Al zo lang ik me kan heugen, klopt mijn hart links. Niks bijzonders natuurlijk, voor iemand van mijn generatie. Bijna iedereen die puberde in de jaren zeventig bekende zich met grote vanzelfsprekendheid tot het progressieve gedachtengoed. Dat was te danken aan de generatie vlak boven ons, die het juist in die tijd voor het zeggen kreeg: in het onderwijs, in de politiek, in de media. In zijn pas verschenen Babyboomboek beschrijft historicus Ronald Havenaar hoe de babyboomers zichzelf vrijwel zonder uitzondering als ‘vooruitstrevend’ beschouwden. Dat betekende, analyseert hij treffend: uiterst somber over de menselijke soort, en tegelijkertijd ‘vervuld van een schijnbaar niet te remmen geloof in vooruitgang’. Havenaar: ‘“Progressief” wordt het toverwoord voor het verlossende ideaal dat een totale emancipatie en democratisering moet brengen, in eigen huis en land maar ook elders in de wereld.’ Alles moest anders, en wel nu.
Ook ik was een gehoorzaam kind van mijn tijd. Las het Rode boekje voor scholieren (‘Daarom is de school een van de sterkste wapens van de mensen die alles willen laten zoals het is’), demonstreerde veelvuldig tegen onrecht in verre buitenlanden, was hartstochtelijk anti-Amerikaans. Toen ik in het voorjaar van 1976 op excursie ging naar een Oostblokland wist ik de troosteloosheid aldaar onmiddellijk te relativeren. Want hé, alsof het hier in het kapitalistiese Westen zo fijn toeven was.
Eenmaal op de universiteit sleten de scherpe randjes er gestaag vanaf. Ik raakte onder de indruk van een denker als Karel van het Reve, genadeloos ontleder van progressieve drogredeneringen, van het meten met twee maten, van het slachtofferdenken. Hoewel hij zijn leven lang PvdA bleef stemmen, gold hij in het overzichtelijke opinieklimaat van destijds als ‘reactionair’ – het ergste epitheton dat links toen in huis had. Ik viel als een blok voor zijn glasheldere logica.

Halverwege de jaren tachtig kwam ik in dienst bij dit weekblad, huisorgaan van de linkse intelligentsia. Maar anders dan vaak gedacht, was de sfeer er allerminst dogmatisch – zeker niet bij de zogeheten kleurenbijlage waar ik werkte. Journalisten als Gerard van Westerloo, destijds coördinator van het clubje, droegen met verve uit dat je niet de door links ‘gewenste werkelijkheid’ diende te beschrijven, maar de ‘werkelijke werkelijkheid’.
Dat viel, zacht gezegd, niet altijd in goede aarde. Zo klaagde journalistenvakbond NVJ in 1984 Van Westerloo en medeauteur Elma Verhey aan vanwege ‘racisme’. Steen des aanstoots: ze hadden de werkelijke werkelijkheid van de Amsterdamse bestuurders van lijn 16 in kaart gebracht. Een werkelijkheid, zoals Van Westerloo het later in zijn boek Niet spreken met de bestuurder zou formuleren, waarin de trambestuurders ‘drie maal daags een preek over de heerlijkheid en de harmonie van de komende multiculturele wereld’ over zich heen kregen, terwijl zij het waren die ondertussen ‘de last ervan moesten dragen’.
Er is vaker op gewezen: waren verhalen als deze van meet af aan serieus genomen, dan had de linkse kerk minder verbaasd hoeven staan over de opkomst van Pim Fortuyn (en later Geert Wilders). Ze had er misschien zelfs wel een antwoord op gehad.
Volgens mij betekent links dat je het universele van de mensenrechten onvoorwaardelijk onderschrijft. Geen gemorrel aan gelijke rechten voor vrouwen, geen gemorrel aan de vrijheid van meningsuiting
Uiteindelijk werd ik een links-liberaal met enige hardnekkige sociaal-democratische trekjes. Van een aards paradijs langs rode lijnen moet ik inmiddels louter griezelen. Maar een klassiek leerstuk als ‘volksverheffing’ heeft in mijn ogen nog niets aan glans ingeboet. Waarom wij niet veel meer in onderwijs investeren ontgaat me, waarom kinderopvang nog steeds een privébekommernis is ook. Voorts vind ik de vrije markt verre van zaligmakend, begrijp ik nog steeds niet waarom nutsbedrijven geprivatiseerd moesten worden en heb ik een intense afkeer van baantjesjagers en graaiers – helemaal als ze dienstbaar zouden moeten zijn aan de publieke zaak.
