De 78-jarige schrijver Ljoedmila Petroesjevskaja, wier werk in de Sovjet-Unie decennialang verboden was, heeft wel iets anders aan haar hoofd dan dit interview met Pieter Waterdrinker in levende lijve. ‘Sinds ze mij wilden arresteren, koester ik een tamelijk primitieve levenshouding: ik mag en kan werken, spasibo, dank u wel.’

Op een avond heb ik Ljoedmila Petroesjevskaja eindelijk aan de lijn. September heeft met natte klappen een einde gemaakt aan de Russische nazomer; de regenjassen bevolken weer de metro.

‘Van wie heeft u mijn nummer?’ Heldere stem; vitaal-argwanend.
Ik geef de 78-jarige schrijfster, wier werk in de Sovjet-Unie decennialang verboden was, antwoord. Van Julia Goumen, een literaire agente die ik ooit eens in Sint-Petersburg heb ontmoet, want alles in het leven is toeval.

‘Ah Julia… Ja, die doet veel voor mij… Een interview? Begin ik liever niet aan. Noch aan buitenlanders, noch aan Russen. Op een dag kwam er een meisje van The Guardian, helemaal uit Londen. Ik had in Engeland een literaire prijs gekregen. Ze had een kindje van twee maanden oud op haar buik. Midden in de winter, het was gruwelijk koud. Ze sprak geweldig Russisch, maar wat denkt u? Bijna alles wat er in het stuk stond had ik niet gezegd. Was verzonnen. Neen, geen interviews meer. Ook niet aan Russen hoor. Komt er zo’n griet van een krant, een tijdschrift of van de tv. Maar ze weten helemaal niets; ze begrijpen niets. Ze blijven op het niveau van hooguit 40 centimeter, terwijl ik ruim één meter vijfenzeventig ben. Begrijpt u?’
‘Ik begrijp het,’ zeg ik.
‘Preskrasno! Geweldig! Een fijne avond verder. Wat een buien opeens hè? Gelukkig ga ik eind deze maand een weekje naar Grenoble. Voor een lezing.’

Voordat ik word weggedrukt, besluit ik de troef uit te spelen die ik achter de hand heb. ‘We kennen elkaar,’ zeg ik. ‘Dat wil zeggen: we hebben elkaar eens een hele avond gesproken, op een feestje bij Soldatova.’
‘Soldatova? Kent u Soldatova?’

De Moskouse underground

Het was vlak na de millenniumwisseling. Ik woonde destijds in een fraai pand nabij de Schone Vijvers, vlak achter het FSB-hoofdkwartier. Op zolder huisde ene Nikolay Anochin – kunstschilder en homoseksueel. Diep Russisch orthodox-gelovig; hij sloeg voortdurend kruisjes. Ook zijn onderwerpen waren voornamelijk religieus. Met veel sneeuw. Poetin was voor hem een heilige, en een beschermheer. Tot drie keer toe zag ik in die dagen Poetin bij een staatsbezoek op tv een doek van Anochin schenken dat ik – ik dronk af en toe thee met hem – op zijn schildersezel had zien ontstaan. Hij jaagde; steeds probeerde hij me te verleiden mee te gaan op de jacht.

Op een dag stond hij in de lift met een lynx, vers geschoten in de bossen nabij Archangelsk. Half geronnen bloed drupte op de grond. ‘Wat een prachtdier hè?’, sprak de verfartiest zachtjes. Het was een universum van niet alleen regelrechte gekte, artisticiteit, maar ook van promiscue zonde, in alle LGBT-variaties. Ook de jonge en bloedmooie kunstenares Soldatova woonde er, mijn bovenbuurvouw. Daar ook trof ik op een avond vol drank en rook Petroesjevskaja – excentriek, aanwezig, spraakzaam. Zich volledig thuis voelend in de Moskouse underground op de zolder van een chique woonkazerne, waarover ook Konstantin Paustovski in zijn werk heeft geschreven.
‘Ik ga even naar beneden,’ had ik destijds tegen Petroesjevskaja gezegd. ‘Toevallig heb ik een boek van u in het Nederlands.’

Dat boek was Netten en strikken, Wereldbibliotheek 1989. Fraai vertaald door Helen Saelman. Het staat nog steeds in mijn kast. Met een vriendelijke opdracht en een tekening die Petroesjevskaja er die avond inzette.

