Reportage / Leven aan de Chinese bouwput / China’s ‘dolende dorpen’
Het keukenschort waaraan meneer Deng zijn handen afveegt, moet ooit wit zijn geweest. Hij stuift enthousiast en nieuwsgierig naar buiten als hij ons ziet. Buitenlanders komen hier niet vaak. Met een weids armgebaar nodigt Deng ons uit voor een kop thee in ‘Restaurant Liangping’, zoals een kartonnen bord boven de ingang vermeldt.
Het restaurant is, samen met nog vijf eetgelegenheden, gehuisvest in een bouwwerk van stokken en golfplaten. Middenin de halfopen ruimte staat het kookeiland: een houten tafel met een gasstel, omringd door schalen gesneden groenten, vlees en noedels. Een twintigtal lage plastic krukjes staat kriskras in de ruimte. Achterin hangt een gordijn dat het kleine slaapvertrek van Deng en zijn vrouw afschermt.
Toch maakt de restauranteigenaar geen wanhopige indruk. Integendeel. ‘We zijn hier vier jaar geleden naartoe gekomen. Familieleden hadden hier al een restaurant geopend.’ Hij wijst op een van de vijf andere eetstalletjes. ‘Ze zeiden: jullie moeten ook komen. Hier kun je geld verdienen.’
Sindsdien serveren de Dengs elke dag van zeven uur ’s ochtends tot elf uur ’s avonds gepeperde Sichuan gerechten, die naar believen kunnen worden geblust met thee, cola, bier of baijiu, letterlijk ‘witte alcohol’, een uitermate sterk Chinees destillaat. De klandizie bestaat uit de bouwvakkers van de aanpalende bouwplaats.
Dolende populatie
De zogeheten ‘dolende dorpen’ (floating villages, in de taal van de architecten) in de Chinese miljoenensteden zijn tijdelijke nederzettingen van arbeidsmigranten rondom elk van de honderden bouwputten. De bewoners werken als bouwvakker, of ze hebben een kleine onderneming als restauranthouder, kruidenier of prostituee. China’s ‘dolende populatie’ bedraagt naar schatting meer dan honderdvijftig miljoen arbeidsmigranten. Als het werk na een paar jaar is gedaan, verhuizen ze naar de volgende bouwput. Het dolende dorp van meneer Deng ligt in Chongqing, een van de snelst groeiende steden in het hart van China. De laatste jaren verplaatsen de economische groei en de bouwwerkzaamheden zich steeds meer van de Chinese oostkust naar het westen.
De burgemeester van Chongqing regeert inmiddels over ruim 33 miljoen inwoners. De stad bouwt aan een glorieuze toekomst. Overal schieten fonkelende wolkenkrabbers uit de grond. Chongqing wil uitgroeien tot internationale metropool. Deze maand nog kondigde vice-burgemeester Huang Qifan aan dat de stad in 2012 zal beschikken over een rechtstreekse spoorverbinding met Rotterdam, waarmee goederen uit Chongqing binnen dertien dagen in West-Europa kunnen zijn. De stad trekt duizenden plattelandsbewoners per dag, op zoek naar een kans om te profiteren van de economische groei die hier ondanks de wereldwijde crisis stand lijkt te houden.
Wonen in containers
Bij het parkeerterrein voor de McDonald’s komen twee werelden bij elkaar. Rechts ruik je de uitlaatgassen van de auto’s die over een verhoogde snelweg richting het nieuwe internationale vliegveld van Chongqing snellen, links stinkt het naar urine uit het noodsanitair van de bouwplaats. Daarachter wonen de bouwvakkers in hun containerwoningen. Een onverhard pad leidt tot aan de voet van de verhoogde snelweg: hier ligt het centrale plein van de nederzetting met kleine winkeltjes, restaurants en een mahjong-zaal. Het wegdek van de snelweg doet dienst als dak van een markt met tientallen kraampjes die groenten, fruit en vlees verkopen.