Maar links maakt het je niet makkelijk om links te zijn. En nee, dan doel ik niet op de vreugdeloosheid die de vooruitstrevende mens doorgaans uitstraalt. (Elke journalist weet: interview een VVD’er en de schaterlach is nooit ver weg, interview een GroenLinkser en er kan geen relativering af.) Het is bovenal het goedpraten van wat niet goed te praten valt dat me zwaar op de maag ligt.
Volgens mij betekent links óók dat je het universele van de mensenrechten onvoorwaardelijk onderschrijft. Dus, om maar enkele pijnpunten te noemen: geen gemorrel aan gelijke rechten voor vrouwen, geen gemorrel aan de vrijheid van meningsuiting. Ook niet als dat gebeurt uit naam van een eeuwenoud Heilig Boek. De Allerhoogste heeft geen rechten. Mensen hebben rechten. Waarom heeft uitgerekend links het daar zo moeilijk mee? Speciaal als het gaat om de islam?
Onkuise kleding
Natuurlijk, decennialang bleef de religie die in de jaren zestig dit land binnenkwam met wat destijds ‘gastarbeiders’ heetten, vrijwel onzichtbaar. Er waren nauwelijks moskeeën, nauwelijks islamitische scholen, en jonge moslima’s lieten hun haren nog vrijelijk wapperen. Dat veranderde toen in de jaren negentig de wereldwijde vervroming van de islam ook Nederland bereikte.
Kleine herinnering uit eigen geheugen: in 1998 maakte ik voor dit blad een reportage over de opleiding hbo-islam, destijds gevestigd in een non-descript pand te Diemen. Met het diploma kon je bijvoorbeeld het vak levensbeschouwing geven in het middelbaar onderwijs.
Tot mijn verrassing bleken de docenten aldaar nogal te worstelen met het orthodoxe gehalte van hun studenten (‘Wat denk je, er zijn in dit land imams die verkondigen dat je nooit in zee mag gaan met Nederlanders’). Ik hoorde studenten klagen dat de lessen niet naar sekse gescheiden waren. Of dat ze les moesten volgen over het christendom – waar was dat nou voor nodig? Ook mochten de preciezen de rekkelijken graag wijzen op hun onkuise kleding of ongepaste gedrag. Soms, verzuchtte een autochtone studente, schrok ze van de intolerantie die ze om zich heen zag. Zij deed haar best om begrip op te brengen voor de gevoelens van haar islamitische medestudenten. Waarom deden zij dat niet?
Tot het vooruitstrevend gedachtengoed behoorde sinds de jaren zestig dat je het christendom als achterhaald, zo niet achterlijk beschouwde
Drie jaar later vlogen te New York twee vliegtuigen twee torens binnen. Die aanslagen plus de gebeurtenissen die erop volgden, leidden tot nog verdere vervroming, ook in Nederland. In november 2012 moest het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) enigszins beteuterd vaststellen dat zijn in 2004 voorspelde ‘secularisering’ onder moslims niet doorzette. Destijds schreef het SCP in een rapport: ‘Blijkbaar hebben de toenemende etnische segregatie en oplopende etnische spanningen in de afgelopen jaren vooralsnog niet geleid tot een religieus reveil bij moslims in Nederland.’ In 2012 heette het: ‘Voor bijna iedere moslim in Nederland speelt het geloof een belangrijke rol in zijn of haar leven.’ En: ‘Het is niet te verwachten dat de islam zijn belangrijke rol als deel van de identiteit van Turkse en Marokkaanse moslims in de nabije toekomst zal verliezen.’
Je zou verwachten dat links hier op z’n minst sceptisch tegenover zou staan. Van huis uit hebben ze het daar immers niet erg op religie – althans grosso modo. Tot het vooruitstrevend gedachtengoed behoorde sinds de jaren zestig dat je het christendom als achterhaald, zo niet achterlijk beschouwde, de kerk als een verkalkt instituut. Dus mocht je gelovigen uitentreuren bekritiseren en bespotten. Ook als ze zelf lieten merken dat ze diep beledigd waren, was er geen linksdenkend mens dat door medeleven werd bevangen.
De laatste keer dat er officieel protest klonk uit christelijke hoek was, als ik me niet vergis, in 2008. De leiding van de Protestantse Kerk in Nederland (PKN) stuurde een brief naar nrc.next vanwege een onsmakelijke cartoon – iets met het Opperwezen en fellatio. Dat de krant die had afgedrukt, schreef de PKN-top, krenkte ‘de gevoelens van veel Nederlanders die in God geloven als hun Schepper’. Ik kan me niet herinneren dat ook maar iemand het voor de gekwetste christenen opnam.