Deze maand verschijnt er wederom een boek van de Russische schrijfster in het Nederlands: Er was eens een vrouw die haar buurkind wilde doden. Ditmaal heeft het duo Yolanda Bloemen en Seijo Epema zich met succes gewaagd aan de vertaling van deze bundel grimmige, macabere, sprookjesachtige maar tegelijkertijd rauw-realistische schetsen uit de sovjetwerkelijkheid.

‘Enfin, morgen heeft u de antwoorden,’ klinkt het dan. ‘Ik zal ze opschrijven in spreektaal. Zodat het net lijkt of u me in levenden lijve heeft gesproken.’De verhalen, geschreven in de late Brezjnev-jaren, verschenen eerder in Penguin Modern Classics; het betekende Petroesjevskaja’s doorbraak in de Angelsaksische wereld; in het najaar van 2009 prijkte ze op de New York Times-besteller-lijst.
‘Nou goed,’ zegt de schrijfster dan. ‘Stuurt u mij een paar vragen op. Dan zal ik die schriftelijk beantwoorden. Dat prefereer ik.’
‘Wat toevallig, dat had Nabokov ook. Zelfs als hij op tv een interview gaf, las hij de antwoorden van de – zorgvuldig door de redactie geënsceneerde – vragen van een systeemkaartje op.’
‘Wie?’
‘Nabokov, die…’
‘Ik heb het niet zo op Nabokov. Hij was een grafoman; het is mij allemaal te gelikt en te mooi. Ik ben eigenlijk door geen enkele Russische schrijver geïnspireerd. Ook niet door Tsjechov, met wie ik vanwege mijn toneelwerk altijd weer word vergeleken. Vroeger, als kind, las ik Thomas Mann en Proust, die heerlijke lange zinnen. Heeft u een pen bij de hand? Dan geef ik u mijn e-mailadres. Voor het verzenden van de vragen.’

Emigratie

Ze woont slechts een paar metrostations van me vandaan; een verzoek om ergens wat te eten, om te praten over haar leven en werk, wijst ze af.
‘Zo, dan ga ik nu weer terug naar de emigratie.’
‘De emigratie?’
‘Ja, zo noem ik het kamertje hiernaast waar ik werk. Mijn telefoon neem ik er nooit mee naartoe. Lekker rustig; alsof je bent geëmigreerd.’

Volgens Ruslands populairste auteur Dmitri Bykov is Petroesjevskaja de enige levende Russische schrijver die in zijn ogen Nobelprijs-fähig is. Maar het is de vraag of het daarvan komt; gezien haar vergevorderde leeftijd en het feit dat de recente Wit-Russische laureaat Svetlana Aleksijevitsj voor haar werk deels uit hetzelfde spookachtige reservoir van de (voormalige) Sovjet-Unie put. De dames en heren van de Zweedse Academie schijnen van afwisseling te houden zolang het – tot dusver – maar niet de Lage Landen betreft.

Hoe fraai en superieur haar boeken ook zijn, met als magnum opus Het einde van de Rode mens: het werk van Aleksijevitsj blijft gedocumenteerde non-fictie, daar waar Petroesjevskaja nadrukkelijk fictie bedrijft. Literaire inkijkoperaties in de geesten van haar personages, veelal vrouwen, sudderend in benauwde sovjetflatjes met kinderen, ontrouwe echtgenoten, kampend met onderdrukte seksuele verlangens, eeuwig geldgebrek, dagelijkse tekorten, corruptie en de alomtegenwoordige wreedheid van de mens; absurdistische universums vaak, met de schimmen van de Stalin-terreur altijd op de achtergrond. Maar uiteindelijk ook wonderlijk lichtvoetig en hoopvol.

Petroesjevskaja geldt als de meesteres van de eerste, als een valbijl binnenkomende zin, zoals: Nu is ze echt een grote, volwassen, getrouwde vrouw, maar toen was ze een weeskind dat bij haar oma woonde die haar in huis genomen had toen haar moeder verdwenen was, zulke dingen gebeuren nu eenmaal: mensen verdwijnen. Of: Er was eens een dik meisje dat niet in de taxi paste en dat in de metro de hele breedte van de roltrap in beslag nam. En ook: Een vrouw haar zoon had zich verhangen.

