Defensie-expert en VN-columnist Ko Colijn snapt heel goed dat Tom Middendorp terugtreedt. Dit is geen symboliek, dit is een schreeuw om aandacht: kan het land nog wel verdedigd worden?
De gisteren afgetreden generaal Tom Middendorp verwoordde vanochtend in zijn ‘dagorder’ nog eens heel kernachtig zijn kritiek op de politiek. ‘Voor mij stond en staat als een paal boven water dat we na 25 jaar afbraak weer moeten gaan investeren in de krijgsmacht, in de basisverzekering van ons land,’ aldus Middendorp. ‘De krijgsmacht loopt op haar tandvlees en ondertussen neemt het beroep op de krijgsmacht alleen maar toe. De grens van wat de krijgsmacht kan is allang bereikt’.
Het aftreden van Jeanine Hennis als minister van Defensie was misschien minder verrassend dan het gelijktijdig opstappen van Tom Middendorp als commandant van de strijdkrachten (CDS). Het eerste was geheel volgens het staatsrechtelijk boekje, dat de politieke verantwoordelijkheid voor falend beleid bij de minister neerlegt. The buck stops there. Iedereen weet dat het aftreden van een minister geen persoonlijke beschuldiging is, maar zelfs een eervolle aftocht kan zijn. De terugtreding van de CDS is persoonlijker, een signaal dat de staatsrechtelijke mores ontstijgt, en een boodschap van de opperhuismeester aan de politiek: dat hij was opgezadeld met riemen waarmee niet te roeien viel. Niks ‘symboliek’ dus, die anderhalve dag, zoals het Binnenhof-journaille terloops op dinsdagavond opmerkte, maar het tegendeel: een reële waarschuwing aan de politiek dat er na twintig jaar lichtzinnig bezuinigen méér aan de hand is dan een zoekgeraakt bonnetje, een FYRA-trein die niet wil rijden, of een staatssecretaris die zijn eigen belastingwet niet meer op een rijtje heeft. Het gaat hier om nationale veiligheid, een (misschien wel de) kerntaak van de overheid.
Nota bene anderhalve dag voor zijn afscheidsfeestje (commando-overdracht) op het Binnenhof doet het afblazen van Middendorps feestje meer pijn dan de aflossing voor een week van een demissionaire Jeanine, door een demissionaire Klaas. Als het rituele (dat wil zeggen staatsrechtelijk volkomen logische) aftreden van Jeanine Hennis past in het verlies van vertrouwen van de politiek in een minister, symboliseert het aftreden van de CDS wellicht het verlies van vertrouwen van de professional in de politiek, die de krijgsmacht nu al 25 jaar klussen liet doen die onuitvoerbaar waren. Een te wijde spagaat tussen ambitieniveau en middelen, heet dat in het Haagse parlando. Defensie is in een vrije val beland, schreef denktank Clingendael twee jaar geleden, er is zelfs regelrechte sprake van ‘kaalslag’ betoogde onderzoeker Krijn Schramade in 2016, en wie het nog niet wilde geloven kon bij overheidsrapporten zelf terecht, die er geen geheim meer van maakten dat de krijgsmacht alle ballen niet meer in de lucht kan houden. En als de ballen op de grond beginnen te vallen volgt het script van de aftredende minister.
Bij zoveel staatsrechtelijke hygiëne hoort enige hypocrisie. Neem me dus niet kwalijk dat ik enige kanttekeningen bij dat verantwoordingsscript maak, die de direct betrokkenen niet mogen maken: je mag je als verantwoordelijk minister nooit ‘verschuilen’ achter de jarenlange bezuinigingen, het woord ‘verdedigingslinie’ was dinsdagavond al bijna onkies en taboe, je moet het deemoedig eens zijn met, en zelfs dankbaar zijn voor, de aanbevelingen van een onderzoekscommissie.
Wat dat laatste betreft: defensie wordt aangeraden om wat minder ‘can do’-mentaliteit aan de dag te leggen. Wat eerlijker te durven zeggen: ‘alstublieft , ik smeek u, stop, politiek, deze missie kunnen wij niet uitvoeren, draag dit ons niet op’. Ik vind dat best merkwaardig, want het tonen van ‘can do’ is in het algemeen een prijzenswaardige instelling en het huis zou te klein zijn als uitgerekend militairen te risicomijdend zouden zijn. Hier wordt loyaliteit, geen kwade eigenschap, zelfs haast opgerekt tot missiegeilheid, het actief lobbyen van krijgsmachtdelen voor verre operaties die defensie te machtig zijn. Ik vind dat een valse redenering, want het is de politiek die missies wil en er in het buitenland mee scoort, en dezelfde politiek die Defensie sinds de val van de Muur heeft uitgekleed. Bezuinigingsrondes volgden elkaar in rap tempo op en tientallen reorganisaties volgden, soms gelijktijdig. Als gevolg hiervan is het defensiebudget de afgelopen 25 jaar gehalveerd. Van overmatige missiegeilheid heb ik, buiten het feit dat de marine graag vaart, de landmacht graag rijdt, en de luchtmacht graag vliegt, niet zoveel gemerkt.