‘Geen satire maar gewoon pesten’
Maar zie. Toen die andere godsdienst in toenemende mate blijk gaf van lange tenen liep links plotseling over van welwillendheid. Sterker, wie zulks wél kritisch bejegende, was ‘islamofoob’, ‘racist’, heimelijk adept van bruin gedachtengoed. Het maakt, dat moet gezegd, het huidige debatklimaat net zo overzichtelijk als in de tijd van Karel van het Reve.
Niettemin blijft de vraag klemmen: waarom zou links in hemelsnaam gelovigen in bescherming nemen wier opvattingen bij tijd en wijle nogal opzichtig indruisen tegen alles waarvoor links zou moeten staan? Vanwaar die bereidheid om de eigen beginselen in de uitverkoop te doen?
Het nieuwe jaar was nog week oud of het mechanisme liet zich wederom in volle glorie aanschouwen. Na de moordpartij op de redactie van Charlie Hebdo zag je eerst brede geschoktheid, verontwaardiging, massale bereidheid de straat op te gaan. Maar binnen de kortste keren begon het grote relativeren. Het grote inleven in de gevoelens der gekwetsten.
Uiteraard keurde antropoloog Martijn de Koning het geweld af, schreef hij in de Volkskrant. Maar wij moesten wel bedenken dat de tekeningen van Charlie Hebdo ‘islamofoob’ en ‘erg grof geschut’ waren. Het Franse blad, betoogde hij, maakte zich schuldig aan het ‘omlaag trappen naar burgers’. Uiteraard keurde sociaal-antropologe Annette Janssen het geweld af. Maar, schreef ze in Trouw, ‘we kunnen niet doen alsof we niets te maken hebben met de gevoeligheden van moslims en simpelweg luider roepen dat binnen onze landgrenzen de vrijheid van meningsuiting alles bepaalt.’ Uiteraard vond activist-kunstenaar Quinsy Gario geweld niet de oplossing. Maar satire die de zwakkeren in de samenleving op de korrel neemt, schreef hij op de Vara-opiniesite Joop, ‘is geen satire maar gewoon pesten’.
Ook elders stroomde menigeen over van begrip. Te Dordrecht protesteerde een GroenLinks-raadslid tegen het plan om in het lokale Stripmuseum cartoons van Charlie Hebdo te exposeren. ‘Wij vinden dat de vrijheid van meningsuiting niet mag leiden tot vrijheid van belediging.’ Het Kennemer College te Heemskerk dwong een docent excuses aan te bieden voor het feit dat hij een cover van Charlie Hebdo in zijn klas had opgehangen. Volgens de rector ervoeren de leerlingen dat als ‘kwetsend’. Toen daar enige verontwaardiging over ontstond, nam radio-dj Giel Beelen het bij De Wereld Draait Door voor haar op. ‘Het kan niet zomaar zijn dat je iedereen gaat beledigen!’
Demonstranten die hartverwarmende bordjes omhooghielden met ‘Je suis Juif’? Ik heb ze niet gezien
Nogal onderbelicht in al dit gekrakeel bleef intussen dat twee dagen na Charlie Hebdo in een koosjere supermarkt te Parijs vier gijzelaars naar gene zijde werden geholpen wier enige vergrijp eruit bestond dat ze Joods waren. Demonstranten die hartverwarmende bordjes omhooghielden met Je suis Juif? Ik heb ze niet gezien.
Wel was er in de kranten, op radio en tv ruim aandacht voor een andere bevolkingsgroep in ons midden. In de week na de aanslagen mochten drie Nederlandse moslims aanschuiven bij de talkshow Jinek. Uitgebreid vertelden ze over hoe moeilijk zij het wel niet hadden. Pas een volle week later kwam de redactie van Jinek op het idee om ook eens Nederlandse Joden te vragen naar hun gevoelens.
Toevallig bezocht de Britse auteur Karen Armstrong kort na de aanslagen ons land om haar nieuwe boek In naam van God te promoten. Ondertitel: ‘Religie en geweld’. Trof dat even. Per slot waren er net uit naam van Allah en Zijn Profeet in totaal zestien mensen afgeslacht. Armstrong maakte ons evenwel in de talloze interviews die ze gaf wijs dat de gebeurtenissen ‘helemaal niets’ met de islam te maken hadden. De geopolitiek van het Westen droeg in dezen de grootste schuld. En wisten wij wel dat er geen antisemitisme bestond binnen de islam voordat het ‘geïmporteerd’ werd uit het christendom? ‘De missionarissen hebben het verspreid en daarna kwam de staat Israël.’
Dat ze deze klepkolder verkondigde was al pijnlijk. Nog pijnlijker was dat geen van de Nederlandse interviewers haar weerwoord gaf.