In levenden lijve

De volgende avond stap ik mijn flatje binnen, na een bezoek aan MAJAK, een bohémiencafé waar vier jaar geleden de opstandige Moskouse jeugd bijeenkwam. Rebellen with a cause. Geestverwanten van de Pussy Riot-dames, de anti-Poetinjeugd die nu massaal murw lijkt geworden. Ik ben nog niet binnen of mijn iPhone gaat. ‘O, ik denk dat ik het verkeerde nummer heb ingedrukt… Neemt u mij niet kwalijk… U sliep toch nog niet? Ik heb zojuist het hele internet afgezocht, maar ik kan maar geen enkele Nederlander vinden die de Nobelprijs gewonnen heeft. Ik ken, om uw eerste vraag maar meteen te beantwoorden, niet één Nederlandse auteur.’
‘Mulisch?’ probeer ik. ‘Couperus? Multatuli? Elsschot? Nooteboom?’
Maar aan de andere kant blijft het doodstil.
‘Enfin, morgen heeft u de antwoorden,’ klinkt het dan. ‘Ik zal ze opschrijven in spreektaal. Zodat het net lijkt of u me in levenden lijve heeft gesproken.’
‘Maar ik wíl u nog steeds in levenden lijve spreken.’

Een paar minuten later gaat ze alsnog overstag, deze Russische artistieke wervelwind met drie kinderen, vijf kleinkinderen en drie achterkleinkinderen die behalve schrijft ook schildert, juwelen maakt, scenario’s schreef voor inmiddels klassieke Russische tekenfilms en – last but not least – sinds enige jaren met overweldigend succes als chansonnière op het podium staat.

We spreken twee dagen later af in Dom Literatov, het Huis der Literatoren, voor een diner. ‘Ze hebben daar twee ingangen, de goedkope en de dure. Neem de goedkope – aan de Grote Nikitskistraat. In dat gedeelte van het restaurant heb ik namelijk korting.’ Ik zeg meteen dat ik haar vanzelfsprekend inviteer in de duurste sectie. Mompelend dat ze plots doodmoe is drukt ze me weg.

Wervelwind: ze schrijft, schildert, maakt juwelen, scenario’s voor klassieke Russische tekenfilms en heeft succes als chansonnière.
Stalins vleesmolen

Haar website bevat een lapidaire biografie – een leven als een ondergrondse sovjetroman. Nadat de vader van de schrijfster (Moskou, 1938) het gezin al vroeg verlaat, wordt Petroesjevskaja opgevoed door haar moeder en haar grootvader, vooraanstaand linguïst en professor. Drie van haar familieleden van moederszijde worden gerepresseerd – komen om in Stalins vleesmolen, De oorlogsjaren brengt ze deels door in een staatskindertehuis, tussen de tbc-lijdertjes en de invaliden, waar ze ternauwernood niet van de honger omkomt. Na de oorlog gaat het leven in Moskou verder. De grootvader wordt tot staatsvijand verklaart; verliest zijn baan, zijn pensioen, wordt stilaan gek.
Ze trouwt, krijgt een kind, haar man raakt verlamd, sterft uiteindelijk. Alles speelt zich af in een overbevolkte sovjet-eenkamerflat. Ze hertrouwt, krijgt later nog twee kinderen. Terwijl ze als journalist werkt voor de radio begint ze haar eerste verhalen te schrijven – compromisloos, eigenzinnig, zonder enige kans op publicatie. Onder het motto: altijd de waarheid, nooit liegen. Zelfs het relatief liberale tijdschrift Novy Mir (Nieuwe Wereld) durft de publicatie van haar eerste, in 1968 geschreven verhaal ‘Zo’n meisje’ niet aan, een schets vol treurige, overspelige sovjetseks. Wel krijgt ze steun uit literaire kringen, gaan haar verhalen in de samizdat van hand tot hand; richt ze zich op toneelwerk.

Pas in de jaren van de perestrojka (hervorming) en glasnost (openheid) onder Michail Gorbatsjov kan ze min of meer vrij publiceren en oogst ze groot succes met haar avantgardistische toneelstukken, die worden opgevoerd in het prestigieuze Moskouse Lenkom Theater. Ook verschijnen nu mondjesmaat haar eerste verhalen. Anders dan sommige ‘dissidente’ schrijvers, bij wie het thema van hun werk dikwijls terug te voeren is tot de strijd tussen het naar vrijheid verlangende individu en het onderdrukkende communistische systeem, blijft Petroesjevskaja dicht bij huis. Niet de staat is de vijand van de mens, maar de andere mens. Homo Sovieticus ontmoet Homo homini lupus.