Deze floating village heeft achthonderd inwoners. Zevenhonderd mensen werken in de bouw en wonen in containers. De overige honderd wonen in zelfgebouwde woningen van golfplaat of tentdoek. Dat zijn de kleine ondernemers die, net zoals meneer en mevrouw Deng, op het constructiegeweld zijn afgekomen.
Voor Chinese begrippen heeft de bouwput een gemiddelde omvang. Hoge skeletten verraden de vorm van de luxe torenflats die hier zullen verrijzen: zestien stuks, zesentwintig etages elk, vier appartementen per etage maakt meer dan zestienhonderd woningen voor de groeiende Chinese middenklasse. Kosten: zeshonderdduizend yuan (ruim zestigduizend euro) voor een appartement van tachtig vierkante meter.
De bouwvakkers zelf kunnen zo’n bedrag nooit neertellen; ze verdienen minder dan tweehonderd euro per maand. Als de welgestelde gezinnetjes straks hun nieuwe droomhuizen betrekken, zijn zij al lang weer verder getrokken naar de volgende containerwoning.
Veel vrouwen
Met een verse krant onder de arm en een fles koude thee in zijn hand loopt Wen, een bedaarde vijftiger, terug naar zijn containerwoning. Hij vindt het best als we willen meelopen. Zijn kleding verraadt dat Wen geen stenen hoeft te sjouwen. Hij stuurt honderdtwintig bouwvakkers aan. Als teamleider heeft hij een privilege: hij deelt zijn woning slechts met één ander, en niet met elf. Aan de wanden hangen bouwtekeningen en werkschema’s. Van zijn salaris, 3500 yuan (350 euro) per maand, kan ook hij hier geen appartement kopen. Hij heeft dan ook een flat gekocht in zijn geboorteplaats Wanzhou, drie uur reizen met de bus verderop. ‘Mijn vrouw woont er al. Natuurlijk mis ik haar,’ zegt hij zichtbaar geëmotioneerd. ‘Ze komt een paar keer per jaar op bezoek. En ik ga een paar keer per jaar naar haar. Maar het is altijd veel te kort.’
Dan gaat de deur open: de algemeen projectmanager van de bouwplaats, nieuwsgierig naar het buitenlandse bezoek, komt binnen. De laoban (baas) is een jonge dertiger, gekleed in een nette broek en een wit shirt. Hij heeft architectuur gestudeerd in Chengdu, vertelt hij, de eveneens snelgroeiende hoofdstad van Sichuan. ‘Ik kom zelf uit Chongqing en voor architecten is hier nog meer werk.’ Met een maandloon van zesduizend yuan (zeshonderd euro) verdient de jonge manager ruim voldoende om niet in de containers te hoeven wonen.
‘Willen jullie ook de bouwplaats zien?’ vraagt opzichter Wen. We knikken. Hij verdwijnt en komt even later terug met beschermhelmen. Even later staan we in een krakende bouwlift die ons tergend langzaam naar het dak van een van de torens brengt. Op de bovenste etages halen nauwelijks gezekerde bouwvakkers halsbrekende toeren uit. Er zijn opvallend veel vrouwen bij. Ze doen niet alleen de lichtere klussen, zoals het bedienen van de bouwlift, maar ook het zwaardere werk zoals het rondrijden van kruiwagens met zand, cement en stenen. Ik vraag Wen of er veel ongelukken gebeuren. ‘Valt wel mee,’ bromt hij. Het is kennelijk geen onderwerp om uitgebreid te bespreken.
Desperate Housewives
De jonge dokter houdt spreekuur onder een blauw plastic zeil. Hij zit achter een bureau waarop een stethoscoop, wat infuuszakken en een reflexhamer liggen. De twee grote stellingkasten bevatten een uitgebreide voorraad medicijnen. Hij heeft geneeskunde gestudeerd in de zuidelijke stad Nanning, vertelt hij. Zijn naam houdt hij liever geheim, want deze kliniek beschikt niet over de verplichte registratie of vergunningen. Of hij zijn opleiding wel heeft afgerond, wordt ook niet helemaal duidelijk.