De dagorder van de vertrekkende Tom Middendorp noemt vier voorbeelden van missies die hij heeft afgeblazen omdat Defensie inzet onverantwoord vond: het terughalen van special forces en helikopters uit Mali, de terugtrekking van de Patriot-raketten uit Turkije aan de grens met Syrië; het onderbreken van de F-16 missie in Irak/Syrië, en de keer dat hij ‘nee’ moest verkopen toen er werd gevraagd om een schip op het hoogtepunt van de migrantencrisis. Ik verklap een missie die Defensie tegenhield, die de onderbuik des vaderlands eiste in het eerste weekend na het neerschieten van de MH-17: het sturen van commando’s naar separatistisch gebied in Oost-Oekraïne. In dat geval van zeer verantwoord can’t do-management van de publieke opinie.
Van overmatige missiegeilheid heb ik, buiten het feit dat de marine graag vaart, de landmacht graag rijdt, en de luchtmacht graag vliegt, niet zoveel gemerkt.
De scepsis over het vermogen en de instelling van defensie, nu plotseling herontdekt met de tragische en onnodige dood van twee soldaten in Mali, is in feite niet nieuw. Zo oud dat ik mezelf plagieer (toen ik het boek Kaalslag voor de Academische Boekengids 2016 recenseerde): ‘in zekere zin is de rol van de kritische Defensie-watchers (journalisten, defensiesceptici, polemologen, pacifisten, Eisenhower…) van vroeger nu overgenomen door waakzame overheidsorganen zelf, zij het dat deze vaak met een financiële lens observeren. Dat zijn in Nederland bijvoorbeeld de Algemene Rekenkamer, of controleurs van Financiën. Hun kritische blik is niet primair veiligheidspolitiek, maar budgettair of bedrijfsvoeringstechnisch. Dat tekent de tijdgeest en verraadt de macht van Den Haag: de buitenlanddriehoek (Buitenlandse Zaken, Defensie, Ontwikkelingssamenwerking) kan sterke argumenten voor het bestaan hebben, voor hun performance gewaardeerd worden dóór het buitenland, maar scoort ‘slecht’ in het voeren van Haagse gevechten om de begroting of regeerakkoorden, gaat in de afgelopen perioden zelfs gebukt onder miskenning.’ Dat de kritiek tegenwoordig van de neutrale Algemene Rekenkamer en Financiën komt is veelzeggend: zij richten zich niet alleen op Defensie maar ook op de politici die de krijgsmacht met een te hoog ambitieniveau, zoals dat heet, hebben opgezadeld. Wie pap lust van ambtelijk visserslatijn, leest maar eens na hoe onderrealisatie, desinvesteringen, voortzettingsvermogen, operationele basisgereedheid, en onderuitputting de krijgsmacht onder de afgelopen kabinetsperiodes moedwillig hebben geteisterd.
Als klap op de vuurpijl werd geconstateerd dat de krijgsmacht nu niet meer in staat is om de eerste hoofdtaak, de verdediging van het eigen grondgebied, uit te voeren.
Na het zoveelste ‘verantwoordingsrapport’ van de Algemene Rekenkamer in 2016, over de inzetbaarheid van de krijgsmacht, gaf minister Jeanine Hennis voorzichtig maar ruiterlijk toe: ‘Defensie heeft met beperkingen kunnen voldoen aan de inzetbaarheidsdoelstellingen.’ Dat was een bekentenis die nog voorzichtig afstak bij het snoeiharde oordeel van de Rekenkamer dat in twee jaar Rutte de inzetbaarheid van ’s lands krijgsmacht was gedaald van 77% naar 59%, en als klap op de vuurpijl werd geconstateerd dat de krijgsmacht nu niet meer in staat is om de eerste hoofdtaak, de verdediging van het eigen grondgebied, uit te voeren. Een in juni 2016 uitgelekte, en vervolgens maar gepubliceerde ‘Menukaart’ van het ministerie van Financiën was ook geen demonstratie van bewondering of noodzaak, en zag de oplossing in het afschaffen van de gehele Landmacht, het drastisch krimpen van de marine en opgaan van het restant in de vlootjes van Duitsland, Denemarken en België, het huren in plaats van kopen van gevechtsvliegtuigen, en meer van dat soort proefballonnen. Met zulke ambtelijke vrienden heb je geen vijanden meer nodig, zuchtte men op het Plein. Het gaat niet over mestquota of over genderneutrale toiletten, maar over nationale veiligheid, ISIS en de internationale rechtsorde.
Het afbraakrisico van een minister van Defensie is relatief groot: een dodelijk ongeval is ook politiek dodelijk, zeker als het vermijdbaar is. Het is not done om in het verantwoordingsproces vergelijkingen met andere ministers aan te voeren, al helemaal niet ter verdediging van wat er onder je verantwoordelijkheid misging. Maar ‘een vermijdbaar ongeluk’ gecombineerd met ‘te weinig lerend vermogen’ zou als denkoefening eens moeten worden toegepast op de collega-minister die welbewust de maximumsnelheid op onze wegen opvoerde tot 130km, of het quasi-besluit om de waarde van een mensenleven in de gezondheidszorg op 100.000 euro vast te leggen bij de vraag of verder behandelen nog zin heeft.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.