Mijn angsten en mijn woede

Als ik de volgende morgen om halftien mijn mailbox open, tref ik reeds de antwoorden aan op mijn vragen, inderdaad in levendig Russisch gesteld.
Ik lees: ‘Nederland betekent voor mij in de eerste plaats: musea. Grote kunstenaars, Van Gogh, Vermeer, Rembrandt. Geweldige lui! Ik schrijf snel, ik heb altijd snel geschreven. Ik corrigeer vrijwel niets. Soms heb ik de indruk dat ik van bovenaf word gedicteerd. Op een keer, tijdens het spitsuur in de metro, kwam er een verhaal tot me. De eerste zin – dat wist ik meteen – zou onherroepelijk leiden tot de laatste. Maar ik had geen pen in mijn tas. Toen ik eenmaal thuiskwam, was het verhaal weer verdwenen. De volgende dag, op mijn werk, schreef ik het op in de bibliotheek. Maar het had niet meer die kracht.’

Over de verhalen in de bundel die nu in het Nederlands verschijnt: ‘Ik schreef ze snel, ’s nachts. Overdag had ik geen tijd. Ik had toen twee kinderen. De oudste was twaalf, de jongste net geboren. Ik was bang voor alles. Vooral voor brand. Ik kocht van een bouwvakker een kabel van 25 meter. Om mijn kinderen, bij brand, van de zesde verdieping te kunnen redden.’

Over wat haar inspireert: ‘Het lijden van andere mensen, hun werkelijke verhalen inspireren mij. Ik schreef altijd, alsof het een schreeuw op een stadsplein was: ‘Help!’ Ik schreef om mij te ontdoen van mijn angsten en van mijn woede.’

Over het beeld van Rusland in het Westen: ‘Alleen tijdens de perestrojka-jaren waren we voor de wereld interessant. Daarvoor hadden we een groot verleden: ballet, Gagarin. Voor de rest zag alles er in de ogen van de buitenlanders uit als in de roman van Orwell, dat wil zeggen: de Sovjetmacht was een mengsel van het verschrikkelijke en het komische. En nu zijn er in Rusland mensen aan de macht met een sovjet-scholing. Ons isolement en de westerse houding ten opzichte van ons land zijn ze van jongs af aan gewend. En ook het Westen is deze situatie gewend. Ons isolement heb ik mijn leven lang meegemaakt, de honger, het afgesloten zijn van de wereld, het niet gedrukt kunnen worden, niet naar het buitenland kunnen reizen, het ontbreken van levensmiddelen, geen enkele band met andere landen, en daarbij was ik nog een verboden ondergrondse schrijver – mij liet men helemaal nergens heen gaan.’

Over Pussy Riot: ‘Ik had medelijden met de meisjes, schaamde me voor het gedrag van de machthebbers. Maar we wisten dat hun toekomst over de gehele wereld verzekerd zou zijn. En dat hoe gruwelijker hun detentie was, hoe groter de waarheid zou zijn die ze later – als slachtoffers – over de omstandigheden in de gevangenis en het kamp zouden kunnen vertellen, alsook over de noodzaak van hun “performance”. En hoe heviger ook de schande waarmee de initiatiefnemers van hun arrestatie zouden worden overladen.’

Over heimwee naar de Sovjet-Unie: ‘Nee!’

‘Ik heb nooit overwogen te vertrekken. Dan liever de gevangenis in!’ Foto: RIA Novosti/HH
Culturele happy few

De diner-afspraak in het Huis der Literatoren gaat niet door. Stom, helemaal vergeten, zegt Petroesjevskaja, als ze me een dag later opnieuw belt. Maar de volgende avond moet ze absoluut-absoluut-absoluut om zeven uur acte de présence geven in Vinzavod. Haar jongste zoon Fjodor heeft er een tentoonstelling met installaties over repressie, met als kernlanden Rusland en Brazilië. ‘Kunt u misschien niet daarheen komen?’