Zoveel is zeker: de dokter werkt hier niet alleen uit menslievendheid. ‘Ik kan hier goed geld verdienen,’ zegt hij. ‘Ik heb gewoon een tent gebouwd en ben aan de slag gegaan.’ Aangezien de meeste bouwvakkers niet verzekerd zijn, biedt zijn goedkope medische zorg (vijf yuan voor een vingerverbandje) uitkomst. Veel voorkomende klachten zijn verkoudheid en diarree, zegt hij. ‘En natuurlijk bouwongevallen.’
Het dolende dorp kent vele voorzieningen: even voorbij de kliniek is in een bouwval een automatenhal gevestigd. Filmliefhebbers kunnen terecht bij een van de drie (!) bioscopen. Een ouderwets schoolbord somt de films en series van vandaag op: The Sixth Sense, Desperate Housewives en de documentaire An Unlikely Weapon. Tickets: een yuan, oftewel tien eurocent. Binnen zitten zo’n twintig bouwvakkers op lage houten banken naar een televisie te kijken. Het is er muisstil.
Als we foto’s willen maken, stuurt de eigenaar ons naar buiten. ‘Dat moet je niet doen,’ zegt hij verontwaardigd. ‘Die foto’s geven geen goed beeld van China. Het is een schande om zulke armoedige omstandigheden te laten zien.’ Hij schaamt zich kennelijk voor zijn eigen situatie en die van de andere arbeidsmigranten. Later horen we nog iemand dit gevoel verwoorden: een van de bouwvakkers bedankt ons ‘omdat jullie niet op ons neerkijken.’
Schoolgeld
Kinderen zijn vrijwel afwezig in het dolende dorp. De meeste arbeidsmigranten hebben hun kinderen achtergelaten bij de grootouders in het geboortedorp. Niet omdat ze niet bij hen willen zijn, maar vanwege de Chinese regelgeving. Want hoewel de bouwvakkers soms jaren in de stad wonen, blijven ze in het Chinese bevolkingsregister ingeschreven staan als ‘plattelandsbewoners’ in hun geboortedorp. Alleen een universitair diploma of een carrière in het leger kan dat veranderen. Het betekent dat ze in de stad geen recht hebben op een zorgverzekering, een pensioen of gratis onderwijs voor hun kinderen.
In een van de restaurants zit de tienjarige Yin, een van de weinige kinderen, aan tafel te studeren: ze leert een lange spreuk van Confucius uit het hoofd. Haar trotse moeder legt uit dat ze Yin heeft meegenomen. ‘Ik zou niet zonder haar kunnen,’ zegt ze. ‘Ik moet meer schoolgeld betalen, maar dat heb ik er voor over.’
De inwoners van dit dolende dorp wonen hier niet omdat ze niet anders kunnen. Ze wonen hier om te werken en geld te verdienen. Natuurlijk hopen ze allemaal dat hun kinderen zullen toetreden tot de stedelijke middenklasse. Onderwijs is daarvoor de aangewezen weg. In het competitieve Chinese systeem komen de slimmeriken uiteindelijk bovendrijven. In de lunchpauze spreken we mevrouw Shitong, die 1200 yuan (120 euro) per maand verdient met het bedienen van de bouwlift. ‘Ik heb gelukkig een dochter die goed kan leren,’ vertelt ze, terwijl ze ons wat tofu, kip en groenten opschept. ‘Ze is 22 en studeert bijna af in computertechnologie aan de universiteit in Chongqing.’ Ze kijkt apetrots. Haar dochter heeft de grote stap gezet.
Vriendinnen van de arbeiders
Om tien uur ’s avonds is de bouwplaats in duisternis gehuld, maar het dorp is nog vol activiteit. In een met tl-balken verlichte ruimte spelen de bouwvakkers mahjong. Wie verliest, moet een klein bedrag op tafel leggen.