Eerlijk is eerlijk: ik heb geen sluitend antwoord op de vraag waar de mildheid voor de minpuntjes van de vervroming vandaan komt.
Het zou kunnen dat de blinde vlek voor de kracht van religie links hier parten speelt. Tot de klassieke dogma’s behoort immers dat de onderbouw de bovenbouw bepaalt. Links wil er niet aan dat het geloof voor tallozen vele malen bepalender is voor hoe ze in het leven staan, en blijft de nazaten van wat ooit ‘gastarbeiders’ heetten vóór alles zien als de economische achtergestelde onderklasse voor wie je coûte que coûte fier in de bres moet springen.
Het zou ook kunnen dat de angst voor een rechts-populist als Geert Wilders de blik vertroebelt. Uit vrees diens onfrisse agenda ‘in de kaart te spelen’, sla je maar aan het relativeren en vergoelijken.
En inderdaad, daar zit wat in. Het heeft iets ongemakkelijks om Wilders’ analyse tot op zekere hoogte te delen, terwijl je zijn oplossingen – van de ‘kopvoddentaks’, via het koranverbod tot zijn oproep tot ‘minder, minder, minder’ – afgrijselijk vindt. En je wilt al helemaal niet medeverantwoordelijk zijn voor wat Greta Riemersma in dit blad zo indringend beschreef: een klimaat waarin een tienjarige jongetje met buikpijn naar bed gaat omdat zijn klasgenootjes hem na elke terroristische aanslag houden voor ‘een middeleeuwse idioot met een baard’.
Maar moet je om die reden religieuze gekkigheid relativeren? Zelfcensuur aanbevelen voor columnisten, cabaretiers, cartoonisten? Ik weet niet hoe het u vergaat, maar mij lokt dit scenario heel weinig aan.
Twee burgemeesters geven hoop
Laat ik mezelf opbeuren en de lichtpuntjes tellen. De PvdA-burgemeester van Amsterdam is er zo een. Na de aanslag op Charlie Hebdo nam Eberhard van der Laan het fier op voor de vrije meningsuiting. ‘Wie wij ook zijn en waar wij ook vandaan komen, wij blijven als één man, vrouw staan voor ónze vrijheid,’ zei hij op donderdag 8 januari bij de grote demonstratie op de Dam. Ook elders liet hij weten dat terroristen hun zin niet mogen krijgen. Dus niks toontje lager, niks rekening houden met religieuze gevoeligheden.
Zijn Rotterdamse collega en partijgenoot Ahmed Aboutaleb sprak zich nog krachtiger uit. ‘Wij laten ons de mond niet snoeren,’ zei hij diezelfde avond op Plein 1940. Waarna hij in vloeiend Frans zijn solidariteit met de Parijzenaars betuigde. Een dag eerder had hij in een interview met Nieuwsuur ‘onze vrijheden’ vurig verdedigd, de aanslag een ‘onbeschrijflijke vorm van barbarij, van achterlijkheid’ genoemd, waarbij hij herhaalde hoe belangrijk het was dat moslims hier ‘massaal afstand van nemen’. Tegen iedereen die met de daders sympathiseerde, zei hij: ‘In hemelsnaam, pak je koffer en vertrek.’ En: ‘Als je het niet ziet zitten dat humoristen een krantje maken, ja, mag ik het zo zeggen: rot toch op!’
Om mijn goede humeur te bewaren, negeer ik nu even wat zijn oud-partijgenoot Marcel van Dam daarvan maakte. ‘De opvatting van Aboutaleb dat ze hier dan ook niet thuishoren,’ schreef hij in zijn afscheidscolumn in de Volkskrant, ‘doet de vraag rijzen of hij in Rotterdam, waar de helft van de bevolking allochtoon is, wel thuishoort als burgemeester.’ Ook negeer ik publiciste Hassnae Bouazza die Aboutaleb in diezelfde krant wegzette als ‘ongelooflijk platte populist’ die ‘het frame van moslims als afzonderlijke categorie gebruikt om zichzelf te profileren’. En zeker negeer ik de Vara-opiniesite Joop, nooit te beroerd om de linkse gelederen te zuiveren, waar Aboutaleb door de Amsterdamse politicoloog Ali Al-Jaberi werd afgeserveerd als ‘huismoslim’. Zo’n kruiper, zeg maar, die braaf zegt wat autochtonen willen horen. Autochtonen mogen namelijk denken wat ze willen, moslims dienen precies hetzelfde te denken als medemoslims.
Ik weet het, die twee burgemeesters (en nog enkele andere dapperen) zijn de uitzonderingen. Maar mijn linkse hart geven ze hoop.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.