Vinzavod, een voormalige ‘wijnfabriek’ achter het Koerskstation, geldt al jaren als hét centrum voor de contemporaine Russische kunst. Zelfs het tunneltje ernaartoe, met zijn pompeuze graffiti, is al kunst. Gonzend verkeer, schurende trammetjes, een epidemie aan shoarmatentjes. In het industriële bakstenen gebouw uit de vroege vorige eeuw met de vele hoekjes om kwaliteitskoffie en groene thee te drinken waan je je moeiteloos tussen de bevoorrechte culturele happy few ergens in Parijs, New York of Amsterdam.
Sinds Michel Houellebecq hier zeven jaar geleden, bijna verdwijnend in zijn sigarettenrookwalm, een lezing gaf, duiken er in zijn romans opvallend veel jonge, langbenige Russinnen op, die er toevallig ook vanavond weer zijn. Politiek? Engagement?

Slimme meisjes die ik vier jaar geleden op het Moerasplein aantrof, protesterend tegen de verkiezingsfraude en het corrupte bewind in het Kremlin, stappen nu voort naast modieus geklede Russische jongemannen in dienst van Poetins almaar uitdijende overheidsapparaat. Want daar zitten het geld en het carrièreperspectief. In het Moskou van nu lijkt iedereen zich te verschuilen in een cocon van persoonlijk welbehagen.
Fjodor, naast beeldend kunstenaar regisseur van de toneelstukken van zijn moeder, is zelf nog in Brazilië. Vanavond neemt Petroesjevskaja voor haar zoon de honneurs waar. De expositie heet TIJDELIJKE MONUMENTEN, de folder is tevens in het Engels gesteld: My exhibition is not at all about the affinity of the two nations. But both countries are struggling to cope with the heavy legacy of the totalitarian heritage.

Ik bekijk de installaties; het zijn er een stuk of zeven. Een afbeelding van een naakte jongeman in Rio de Janeiro, met een halsband vastgeketend aan een lantaarnpaal. Zittend in een lege straat. Elders hangt (alweer) een naakte jongeman, aan zijn linkerenkel aan een subtropische boom. De boodschap is duidelijk: repressie. De jongemannen in Poetin-dienst en hun meisjes draaien met interesse om de kunst heen, als om bolides in een chique autosalon.

Als een schoolmeisje

Als een diva, met de fameuze zwartvilten hoed zonder welke ze nimmer in het openbaar verschijnt, komt Petroesjevskaja pas om halfnegen de galerie binnenstappen. Ze beweegt zich als een schoolmeisje, wordt door het jeugdige publiek aangesproken, spreekt ze zelf aan. Een wervelwind van energie. Nadat we elkaar hebben begroet blijf ik haar een halfuur ademloos volgen. Ze valt een atletisch gebouwde jongen van begin twintig met armen vol tatoeages als een verliefde bakvis om de hals: het is haar yoga-leraar. ‘En, heeft u het interview met mij al af?’ zegt ze uiteindelijk, mij met een ondeugend grinniklachje aankijkend. Ik bedank haar voor de schriftelijke antwoorden, maar herinner haar aan onze eerdere afspraak. ‘Zo direct gaan we hier ergens boven zitten, dan hebben we samen een heel uur.’

‘Ik heb nooit overwogen te vertrekken. Dan liever de gevangenis in!’Even later aan tafel, zich door het warrige haar strijkend, knikkend naar de flambard die ze heeft afgezet, zegt ze: ‘Ik heb die hoed altijd op bij mijn optredens. Binnenkort ook in Grenoble. Sinds mijn jonge jaren heb ik een stem van drieënhalve octaaf. Als straatkind al zong ik liedjes van Édith Piaf. Mijn dochter is funkzangeres. Ik schreef eerst liedjes voor haar, maar durfde zelf pas op te treden toen ik 69 jaar oud was. Ik heb inmiddels twee cd’s gemaakt, geniet ervan op het podium te staan. De directe band die ik voel met mijn publiek bevalt me veel beter dan het schrijven.’
‘Schrijft u nog steeds?’
Ze maakt een armzwaai, alsof het eigenlijk allemaal onzin is. Verzucht dat ze al zeven jaar werkt aan een roman, gebaseerd op haar kast vol schriften met aantekeningen, schetsen, dagboekfragmenten. Het manuscript telt inmiddels tweeduizend pagina’s. ‘Vroeger schreef ik in de keuken, soms zelfs in de badkamer. Nu heb ik een tweekamerappartement. Maar de zestig vierkante meter die ik heb zijn eigenlijk nog steeds te krap, omdat ik er ook al mijn schilderijen, boeken, piano, gitaar en andere zaken in moet zien kwijt te raken. Tegenwoordig werk ik het liefst als ik op reis ben. Onlangs was ik op Sri Lanka, het was er warm en prachtig – en ik schreef. Maar wat maakt het uit? Ik verkoop er hooguit drieduizend exemplaren van.’
‘Drieduizend?’
‘Ja, drieduizend! Wie leest er hier in Rusland nog?’