In restaurant Liangping bedienen meneer en mevrouw Deng hun laatste klanten, terwijl buiten een groepje zwaar opgemaakte vrouwen met korte rokken en hoge hakken over het zandpad het terrein op komt lopen. Meneer Deng omschrijft ze glimlachend als ‘de vriendinnen van de arbeiders’.
Deng heeft zijn restaurant vernoemd naar zijn geboortedorp Liangping, de plek waar hun veertienjarige zoon wordt opgevoed door zijn grootouders. Toen meneer Deng achttien jaar oud was, heeft hij zijn geboortedorp verlaten om in Shanghai een beter bestaan te vinden. Tien jaar lang heeft hij daar gewerkt als klusjesman. ‘Dat verdiende erg slecht,’ zegt hij: rond de tachtig euro per maand. Wel ontmoette hij in Shanghai zijn vrouw. ‘Ik had een klus in het huis van een bankdirecteur. Ik zag haar meteen: ze werkte in het huishouden als kok.’ De twee giechelen als verliefde pubers als ze terugdenken aan die tijd.
Een paar jaar later besloten de Dengs, inmiddels getrouwd, voor zichzelf te beginnen: ze namen allebei ontslag en gebruikten hun spaargeld om een restaurant te beginnen. Het was geen succes. ‘Ik denk dat de Shanghainezen niet gewend zijn aan de hete gerechten uit Sichuan,’ verklaart Deng de mislukking. Toen familieleden opperden dat ze naar Chongqing konden komen, aarzelden ze geen moment: zo zouden ze bovendien dichterbij hun zoon in Liangping komen te wonen. Deng rekent ons voor: een maaltijd kost tussen de vijf en twintig yuan (0,50 tot twee euro), afhankelijk van de hoeveelheid alcohol die erbij wordt genuttigd. Na aftrek van inkoopkosten komen ze op een dagomzet van tussen de honderd en driehonderd yuan. Daarvan moeten ze dagelijks twintig yuan huur betalen aan de eigenaar van het golfplaten gebouw. Al met al houdt het echtpaar zo’n vijftigduizend yuan (vijfduizend euro) per jaar over, ruim boven het gemiddelde jaarinkomen in Chongqing. Ze hebben er in Liangping een ruim en modern appartement van kunnen kopen van tachtig vierkante meter, vertellen ze trots. De rest van het geld sparen ze. Voor de opleiding van hun zoon en voor hun pensioen.
Oude tempels
Rond elf uur, als alle klanten zijn vertrokken, schuiven de andere restauranteigenaren ook een krukje aan. Het bier komt op tafel en de sigaretten gaan rond. Een van de koks raadt ons aan een kijkje te nemen in het oudste deel van Chongqing, bij de kruising van de twee grote rivieren. ‘Daar heb je nog allemaal oude tempels en traditionele huizen. Dat is het mooie stuk van de stad,’ zegt hij.
We kijken hem verbaasd aan. Wanneer is hij daar voor het laatst geweest?
‘Een paar jaar geleden,’ zegt hij niet-begrijpend.
Wij hebben er die ochtend nog gelopen. De sloopkogel heeft alle oude bebouwing tegen de grond geslingerd. Wat rest, is slechts een kale vlakte met daarop een gloednieuw operagebouw. Op de rivieroevers moet over een paar jaar een skyline verrijzen die kan wedijveren met die van Shanghai en Hong Kong.
Her en der zijn de eerste containerwoningen al neergezet, die onderdak moeten bieden aan duizenden bouwvakkers die de gigantische klus moeten klaren. Wie weet, denken we, is het zelfs wel de volgende halte van restaurant Liangping.
Michiel Hulshof en Daan Roggeveen werken samen in het Go West Project, een onderzoek op de grens van architectuur en journalistiek naar de nieuwe metropolen in Centraal en West-China. Voor meer informatie en hun blog: www.gowestproject.com
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.