze weer terug naar Nederland. Hij ging in een drukkerij werken, stopte daar weer mee, begon een café en stopte daar weer mee. De artistieke inslag heb ik van mijn moeder, maar mijn impulsiviteit heb ik van mijn vader. Ik ben blij dat ik een beroep heb gevonden waarin ik steeds weer aan iets nieuws kan beginnen. Ik verveel me snel. De research die bij een voorstelling komt kijken, vind ik te gek, maar ik zou nooit vier jaar aan een universiteit kunnen studeren. Dat er nu, na het NNT, weer een andere tijd aanbreekt, vind ik leuk.’

Heb je al nieuwe projecten op stapel staan?
‘Ko van den Bosch gaat een student begeleiden op de toneelschool, en hij vroeg of ik dan de spelregie wilde doen. En ik ga spelles geven op de Mimeschool. En in januari ga ik een productie doen bij het Ro Theater, Revolutionary Road, met regisseur Erik Whien. Maar ik heb van januari tot september nog geen voorstellingen staan. Dat vind ik wel lekker hoor.’

En nu ga je eerst ‘Borgen’ nog een paar keer spelen.
‘Daar ben ik mijn borst voor aan het natmaken. Ik heb me tijdens de tournee heel goed gevoeld, maar in de vakantie voelde ik pas hoe moe ik eigenlijk was. Geestelijk ook. Elke acteur wil dat er veel mensen naar je kijken, maar als ik me voorstel dat ik straks weer voor een zaal sta van vijfhonderd man, dan denk ik: help. In het juryrapport van de Theo d’Or-nominatie staat dat ik met zoveel “schijnbaar gemak” op het toneel sta. Mijn manier van acteren wordt wel eens geïnterpreteerd als nonchalant. Maar het is best heftig om je zo direct tot het publiek te verhouden. Het is voor een acteur makkelijker om dat niet te doen. Het is onderdeel van mijn vakmanschap. En het is fijn als dat gezien wordt.’

‘Borgen’ is nog te zien op 9 en 10 september in de Amsterdamse Stadsschouwburg, www.nnt.nl