Over het energieke aura trekt plots een waas van vermoeidheid. Het liefst wil ze, minder gewaardeerd in het benepen, literair corrupte eigen land dan erbuiten zoals veel schrijvers, praten over wat haar het meest bezighoudt: de zorg voor een tehuis voor invalide kinderen in de omgeving van Pskov. Samen met haar jongste zoon werft ze al jaren fondsen. De ellende die ze daar aantrof, de smerigheid, de natte matrassen, de lompen waarin de kinderen gehuld gingen, de afwezigheid van warm water zelfs midden in de winter, wierpen haar terug naar haar eigen jeugd tijdens en vlak na de oorlog. Op haar tiende, zegt ze, had ze alle stadia van de menselijke hel reeds doorgemaakt.
‘Waar heeft u steeds de kracht vandaan gehaald om door te gaan? Bent u nooit ten prooi geweest aan wanhoop?’

‘Natuurlijk…’ Petroesjevskaja pakt de vilten hoed weer op, begint hem aan de randen in de rondte te draaien, starend. ‘Vooral toen mijn eerste man gestorven was. De armoede, de leugens, de uitzichtloosheid. Begin jaren zeventig heb ik werkelijk honger geleden, her en der wat redactiewerk verrichtend, met dertig roebel in de maand… Maar mijn kinderen hebben me er steeds weer bovenop geholpen. Kinderen zijn de toekomst. Ik hou van slimme kinderen. Maar hoe groot dat percentage op dit moment in Rusland is weten we helaas niet…’

Wetend dat ze niet over politiek wil praten, probeer ik: ‘De ellende in de provincie onder Poetin is dus even erg als onder het communisme?’
Ze zegt: ‘Ik praat niet over politiek.’

Rebellen with a cause: ‘Alleen tijdens de perestrojka-jaren waren we voor de wereld interessant.’ Foto’s, met de klok mee: Diane-Lu Hovasse/AFP/ANP, Boris Babanov/Ria/HH, Igor Muhkin, Viktor Drachev.AFP/ANP.
Ik spuug op ze

Een galeriemeisje, in jaren-vijftigjurkje met stippels dat tegenwoordig in Moskou wederom als uiterst modieus geldt, komt de schrijfster een glas water met een scheutje warme melk brengen.
Als ze weg is, verzucht ze: ‘Maar ik spuug op ze, op al die politici! Op allemaal!’
Het volk is stom – altijd, overal. Niet alleen in Rusland, ook in Frankrijk, in Duitsland, in Nederland: overal. Ze zegt dat ze nog nooit naar de stembus is gegaan. Even begint ze over de annexatie van de Krim, maar ze wil er met walging op haar gezicht niet verder over spreken.
‘Heeft u ooit overwogen om te emigreren?’
‘Nikagda! Nooit!’ Een duim van de schrijfster gaat tussen haar wijs- en middelvinger; ferm houdt ze die naar me omhoog, met ogen als toortsen: ‘Ik heb nooit overwogen te vertrekken. Dan liever de gevangenis in!’

Bijna was dat zover. In de nadagen van de Sovjet-Unie werd er een arrestatiebevel tegen Petroesjevskaja uitgevaardigd, nadat ze in een open brief Michail Gorbatsjov had uitgemaakt voor een communistische fascist, nadat hij tanks had gestuurd naar Litouwen om de opstand voor onafhankelijkheid daar de kop in te drukken. ‘Ik vertrok met mijn gezin naar Duitsland, om af te wachten wat er verder zou gebeuren. Maar ik heb geen seconde overwogen om daar te blijven. Ik houd van Rusland, ik houd van Moskou. Sinds ze mij wilden arresteren, koester ik een tamelijk primitieve levenshouding: ik heb onder zoveel politieke leiders geleefd, zoveel van mijn familieleden werden geliquideerd, gevangengezet, vermoord, dat ik nu zeg: ik mag en kan werken, spasibo, dank u wel. Ik schrijf over het leven, en dat is eeuwig.’
‘De couppoging in augustus 1991 van een stelletje reactionaire communisten tegen Gorbatsjov was dus feitelijk uw redding?’
‘O ja, anders was ik vrijwel zeker in de cel beland. Ik had immers de president van de USSR beledigd! Maar toen klom Boris Jeltsin in de regen op een tank voor het Witte Huis. Hij weerstond de coupplegers en aan de Sovjet-Unie kwam een einde. Ach, wat was Jeltsin toch een geweldige vent. Naïef misschien, maar ondertussen een echte Russische moezjik, een goedzak. De jaren negentig, het waren de jaren van de hoop…En nu, onder Poetin… Ach, ik wil er niet eens over spreken… Het volk is stom; altijd, overal… Overigens, hoe komt het toch dat er nog nooit een Nederlandse schrijver de Nobelprijs heeft gewonnen?’

Fragment uit: ‘Er was eens een vrouw die haar buurkind wilde doden’,
De Geus, 224 p.

Voorval in Sokolniki

In het begin van de oorlog woonde er in Moskou een vrouw. Haar man was piloot, en ze was niet erg dol op hem, maar ze hadden het samen niet slecht. Toen de oorlog begon werd haar man ergens in de buurt van Moskou ingezet, en deze Lida zocht hem op de vliegbasis op.

Toen ze daar weer een keer kwam, kreeg ze te horen dat het vliegtuig van haar man de dag daarvoor niet ver van de basis was neergehaald en dat hij de volgende dag zou worden begraven.

Lida woonde de begrafenis bij, ze zag drie gesloten kisten staan, en daarna ging ze terug naar haar kamer in Moskou, waar een oproep voor het graven van antitankgreppels op haar lag te wachten. Toen ze weer naar huis terugkeerde was de herfst al begonnen, en het begon haar op te vallen dat er soms een jongeman achter haar aan liep met een heel eigenaardig uiterlijk: mager, bleek en uitgeput. Ze zag hem op straat, in de winkel waar ze op de bon levensmiddelen ging halen, als ze op weg was naar haar werk. Op een avond ging bij haar thuis de bel, ze deed open. Voor de deur stond die man, en hij zei: ‘Lida, herken je me niet? Ik ben het, je man.’ Het bleek dat hij helemaal niet begraven was, dat er in de kist aarde had gezeten, en dat hij door de schokgolf in een boom was geslingerd en besloten had niet meer naar het front terug te gaan. Hoe hij die ruim twee maanden had doorgebracht, daar vroeg Lida niet naar, hij vertelde haar dat hij al zijn spullen in het bos had achtergelaten en uit een verlaten huis burgerkleding had meegenomen. Zo leefden ze dan weer samen. Lida was heel bang dat de buren erachter zouden komen, maar het verliep allemaal goed, bijna iedereen was in die maanden uit Moskou geëvacueerd.

Op een dag zei Lida’s man dat de winter eraan kwam en dat ze het uniform moesten opgraven, dat hij ergens in het struikgewas had verstopt, voordat iemand het zou vinden.

Lida haalde bij de portierster een korte spade en ze togen op weg. Ze moesten met de tram naar de Sokolnikiwijk, en daarna nog een flink stuk te voet door het bos, langs een beekje. Niemand hield ze tegen en uiteindelijk kwamen ze bij het vallen van de avond aan bij een uitgestrekt veld, waar aan de rand een grote bomkrater bleek te zijn. Het werd al donker. Lida’s man zei tegen haar dat hij de kracht niet had, maar dat die krater dichtgegooid moest worden omdat hij zich herinnerde dat hij zijn uniform daarin had gegooid.

Lida keek in de krater en zag daarbeneden inderdaad iets liggen wat leek op een pilotenoverall. Ze begon er aarde overheen te scheppen, en haar man zette haar aan tot grote haast omdat het al helemaal donker aan het worden was. Ze was drie uur lang bezig met het dichtgooien van de krater en toen merkte ze dat haar man er niet meer was.

Lida werd bang, ze begon te zoeken, ze rende rond en viel bijna in de krater, en toen zag ze dat de overall op de bodem van de krater bewoog. Lida zette het op een lopen. In het bos was het nu pikdonker, maar Lida wist bij het aanbreken van de dag de tram te bereiken, ze reed naar huis en ging naar bed.
En in haar droom verscheen haar man aan haar en hij zei: ‘Dank je wel dat je me begraven hebt.’